< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Weigering bekostiging voor in totaal 159 deelnemers aan diverse opleidingen bij CIBAP te Zwolle wegens onvoldoende geprogrammeerde en gerealiseerde klokuren; ten aanzien van verlaagde rijksbijdrage beroep gegrond in verband met achterwege gelaten belangenafweging.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht

Registratienummer: Awb 11/602

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

Stichting Christelijk Instituut voor Beschermings-, Afwerkings- en Presentatietechnieken (CIBAP),

te Zwolle, eiseres,

gemachtigde: mr. M.F. Groen,

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 mei 2010 heeft verweerder bepaald dat eiseres voor het jaar 2010 geen bekostiging verkrijgt voor in totaal 159 deelnemers aan de opleidingen:

-Kaderfunctionaris bescherming en afwerking niveau 4, crebo 10806;

-Middenkaderfunctionaris afbouw en onderhoud niveau 4, crebo 92680, met de uitstroomdifferentiaties Middenkaderfunctionaris afbouw en onderhoud Calculator/Onderhoudsspecialist niveau 4, crebo 92681, en Middenkaderfunctionaris afbouw en onderhoud Kleur en Interieuradviseur niveau 4, crebo 92682;

-Middenkaderfunctionaris afbouw en onderhoud niveau 4, crebo 94520.

Als gevolg hiervan heeft verweerder op grond van artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de aan eiseres toegekende rijksbijdrage voor het jaar 2010 met een bedrag van € 954.720,- verlaagd en bepaald dat dit bedrag wordt verrekend met de nog aan eiseres uit te keren rijksbijdrage.

Bij besluit van 9 februari 2011 heeft verweerder het door eiseres hiertegen ingediende bezwaar gegrond verklaard voor zover dit betrekking heeft op het aantal deelnemers waarmee is gerekend, het in het primaire besluit genoemde aantal deelnemers waarvoor eiseres geen bekostiging verkrijgt verlaagd tot 149 en de verlaging van de rijksbijdrage voor het jaar 2010 teruggebracht tot € 907.532.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Het beroep is ter zitting van 13 december 2011 behandeld. Namens eiseres zijn verschenen drs. J.J. Zandbergen, voorzitter van het college van bestuur van eiseres, en H.T. Roos, lid van het college van bestuur van eiseres, bijgestaan door gemachtigde, voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.W. Mulder, mr. K. Habib, drs. V.T. Holslag, drs. E. de Ruijter en mr. H.P.E.M. van Glansbeek.

Overwegingen

1. Bij de beoordeling van dit geschil gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 28 mei 2009 heeft de Inspectie van het Onderwijs (hierna: de Inspectie) bij eiseres onderzoek verricht naar de programmering en realisatie van onderwijstijd in het schooljaar 2008 -2009 bij de opleiding DTP niveau 2, crebo 90182, en de opleiding Kaderfunctionaris bescherming en afwerking niveau 4, crebo 10806. Omdat laatstgenoemde opleiding niet in alle leerjaren wordt aangeboden heeft de Inspectie ook de opvolger van deze opleiding beoordeeld. Dit betreft de opleiding Middenkaderfunctionaris afbouw en onderhoud niveau 4, crebo 92680, met de uitstroomdifferentiaties:

-Middenkaderfunctionaris afbouw en onderhoud Calculator/Onderhoudsspecialist niveau 4, crebo 92681;

-Middenkaderfunctionaris afbouw en onderhoud Kleur en Interieuradviseur niveau 4, crebo 92682,

alsmede de opleiding Middenkaderfunctionaris afbouw en onderhoud niveau 4, crebo 94520.

Deze opleidingen zijn voltijdse beroepsopleidingen.

Voor het onderhavige geschil zijn slechts de bevindingen van de Inspectie ten aanzien van de opleidingen met de crebo’s 10806 en 92680, met de voormelde uitstroomdifferentiaties, en crebo 94520 van belang. De Inspectie constateert dat de geprogrammeerde onderwijstijd van deze opleidingen voor het eerste leerjaar uitkomt op 822 klokuren en voor het derde leerjaar op 735 klokuren. Voor wat betreft de gerealiseerde onderwijstijd constateert de Inspectie dat deze voor het eerste leerjaar uitkomt op 748 klokuren en voor het derde leerjaar op 702 klokuren. De Inspectie concludeert op basis van deze bevindingen dat de opleidingen een onvoldoende aantal uren hebben geprogrammeerd en gerealiseerd om te voldoen aan de eis uit artikel 7.2.7, derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs (Web), dat een onderwijsprogramma van een voltijdse beroepsopleiding ten minste 850 uren per volledig studiejaar dient te omvatten.

Bij brief van 9 juni 2009 heeft de Inspectie eiseres op de hoogte gebracht van haar bevindingen en is eiseres in de gelegenheid gesteld om hier op te reageren. Bij brief van 22 juni 2009 heeft eiseres dit gedaan. In deze brief geeft eiseres onder meer aan dat zij van mening is dat de uren die haar studenten begeleid zelfstandig werkzaam zijn in de werkplaats, studio of in het open leercentrum (hierna: OLC) deel uitmaken van de geprogrammeerde en gerealiseerde onderwijstijd. Bij brief van 7 juli 2009 heeft de Inspectie haar definitieve rapport uitgebracht. Op basis van dit rapport is verweerder tot de besluitvorming gekomen zoals beschreven onder ‘procesverloop’ van deze uitspraak.

2. Eiseres kan zich niet met het besluit op bezwaar verenigen en voert, samengevat, in beroep aan dat verweerder onderscheid maakt tussen geprogrammeerde en gerealiseerde uren zonder dat de Web hier enige grondslag voor biedt. Daarnaast is eiseres van mening dat de Web evenmin grondslag biedt om de uren die studenten hebben doorgebracht in het OLC niet als klokuren te beschouwen die kunnen worden meegenomen bij de bepaling van het aantal uren in het kader van de 850 urennorm. De eis van verweerder dat in het kader van de

850 urennorm alleen uren meetellen die zijn ingeroosterd en onder directe begeleiding van docenten plaatsvinden, is volgens eiseres in strijd is met artikel 23, vijfde lid, van de Grondwet (Gw). Eiseres stelt voorts dat het aantal geprogrammeerde uren door de Inspectie onjuist is vastgesteld en dat de berekening die aan de vaststelling van de geprogrammeerde uren en gerealiseerde uren ten grondslag ligt niet inzichtelijk maakt hoe de Inspectie tot de vastgestelde onderwijstijd is gekomen. Onder meer om deze reden alsmede omdat eiseres onvoldoende gelegenheid heeft gehad om de geconstateerde urentekorten te repareren is de door verweerder gevolgde procedure onzorgvuldig geweest. De Inspectie heeft in deze procedure niet gehandeld overeenkomstig het Toezichtkader BVE 2009. Daarnaast is er volgens eiseres sprake van willekeur, omdat bij andere onderzoeken onderwijsinstellingen wel een redelijke termijn is geboden om herstelmaatregelen te treffen. Door eiseres niet een dergelijke termijn te geven handelt verweerder tevens in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Dit geldt ook voor de opgelegde sanctie. Deze had pas als ultimum remedium, want slechts bij ernstig en langdurig tekortschieten door eiseres, en na afweging van alle belangen mogen worden opgelegd. Bovendien had dit op grond van artikel 11, eerste lid, van de Web moeten gebeuren. Voorts is eiseres gebleken dat bij andere onderwijsinstellingen waar alleen een tekort aan gerealiseerde uren werd geconstateerd de rijksbijdrage naar rato werd teruggevorderd. Voor het opleggen van verschillende sancties biedt de Web of het Uitvoeringsbesluit Web (Uweb) volgens eiseres geen grondslag. Tevens is de intrekking van de volledige bekostiging van 149 studenten van eiseres in strijd met artikel 7.2.7, vijfde lid, van de Web . Volgens eiseres dienen de deelnemers voor wie de rijksbijdrage door verweerder is ingetrokken, als deeltijds deelnemers te worden beschouwd en als zodanig te worden bekostigd. Ten slotte is eiseres van mening dat verweerder bij de verlaging van de rijksbijdrage een belangenafweging had moeten maken en het evenredigheidsbeginsel had moeten toepassen.

3. Ingevolge artikel 4:21, vierde lid, van de Awb is titel 4.2. ‘Subsidies’ van overeenkomstige toepassing op de bekostiging van het onderwijs en onderzoek.

Artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan de subsidievaststelling kan intrekken of ten nadele van de ontvanger wijzigen op grond van feiten en omstandigheden waarvan het bij de subsidievaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de subsidie lager dan overeenkomstig de subsidieverlening zou zijn vastgesteld.

Ingevolge artikel 1.1.1, aanhef en onder i1, van de Web wordt onder voltijdse beroepsopleiding verstaan een beroepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2. 7, derde lid.

Ingevolge artikel 1.1.3, tweede lid, van de Web zijn de bepalingen vastgesteld bij of krachtens onder meer artikel 7.2.7. van de Web voorwaarden voor bekostiging voor bijzondere instellingen voor educatie en beroepsonderwijs.

Ingevolge artikel 7.2.7, derde lid, eerste volzin, van de Web zijn voltijdse beroepsopleidingen opleidingen in de beroepsopleidende leerweg waarvan elk volledig studiejaar een studielast van 1600 uur of meer heeft, en waarvoor het bevoegd gezag voor de deelnemer in instellingstijd een onderwijsprogramma verzorgt dat ten minste 850 uren per volledig studiejaar omvat.

Ingevolge artikel 7.2.7, vierde lid, van de Web omvat het in instellingstijd verzorgde onderwijsprogramma, bedoeld in het derde lid, alle onderwijsactiviteiten, gericht op het bereiken van onderwijs- en vormingsdoelen van de opleiding, waaraan door de deelnemer wordt deelgenomen onder verantwoordelijkheid en toezicht van het bevoegd gezag.

Ingevolge artikel 7.2.7, vijfde lid, van de Web zijn beroepsopleidingen die niet zijn ingericht volgens het derde lid, deeltijdse beroepsopleidingen.

Ingevolge artikel 7.4.8, derde lid, van de Web zorgt het bevoegd gezag ervoor dat voltijdse beroepsopleidingen aantoonbaar voldoen aan de eisen van artikel 7.2. 7, derde lid.

Artikel 11.1, eerste lid, van de Web bepaalt dat indien het bevoegd gezag van een instelling of een kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven in strijd handelt met het bepaalde bij of krachtens deze wet, de minister kan bepalen dat de rijksbijdrage, voorschotten daaronder begrepen, geheel of gedeeltelijk wordt ingehouden dan wel opgeschort.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat het aantal deelnemers dat aan de betreffende opleidingen deelnam en waarvoor verweerder voor het jaar 2010 geen bekostiging verstrekt, 149 bedraagt.

4.2. Uit artikel 7.4.8, derde lid, in samenhang met artikel 7.2.7, derde lid, van de Web volgt dat eiseres dient aan te tonen dat het onderwijsprogramma van de betreffende opleidingen ten minste 850 uren per volledig studiejaar omvat. Verweerder heeft ter zitting gesteld bij de beoordeling of eiseres aan deze verplichting heeft voldaan, eerst naar de geprogrammeerde uren te hebben gekeken en vervolgens te hebben onderzocht of de geprogrammeerde uren zijn gerealiseerd. Verweerder heeft hierbij aangegeven dat in het onderhavige geval het aantal geprogrammeerde uren bepalend was voor de vraag of het in instellingstijd verzorgde onderwijsprogramma ten minste 850 uren per studiejaar heeft omvat.

In de Memorie van Toelichting bij de wet tot wijziging van enkele wetten in verband met regeling in de Web van een minimumomvang van het in instellingstijd verzorgde onderwijsprogramma (850 urennorm; Kamerstukken II 2006/07, 31.048, nr. 3, blz. 7) wordt gesteld dat een instelling zowel vooraf inzicht in de geprogrammeerde onderwijstijd moet geven als achteraf verantwoording over de realisatie van het onderwijsprogramma moet afleggen. Het inzicht vooraf moet worden geboden door de onderwijs- en examenregeling (hierna: OER), en de documenten waarin de OER wordt uitgewerkt, zoals het jaarplan en de lesroosters, in combinatie met de onderwijsovereenkomst. Voorts blijkt uit deze Memorie van Toelichting dat de inspectie toezicht houdt op zowel de programmering als de realisatie. Gelet op deze overwegingen ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het door verweerder gemaakte onderscheid tussen geprogrammeerde en gerealiseerde uren een grondslag mist. De omstandigheid dat de verplichting tot vaststelling van onder meer de omvang en invulling van het onderwijsprogramma in het OER inmiddels is vervangen door de zorgplicht in artikel 7.4.8, derde lid, van de Web , maakt dit niet anders.

4.3. Met betrekking tot de vraag of verweerder terecht de OLC-uren niet heeft meegenomen in de berekening van het aantal geprogrammeerde uren en het aantal gerealiseerde klokuren, overweegt de rechtbank als volgt. Zoals verweerder in het bestreden besluit heeft overwogen, wordt in de onder 4.2. van deze uitspraak vermelde Memorie van Toelichting aangegeven dat het wetsvoorstel de urennorm niet concreet invult. Dit betekent volgens de Memorie van Toelichting dat de programmering moet zijn vastgelegd in een planningsdocument zoals bijvoorbeeld een rooster, studieplan of jaarplan. Voorts wordt in de Memorie van Toelichting gesteld dat de onderwijsactiviteiten onder verantwoordelijkheid en toezicht van het bevoegd gezag van de instelling worden uitgevoerd en dat de uitvoering dient te geschieden door onderwijspersoneel dat op grond van de wet met die werkzaamheden mag worden belast.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de OLC-uren niet waren ingeroosterd en niet werden begeleid door een docent, maar door een beheerder. Ter zitting heeft eiseres aangegeven dat deze beheerders hbo-opgeleide informatiedeskundigen zijn, maar uit de stukken blijkt tevens dat eiseres heeft aangegeven dat deze beheerders leerlingen voor inhoudelijke vragen kunnen doorverwijzen naar docenten en dat leerlingen, in plaats van de OLC-uren te volgen, eventueel ook thuis kunnen werken. Gelet op deze omstandigheden en op de hiervoor genoemde overwegingen uit de Memorie van Toelichting bij de wet waarbij de 850 urennorm in de Web is ingevoerd, is de rechtbank van oordeel dat verweerder de OLC-uren terecht niet heeft aangemerkt als klokuren die bij de vaststelling van het aantal uren in het kader van de 850 urennorm dienen te worden betrokken. De stelling van eiseres dat de OLC-uren wel als klokuren dienen te worden beschouwd omdat de Web zelf geen criteria voor de invulling van de 850 urennorm geeft, volgt de rechtbank niet. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit een redelijke uitleg van artikel 7.2.7, derde lid, van de Web , mede gelet op de Memorie van Toelichting, dat de OLC-uren niet als in instellingstijd verzorgd onderwijs kunnen gelden. Dat, zoals eiseres stelt, de invulling van de OLC-uren voortvloeit uit het didactische model dat eiseres hanteert, maakt het voorgaande niet anders. Voor het oordeel dat de wijze van invulling van de 850 urennorm onrechtmatig zou zijn, omdat een dergelijke wetssystematiek in strijd is met de Aanwijzingen voor de regelgeving, ziet de rechtbank geen aanleiding. Nog daargelaten de vraag of de wijze waarop de 850 urennorm in de Web en de daarbij behorende Memorie van Toelichting is ingevuld in strijd is met de Aanwijzingen voor de regelgeving, moet worden geconstateerd dat de Aanwijzingen voor de regelgeving niet zijn aan te merken als een hogere algemeen verbindende regeling op grond waarvan aan enige bepaling uit de Web verbindende kracht kan worden ontzegd. Hetgeen eiseres voor het overige op dit punt in beroep heeft aangevoerd, leidt evenmin tot een ander oordeel.

4.4. Aan de beoordeling van de stelling van eiseres dat de invulling van de 850 urennorm in strijd is met artikel 23, vijfde lid, van de Grondwet , komt de rechtbank niet toe. Zoals hiervoor overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder geen onjuiste invulling aan artikel 7.2.7, derde lid van de Web heeft gegeven. Gelet op artikel 120 van de Grondwet staat het de rechtbank niet vrij om te beoordelen of deze bepaling in strijd is met artikel 23 van de Grondwet .

4.5 Voor het oordeel dat de door de Inspectie en verweerder gevoerde procedure onzorgvuldig is geweest, ziet de rechtbank geen aanleiding. Verweerder heeft in verweer en ter zitting uitgelegd dat de naleving van de 850 urennorm door instellingen plaatsvindt door middel van zowel regulier als incidenteel onderzoek. Het regulier onderzoek ziet op allerlei onderwerpen die betrekking hebben op de kwaliteit van het onderwijs, waaronder de

850 urennorm, terwijl het incidentele onderzoek zich, zoals in dit geval, alleen richt op de vaststelling of er voldaan is aan de eisen van de onderwijstijd. Omdat het doel van beide onderzoeken anders is, worden door verweerder bij deze onderzoeken verschillende procedures en werkwijzen gehanteerd. Voor het toezichtkader dat geldt voor incidentele onderzoeken heeft verweerder verwezen naar zijn brief van 7 september 2006, geschreven mede namens de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, aan de onderwijsinstellingen. Voorts heeft verweerder aangegeven dat het toezichtkader BVE 2009 niet van toepassing is op incidentele onderzoeken als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht , maar alleen op reguliere onderzoeken. Op grond van de door verweerder gegeven uitleg ten aanzien van deze verschillende onderzoeken, ziet de rechtbank evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bij eiseres uitgevoerde incidentele onderzoek, gelet op bij andere ROC’s uitgevoerde onderzoeken, onzorgvuldig of in strijd met het verbod van willekeur is geweest. Eiseres heeft althans niet aannemelijk gemaakt dat dit wel het geval is.

Het onderzoek heeft weliswaar laat in het schooljaar plaatsgevonden, waardoor eiseres weinig tijd heeft gehad om de urentekorten te herstellen, maar naar het oordeel van de rechtbank volgt hier niet uit dat het onderzoek disproportioneel of anderszins onrechtmatig is. Hierbij acht de rechtbank van belang dat, zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht, het onderzoek uitsluitend ziet op controle van de urennorm en niet is bedoeld voor tussentijdse bijsturing om alsnog aan de norm te kunnen voldoen. Voorts heeft de Inspectie reeds in het conceptrapport aangegeven dat een onvoldoende programmering en realisatie van onderwijstijd ertoe kan leiden dat door verweerder een sanctie wordt opgelegd.

4.6. Eiseres stelt dat bij de vaststelling van de onderwijstijd fouten zijn gemaakt doordat van de weken 22, 23 en 24 de geprogrammeerde uren niet zijn meegeteld. Verweerder heeft ter zitting meegedeeld dat de in deze weken geprogrammeerde uren wel bij de vaststelling zijn betrokken, maar dat er verwarring is ontstaan doordat de Inspectie de in deze weken geplande lesuren apart heeft benoemd. De oorzaak hiervan is dat het onderzoek voorafgaand aan de bedoelde weken heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft ter zitting gemotiveerd uiteengezet dat de vierde periode (waarvan de eerder vermelde weken deel uit maken) uit 7,6 lesweken bestond. Uit het door verweerder overgelegde overzicht van de vaststelling van het aantal geprogrammeerde uren blijkt dat de Inspectie inderdaad is uitgegaan van 7,6 lesweken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee aannemelijk heeft gemaakt dat de berekening van de onderwijstijd door de Inspectie juist is geweest. Dat de Inspectie bij deze berekening is uitgegaan van de klas met het laagste aantal uren per semester, maakt dit niet anders.

Uit hetgeen eiseres voor het overige op dit punt heeft aangevoerd, volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de door de Inspectie gehanteerde berekeningswijze van het aantal geprogrammeerde uren en het aantal gerealiseerde uren onduidelijk of onjuist is geweest. Hierbij acht de rechtbank mede van belang dat de vaststelling van deze uren is gebaseerd op de door eiseres verstrekte lesroosters en andere documenten. In het conceptrapport van de Inspectie is reeds aangegeven hoeveel geprogrammeerde uren en hoeveel gerealiseerde uren voor het schooljaar 2008-2009 zijn geconstateerd. Voorts is eiseres in de gelegenheid gesteld om te reageren op zowel het conceptrapport van de Inspectie als het concept van het primaire besluit van verweerder. Indien eiseres verduidelijkt had willen hebben hoe de Inspectie tot het aantal geprogrammeerde uren en het aantal gerealiseerde uren is gekomen, had zij hier in haar reactie op het conceptrapport naar kunnen vragen of in bezwaar het aantal vastgestelde uren kunnen betwisten. Niet gebleken is dat eiseres dit heeft gedaan.

4.7. De rechtbank volgt verweerder in zijn stelling dat de toepassing van artikel 11, eerste lid, van de Web ziet op reguliere onderzoeken en niet op incidentele onderzoeken als waar in het onderhavige geval sprake van is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder de verlaging van de rijksbijdrage in het onderhavige geval heeft kunnen baseren op artikel 4:49, eerste lid, van de Awb, nu dit artikel van overeenkomstige toepassing is op de bekostiging van het onderwijs en zich omstandigheden hebben voorgedaan op grond waarvan, indien verweerder van deze omstandigheden op de hoogte zou zijn geweest, de rijksbijdrage lager zou zijn vastgesteld.

4.8. Verweerder stelt op grond van artikel 1.1.3, tweede lid, van de Web verplicht te zijn om, in het geval dat een volledig studiejaar niet 850 geprogrammeerde uren omvat en een instelling derhalve niet voldoet aan het bepaalde in artikel 7.2.7, derde lid, van de Web , de toegekende rijksbijdrage terug te vorderen. Verweerder stelt voorts dat hij, in het geval dat een instelling in een studiejaar minimaal 850 lesuren heeft geprogrammeerd, maar minder dan 850 uur heeft gerealiseerd, een discretionaire bevoegdheid heeft om de verleende rijksbijdrage terug te vorderen. In dergelijke gevallen vordert verweerder de bijdrage naar rato terug.

4.9. De rechtbank is van oordeel dat uit de formulering van artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb volgt dat dit artikel een discretionaire bevoegdheid bevat om de rijksbijdrage te verlagen. Uit de systematiek van de Web in samenhang met het Uweb volgt weliswaar dat eiseres geen recht heeft op bekostiging van de opleidingen waarvoor onvoldoende uren zijn geprogrammeerd, maar artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb verplicht verweerder vervolgens niet om de bekostiging te verlagen. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder, met inachtneming van de omstandigheden van het onderhavige geval, een afweging dient te maken tussen enerzijds het belang van het systeem van de verstrekking van rijksbijdragen aan onderwijsinstellingen en anderzijds de (ingrijpende) gevolgen die de verlaging van de bijdrage voor eiseres in dit geval heeft.

Nu verweerder deze belangenafweging achterwege heeft gelaten, is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd en daarmee in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb . De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen opnieuw op het bezwaar van eiseres te beslissen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is bepaald.

4.10. De stelling van eiseres dat de voltijds deelnemers voor wie minder dan 850 lesuren zijn geprogrammeerd en gerealiseerd in dit geval voor de bekostiging als deeltijds deelnemers aangemerkt moeten worden, volgt de rechtbank niet. Uit artikel 2.2.2, eerste lid, aanhef en onder a, in samenhang met artikel 2.2. 3, eerste lid, van het Uweb, volgt dat de door verweerder verstrekte rijksbijdrage wordt berekend op basis van onder meer het aantal voltijds deelnemers alsmede het aantal deeltijds deelnemers dat op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het desbetreffende jaar aan de desbetreffende instelling voor de desbetreffende opleiding is ingeschreven en daadwerkelijk die opleiding volgt. Voorts wordt op grond van artikel 2.1.2, aanhef en onder b, van het Uweb onder voltijds deelnemer verstaan een deelnemer die blijkens een overeenkomst als bedoeld in artikel 8.1.3. van de wet een voltijdse opleiding volgt als bedoeld in artikel 1. 1.1, onderdeel i1, van de wet. Uit onderdeel c van dit artikel volgt dat onder deeltijds deelnemer wordt verstaan een deelnemer aan een opleiding, niet zijnde een voltijds deelnemer.

Nu de rijksbijdrage onder meer wordt bepaald op een expliciet onderscheid tussen voltijds en deeltijds deelnemers aan een opleiding, volgt hier naar het oordeel van de rechtbank uit dat voltijds deelnemers, in het geval dat een instelling niet voldoet aan het bepaalde in artikel 7.2.7, derde lid, van de Web, bij de bepaling van de hoogte van de rijksbijdrage niet als deeltijds deelnemers aangemerkt kunnen worden.

5. Er bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van haar beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten bestaan uit door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaald op € 874 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 437; wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt het bestreden besluit;

-draagt verweerder op met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen opnieuw te beslissen op het bezwaar van eiseres;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 874,-;

-gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ad € 302,- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, voorzitter, mr. M. van Bruggen en mr. A.J.G.M. van Montfort, rechters, en door de voorzitter en mr. P.J.H. Bijleveld als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature