< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 30 november 2006 heeft de burgemeester een aan [appellante] verleende vergunning voor de exploitatie van horecabedrijf [lunchroom], gevestigd aan [locatie] te Amsterdam, ingetrokken. Bij dit besluit heeft de burgemeester tevens [appellante] onder aanzegging van bestuursdwang gelast de exploitatie van dit bedrijf binnen vier weken na verzending van het besluit te beëindigen.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



201102451/1/A3.

Datum uitspraak: 1 februari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 januari 2011 in zaak nr. 10/2789 in het geding tussen:

[appellante]

en

de burgemeester van Amsterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 november 2006 heeft de burgemeester een aan [appellante] verleende vergunning voor de exploitatie van horecabedrijf [lunchroom], gevestigd aan [locatie] te Amsterdam, ingetrokken. Bij dit besluit heeft de burgemeester tevens [appellante] onder aanzegging van bestuursdwang gelast de exploitatie van dit bedrijf binnen vier weken na verzending van het besluit te beëindigen.

Bij ongedateerd besluit, verzonden op 10 mei 2010, heeft de burgemeester het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 januari 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en de burgemeester veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 1.500,00 aan [appellante]. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 februari 2011, hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

De burgemeester heeft adviezen van het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: het Bureau) aan de Afdeling toegezonden en daarbij medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling ervan kennis zal mogen nemen. Op 27 juli 2011 heeft de Afdeling beslist dat de verzochte beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is en [appellante] gevraagd om toestemming, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Deze toestemming is verleend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 oktober 2011, waar [appellante] en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. M.F.W. Boermans, mr. A.H.M. Buijs en S. Haavekost, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: de Wet bibob) kunnen bestuursorganen, voor zover zij bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:

a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of

b. strafbare feiten te plegen.

Ingevolge het tweede lid wordt, voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, betreft, de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onder a,

b. in geval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen.

Ingevolge het derde lid wordt, voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, betreft, de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,

b. in geval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten.

Ingevolge het vierde lid staat de betrokkene in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien:

a. hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan,

b. hij direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over of vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan een rechtspersoon in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht die deze strafbare feiten heeft begaan,

c. een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat.

Ingevolge het vijfde lid vindt de weigering dan wel de intrekking, bedoeld in het eerste lid, slechts plaats indien deze evenredig is met:

a. de mate van het gevaar en

b. voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, kan een gemeentelijke vergunning die op grond van een verordening verplicht is gesteld voor een inrichting of bedrijf, door het college van burgemeester en wethouders respectievelijk de burgemeester, voor zover het een krachtens het tweede lid aangewezen inrichting of bedrijf betreft, worden geweigerd dan wel ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3.

Ingevolge het derde lid kan het college van burgemeester en wethouders respectievelijk de burgemeester, voordat een beslissing als bedoeld in het eerste lid wordt genomen, het Bureau om een advies vragen.

Ingevolge artikel 8 is er een Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, voor zover thans van belang, heeft het Bureau tot taak aan bestuursorganen, voor zover deze bij of krachtens de wet de bevoegdheid hebben gekregen het Bureau daartoe te verzoeken, desgevraagd advies uit te brengen over de mate van gevaar, bedoeld in artikel 3, eerste lid.

Ingevolge artikel 4 van het Besluit bibob worden als inrichtingen als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet bibob aangewezen:

a. inrichtingen waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet, logies wordt verstrekt, dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden verstrekt,

[…].

Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 is het verboden zonder vergunning van de burgemeester een horecabedrijf te exploiteren.

2.2. Bij het besluit op bezwaar heeft de burgemeester het besluit van 30 november 2006 onder aanvulling van de motivering gehandhaafd. Aan het besluit zijn adviezen van het Bureau van 16 maart 2006 en 30 juli 2008 en een nadere toelichting van het Bureau van 25 september 2008 ten grondslag gelegd. Op grond van de adviezen heeft de burgemeester zich op het standpunt gesteld dat ernstig gevaar bestaat dat de exploitatievergunning mede wordt gebruikt om door [persoon A] en [persoon B] uit drugshandel en witwassen verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten en om het strafbare feit witwassen te plegen. De burgemeester heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellante] in relatie staat tot [persoon A] en [persoon B] en daarmee tot voormelde strafbare feiten.

2.3. De rechtbank heeft, voor zover thans van belang, overwogen dat de burgemeester zich op het standpunt mocht stellen dat [appellante] in relatie staat tot strafbare feiten waarbij [persoon A] en [persoon B] zijn betrokken, zoals bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Wet bibob . Daartoe heeft de rechtbank van belang geacht dat [persoon A] en [persoon B] de exploitatie van Lunchroom 52 mede hebben gefinancierd door aan [appellante] een lening van € 70.000,00 te verstrekken en dat zij de eigenaren zijn van het pand waarin [lunchroom] is gevestigd. Voorts heeft de rechtbank hierbij betrokken dat in een tussen [appellante] en [persoon A] en [persoon B] gesloten huurovereenkomst is opgenomen dat [persoon A] en [persoon B] bij beëindiging van de bedrijfsactiviteiten van [appellante] de bedrijfsinventaris en de eventuele goodwill voor een vastgesteld bedrag van haar zullen kopen. Verder heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat [appellante] tot 1 juni 2007 bedrijfsleider was bij een onderneming van [persoon A] en [persoon B], te weten [naam bedrijf].

2.4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de burgemeester de exploitatievergunning op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet bibob mocht intrekken. Volgens haar heeft de rechtbank miskend dat zij niet in relatie stond tot strafbare feiten waarbij [persoon A] en [persoon B] zijn betrokken. Zij voert aan dat het afsluiten van voormelde lening en het overeenkomen van het voormelde zogenoemde terugkoopbeding geen wezenlijke verandering betekende ten opzichte van de situatie die bestond voordat [persoon A] en [persoon B] eigenaar werden van het pand waarin [lunchroom] is gevestigd. Verder voert zij aan dat zij ten tijde van het besluit op bezwaar geen directeur meer was van [naam bedrijf]. Voorts heeft de rechtbank volgens [appellante] miskend dat de burgemeester in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld. Daartoe wijst zij op de aankoop van panden van [persoon C] en de verlening van vergunningen aan de [naam andere bedrijven].

2.4.1. Hetgeen [appellante] aanvoert over de redenen om tot het afsluiten van de lening en het overeenkomen van het terugkoopbeding over te gaan, laat onverlet dat deze omstandigheden wijzen op betrokkenheid van [persoon A] en [persoon B] bij de onderneming van [appellante]. Dat deze betrokkenheid niet wezenlijk verschilt van de betrokkenheid van de vorige eigenaar van het pand bij haar onderneming, maakt dit niet anders.

[persoon A] en [persoon B] waren ten tijde van belang de enige bestuurders van [holding], welke vennootschap destijds de enige aandeelhouder was van [naam bedrijf]. In die verhouding hadden [persoon A] en [persoon B] zeggenschap over [appellante], aangezien zij directeur was van [naam bedrijf]. De omstandigheid dat [appellante] ten tijde van het besluit op bezwaar geen directeur meer was van [naam bedrijf], geeft geen grond voor het oordeel dat deze verhouding niet bij de beoordeling mocht worden betrokken. Aangezien [appellante] de exploitatie van [lunchroom] op 1 oktober 2007 heeft gestaakt, is in het besluit op bezwaar terecht de situatie op die datum tot uitgangspunt genomen. Op die datum waren eerst vier maanden verstreken sinds de beëindiging van haar directeurschap van [naam bedrijf] op 1 juni 2007. Gelet op de korte duur van dit tijdsverloop heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de burgemeester niet op mede op grond van het directeurschap redelijkerwijs mocht vermoeden dat [appellante] in relatie stond tot [persoon A] en [persoon B].

Gelet op het voorgaande bestond tussen [appellante] en [persoon A] en [persoon B] niet slechts een huurrelatie, maar zijn er ook andere feiten en omstandigheden op grond waarvan de burgemeester zich op het standpunt mocht stellen dat [persoon A] en [persoon B] vermogen hebben verschaft aan [appellante], dat zij zeggenschap hadden over [appellante] en dat [appellante] anderszins in een zakelijk samenwerkingsverband tot [persoon A] en [persoon B] stond. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat de burgemeester zich op het standpunt mocht stellen dat [appellante] in relatie stond tot de strafbare feiten drugshandel en witwassen waarvan - naar thans niet in geschil is - aannemelijk is dat [persoon A] en [persoon B] deze hebben gepleegd. In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd is daarom geen grond gelegen voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de burgemeester de exploitatievergunning op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet bibob mocht intrekken. Dat in de besluiten geen strafbare feiten naar voren komen waaraan [appellante] zelf zich schuldig heeft gemaakt, maakt dit niet anders, nu dit ingevolge de Wet bibob niet is vereist om tot intrekking van een vergunning over te gaan.

2.4.2. Voor zover [appellante] ter motivering van haar beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft gewezen op de aankoop van panden van [persoon C], valt niet in te zien dat dit gevallen betreft die vergelijkbaar zijn met de thans voorliggende zaak, nu het daarbij niet gaat om besluiten die zijn genomen met toepassing van de Wet bibob. Voorts heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt dat de verlening van vergunningen aan [naam andere bedrijven] gevallen betreft die vergelijkbaar zijn met het voorliggende. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de burgemeester genoegzaam uiteen heeft gezet dat bij [naam andere bedrijven] de relatie tussen de vergunningaanvragers en de plegers van strafbare feiten van een andere aard was dan in deze zaak. In het door [appellante] aangevoerde is daarom geen grond gelegen voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat door intrekking van de exploitatievergunning het gelijkheidsbeginsel is geschonden.

Het betoog faalt.

2.5. Hetgeen [appellante] overigens heeft aangevoerd, heeft geen betrekking op de intrekking van de exploitatievergunning en behoeft derhalve geen bespreking.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient, voor zover aangevallen, te worden bevestigd.

2.7. Het verzoek van [appellante] om schadevergoeding dient te worden afgewezen, reeds omdat ingevolge artikel 8:73 van de Awb , gelezen in verbinding met artikel 46, eerste lid, van de Wet op de Raad van State, slechts daartoe kan worden overgegaan bij gegrondverklaring van het hoger beroep.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2012

97-640.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature