Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Effectenlease. Bevoegdheid tot vernietiging leaseovereenkomst door echtgenoot is verjaard: vast staat dat echtgenoot met bestaan leaseovereenkomst bekend was meer dan drie jaar voordat hij deze poogde te vernietigen. Beroep op vernietigingsgrond bij wege van verweer komt alleen toe aan de echtgenoot en niet aan de echtgenote tegen wie de vordering is ingesteld.

Uitspraak



GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

1. [APPELLANT SUB 1] en

2. [APPELLANTE SUB 2],

beiden wonende te [woonplaats],

APPELLANTEN IN HET PRINCIPAAL BEROEP,

VERWEERDERS IN HET INCIDENTEEL BEROEP,

advocaat: mr. M.A. Hupkes te Amsterdam,

t e g e n

de naamloze vennootschap DEXIA BANK NEDERLAND N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

GEÏNTIMEERDE IN HET PRINCIPAAL BEROEP,

APPELLANTE IN HET INCIDENTEEL BEROEP,

advocaat: mr. F.R.H. van der Leeuw te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

De partijen worden hierna respectievelijk [appellant sub 1], [appellante sub 2] en Dexia genoemd.

Bij dagvaarding van 14 augustus 2008 zijn [appellant sub 1] en [appellante sub 2] in hoger beroep gekomen van een vonnis van de ¬rechtbank te Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam, hierna “de kantonrechter”, van 4 juni 2008, in deze zaak onder rolnum¬mer 816649 DX EXPL 06-3010 gewezen tussen hen als eisers in conventie, [appellante sub 2] tevens verweerster in reconventie, en Dexia als gedaagde in conventie, tevens eiseres in reconventie.

Het verdere verloop van het geding in hoger beroep blijkt uit de volgende processtukken:

- de memorie van grieven van [appellant sub 1] en [appellante sub 2];

- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in het incidenteel beroep, van Dexia;

- de memorie van antwoord in het incidenteel beroep van [appellant sub 1] en [appellante sub 2];

telkens met conclusie zoals daarin vermeld en met bijbe¬horende producties indien en voor zover deze daarbij zijn overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd op de stukken van beide instanties, waarvan de inhoud als hier ingevoegd wordt beschouwd.

2. Grieven

[appellant sub 1] en [appellante sub 2] hebben in het principaal beroep vijf grieven voorge¬steld en toegelicht. Dexia heeft in het incidenteel beroep één grief voorgesteld en toegelicht. Voor de inhoud van de grieven en de bijbehorende toelichting wordt verwezen naar de desbetreffende memories.

3. Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.8 een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Over de juistheid van de aldus vastgestelde feiten bestaat geen geschil, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

4. Beoordeling

4.1 Bij beschikking van 25 januari 2007 (NJ 2007, 427) heeft het hof op de voet van artikel 7:907, eerste lid, BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard die strekt tot (gedeeltelijke) vergoeding van schade zoals onder andere in dit geding aan de orde. [appellant sub 1] en [appellante sub 2] hebben door een schriftelijke mededeling zoals bedoeld in artikel 7:908, tweede lid, BW (tijdig) laten weten dat zij niet aan de verbindend verklaarde over¬eenkomst - de zogeheten “Duisenberg”-regeling – gebon¬den willen zijn. Uit¬gangspunt voor de beoordeling van het hoger beroep is daarom dat de verbindendverklaring van de zojuist bedoelde overeenkomst ten aanzien van [appellant sub 1] en [appellante sub 2] geen gevolg heeft, zodat die overeenkomst hen niet bindt.

4.2 [appellante sub 2] is in mei 2000 een overeen¬komst tot effecten¬lease aangegaan met een rechtsvoor¬gangster van Dexia, hierna eveneens aangeduid als “Dexia”. Op grond van deze overeenkomst, hierna “de lease-overeenkomst”, heeft zij een geldbedrag van Dexia geleend, waarmee effecten zijn aangekocht die [appellante sub 2] van Dexia heeft geleast. Over het geleende bedrag was [appellante sub 2], naar in de lease-overeen¬komst is vermeld, rente verschuldigd. Veranderingen in de waarde van de geleaste effecten kwamen voor haar rekening. De lease-overeenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd. Zij is intussen geëindigd met een schuld van [appellante sub 2] aan Dexia. Die schuld is ontstaan doordat de geleaste effecten, die bij de beëindiging van de lease-overeenkomst zijn ver¬kocht, bij verkoop minder hebben opgebracht dan het door [appellante sub 2] op grond van de overeenkomst geleende bedrag. De verkoop¬opbrengst van de effecten is benut voor de terugbetaling van het geleende bedrag maar was hiertoe niet toereikend. [appellante sub 2] heeft het restant (de “rest¬schuld”) onbetaald gelaten. Zij heeft tijdens de looptijd van de lease-overeenkomst wel andere, daarin genoemde bedragen aan Dexia betaald.

4.3 Bij brief van 3 december 2003 aan Dexia heeft [appellant sub 1] de lease-overeenkomst buiten¬gerechtelijk vernietigd. [appellant sub 1] heeft in dit verband aangevoerd, naar het hof begrijpt, dat hij op het tijdstip van de totstandkoming van de lease-overeenkomst de echtgenoot was van [appellante sub 2], dat deze krachtens het bepaalde in artikel 1:88 BW voor het aangaan van de overeenkomst zijn toestemming behoefde

– omdat de lease-overeenkomst een overeenkomst van koop op afbetaling inhoudt - en dat die toestemming ontbreekt. De lease-overeenkomst is niet mede-ondertekend door [appellant sub 1] en hij heeft evenmin anderszins schriftelijk aan [appellante sub 2] zijn toestemming voor het aangaan van de overeenkomst gegeven. [appellant sub 1] en [appellante sub 2] hebben Dexia aange¬sproken tot terug¬betaling van de bedragen die [appellante sub 2] op de voet van de lease-overeenkomst aan Dexia heeft betaald. Dexia heeft de vernietiging niet aanvaard en geen bedragen terugbetaald.

4.4 In het licht van de hierboven weergegeven, tussen partijen vaststaande feiten hebben partijen over en weer vorderingen ingesteld. De vordering van [appellant sub 1] en [appellante sub 2] strekt, kort gezegd en voor zover in hoger beroep van belang, tot verklaring voor recht dat de lease-overeenkomst rechtsgeldig is vernietigd, althans tot vernietiging van de overeenkomst, en veroordeling van Dexia tot terugbetaling van het¬geen [appellante sub 2] ter vol¬doening aan de lease-over¬eenkomst heeft betaald, met rente, alsmede tot veroordeling van Dexia om aan de stichting Bureau Krediet Registratie te Tiel mede te delen dat [appellante sub 2] geen betalingsachterstand heeft uit hoofde van de lease-overeenkomst. De vordering van Dexia strekt, kort gezegd en voor zover in hoger beroep van belang, tot betaling van de restschuld, met rente. De kantonrechter heeft de vordering van [appellant sub 1] en [appellante sub 2] afgewezen en die van Dexia gedeeltelijk toegewezen en voor het overige afgewezen. Tegen de eerste twee beslissingen en de daartoe leidende over¬wegingen richt zich het principaal beroep, tegen de laatste het incidenteel beroep.

4.5 Met de grieven I tot en met III in het principaal beroep, in onderlinge samenhang, betogen [appellant sub 1] en [appellante sub 2] dat de kantonrechter hen ten onrechte niet is gevolgd in hun beroep op een vernietigingsgrond, namelijk het ontbreken van de schriftelijke toestemming van [appellant sub 1] aan [appellante sub 2] voor het aangaan van de lease-overeenkomst, omdat de bevoegd¬heid van [appellant sub 1] tot vernietiging van de over¬eenkomst was verjaard toen hij deze uitoefende door de onder 4.3 genoemde brief. Ten onrechte heeft de kanton¬rechter daarom geoordeeld, aldus begrijpt het hof [appellant sub 1] en [appellante sub 2], dat zij geen recht hebben op volledige terug¬betaling van op de voet van de lease-overeenkomst door [appellante sub 2] aan Dexia betaalde bedragen en dat [appellante sub 2] niet is bevrijd van (haar verplichting tot betaling van) de restschuld. De grieven kunnen niet slagen. Hiertoe is het volgende bepalend.

4.6 De bevoegdheid tot vernietiging van een overeenkomst waarvoor een echtgenoot krachtens artikel 1:88 BW de toestemming van de andere echtgenoot behoeft, zoals de lease-overeenkomst, wegens het ontbreken van die toe¬stemming, verjaart door verloop van drie jaar nadat de bevoegdheid tot vernietiging aan de echtgenoot van wie de toestemming was vereist, ten dienste is komen te staan (naar volgt uit artikel 3:52, eerste lid aanhef en onder d, BW in samenhang met artikel 1: 89, eerste lid, BW). Voor het ten dienste komen te staan van de bevoegdheid tot vernietiging, en hiermee voor de aanvang van de ver¬jaringstermijn, is bepalend wanneer de echt¬genoot van wie de toestemming was vereist daadwerkelijk met het bestaan van de overeenkomst bekend is geworden. Na de voltooiing van de verjarings¬termijn kan die echtgenoot de over¬eenkomst niet meer rechtsgeldig vernietigen. In hoger beroep is onbestreden dat [appellant sub 1] in ieder geval vanaf begin juli 2000 bekend was met het bestaan van de lease-overeenkomst die hij heeft bedoeld te vernietigen, zoals de kantonrechter (in rechtsoverweging 7.4) heeft vast¬gesteld. Hij was daarmee dus bekend meer dan drie jaar voor de datum van de onder 4.3 genoemde brief, zodat die brief niet het beoogde rechts¬gevolg heeft gehad en de overeenkomst in stand heeft gelaten.

4.7 Voor zover [appellant sub 1] en [appellante sub 2] in hoger beroep bedoelen te betogen dat zij de lease-overeenkomst nog wel door een daartoe strekkende gezamenlijke rechtsvordering kunnen vernietigen, miskennen zij op de eerste plaats dat een dergelijke vordering krachtens artikel 1:89, eerste lid, BW uit ¬sluitend aan [appellant sub 1] – als niet bij de overeenkomst partij zijnde echtgenoot - toekomt en op de tweede plaats dat nu de vordering is ingesteld meer dan drie jaar nadat [appellant sub 1] met het bestaan van de lease-overeenkomst bekend is geworden, de vordering verjaard en dus niet toewijsbaar is. Voor zover [appellant sub 1] en [appellante sub 2] bedoelen te betogen dat zij - op grond van het bepaalde in artikel 3:51, derde lid, BW - de vernietigbaarheid van de lease-overeenkomst aan Dexia kunnen tegenwerpen ter afwering van de vordering van Dexia tot betaling van de restschuld, ongeacht de verjaring van de bevoegdheid van [appellant sub 1] tot vernietiging, miskennen zij dat die vordering niet tegen [appellant sub 1], maar tegen [appellante sub 2] is ingesteld en dat [appellant sub 1] en [appellante sub 2] niet met een beroep op de vernietigbaarheid van de over¬eenkomst de tegen [appellante sub 2] ingestelde vordering kunnen afweren: een beroep in rechte op een vernieti¬gingsgrond ter afwering van een op de betrokken rechts¬handeling steunende vorde¬ring kan in beginsel alleen worden gedaan door degene tegen wie de vordering is ingesteld, hier [appellante sub 2], mits haar dat beroep toekomt. Aan deze laatste voorwaarde is – naar volgt uit artikel 1:89, eerste lid, BW - niet voldaan. Artikel 3:51, derde lid, BW maakt dit alles niet anders.

4.8 Het voorgaande brengt mee dat [appellante sub 2] niet door de vernietiging van de lease-overeenkomst van (haar verplichting tot betaling van) de restschuld is bevrijd. Buiten kijf staat dat zij die schuld onbetaald heeft gelaten. Nu de kantonrechter haar tot gedeeltelijke betaling daarvan heeft veroordeeld en de door [appellant sub 1] en [appellante sub 2] voorgestelde grieven, naar volgt uit het hierboven overwogene, niet tot ongedaanmaking van die veroordeling kunnen leiden, kan niet worden gezegd dat [appellante sub 2] geen betalingsachterstand heeft uit hoofde van de lease-overeenkomst. De vordering van [appellant sub 1] en [appellante sub 2] tot veroordeling van Dexia om aan de stichting Bureau Krediet Registratie te Tiel een andersluidende mededeling te doen, is daarom in eerste aanleg terecht afgewezen en ook in hoger beroep niet toewijsbaar. Dit brengt mee dat grief V in het principaal beroep, waarmee het tegendeel wordt betoogd, tevergeefs is voor¬gesteld.

4.9 Dit laatste geldt eveneens voor grief IV in het principaal beroep, waarmee [appellant sub 1] en [appellante sub 2] opkomen tegen hun veroordeling in de kosten van het geding in eerste aanleg in conventie en in reconventie. De door henzelf ingestelde vordering is bij gebreke van een toereikende grondslag niet toewijsbaar, terwijl hetgeen zij tegen de gedeel¬telijke toewijzing van de vordering van Dexia tot betaling van de restschuld hebben aangevoerd, niet tot afwijzing van die vordering leidt. [appellant sub 1] en [appellante sub 2] kunnen dus als de in eerste aanleg, in conventie en in reconventie, (overwegend) in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd, zodat zij met recht in de gedingkosten zijn veroordeeld.

4.10 Met haar grief in het incidenteel beroep betoogt Dexia, kort gezegd, dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat zij is gehouden tot schadevergoeding aan [appellante sub 2] in de mate zoals in het bestreden vonnis bepaald, wegens de niet-nakoming door Dexia van haar zorgplicht bij de totstandkoming van de lease-over¬eenkomst. Het betoog sluit in dat de kantonrechter eveneens ten onrechte heeft geoordeeld dat de verplichting van [appellante sub 2] tot betaling van de restschuld moet worden verminderd zoals in het bestreden vonnis bepaald in verband met (de omvang van) de in het vonnis aangenomen schadevergoedings¬plicht van Dexia. Het hof overweegt hierover als volgt.

4.11 De grief van Dexia is - naar blijkt uit onderdeel 35 en onderdeel II van de conclusie van de memorie van grieven in het incidenteel beroep - uitsluitend gericht tegen de overwegingen (rechtsoverwegingen 7.7 tot en met 7.13) waarin de hierboven bedoelde oordelen van de kantonrechter tot uitdrukking zijn gebracht. De daarop volgende over¬weging waarbij de vordering van Dexia toewijsbaar is geoordeeld tot het door de kantonrechter toegewezen bedrag (rechtsoverweging 7.14) is niet bestreden, de hiermee overeenstemmende beslissing (onder¬deel II van de beslis¬sing) is evenmin bestreden en Dexia vordert in hoger beroep niet de vernietiging van hetgeen de kantonrechter ten aanzien van haar vordering heeft beslist. Evenmin vordert zij op dit punt een andere beslissing dan door de kantonrechter gegeven, waaruit een vordering zoals zojuist bedoeld zou kunnen worden afgeleid. Het voorgaande brengt mee dat, hoewel - naar volgt uit de arresten van de Hoge Raad van 5 juni 2009 (RvdW 2009, 683, 684 en 685) en de arresten van dit hof van 1 december 2009, LJN BK4978 (NJF 2010, 12, JOR 2010, 66), LJN BK4981, LJN BK4982 en LJN BK4983 - de bezwaren van Dexia tegen de bestreden oordelen van de kantonrechter op zichzelf gedeeltelijk gegrond zijn, de grief niet tot de vernietiging van het bestreden vonnis kan leiden. De grief behoeft daarom, bij gebreke van voldoende belang, geen verdere bespreking.

4.12 Hetgeen partijen in dit hoger beroep verder nog hebben aangevoerd, kan niet leiden tot andere oordelen dan hierboven gegeven en behoeft derhalve, (wederom) bij gebrek aan belang, geen bespreking. Evenmin zijn door een partij - voldoende concrete - feiten gesteld en te bewijzen aangeboden die, bij bewezenverklaring, tot andere oordelen zouden leiden. Voor zover een partij bewijs heeft aange¬boden, komt aan haar desbetreffende aanbod daarom geen betekenis toe voor de beslissing van de zaak, zodat dit aanbod, als niet ter zake dienend, wordt gepasseerd.

5. Slotsom en kosten

Het hierboven overwogene leidt tot de slotsom dat zowel de grieven in het principaal als de grief in het incidenteel beroep tevergeefs zijn voorgesteld. Het vonnis waarvan beroep zal daarom, bij gebreke van een grond voor vernietiging, worden bekrachtigd.

[appellant sub 1] en [appellante sub 2] zullen, als de in het principaal beroep in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure in het principaal beroep. Dexia zal worden veroordeeld in de kosten van de procedure in het incidenteel beroep, nu zij daarin als in het ongelijk gesteld moet worden beschouwd.

6. Beslissing

Het hof:

in het principaal beroep:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

verwijst [appellant sub 1] en [appellante sub 2] in de proceskosten van het principaal beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van Dexia gevallen, op € 254,- aan verschotten en op € 894,- aan salaris advocaat;

in het incidenteel beroep:

verwerpt het beroep;

verwijst Dexia in de proceskosten van het incidenteel beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van [appellant sub 1] en [appellante sub 2] gevallen, op nihil aan verschotten en op € 447,- aan salaris advocaat;

in het principaal en in het incidenteel beroep:

verklaart alle kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.F.M. Cortenraad, M.P. van Achterberg en C.C. Meijer en in het openbaar uitge¬sproken op dinsdag 1 juni 2010 door de rolraadsheer.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature