< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

De militaire kamer veroordeelt een 25-jarige man uit Purmerend voor het voorhanden hebben van wapens en munitie en illegaal vuurwerk. Extraterritoriale werking Wet Wapens en Munitie.

Uitspraak



RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige militaire Kamer

Promis II

Parketnummer : 05/800702-10

Datum zitting : 16 januari 2012

Datum uitspraak : 30 januari 2012

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats]

Raadsman : mr. E.H. van den Pol, advocaat te Purmerend.

Officier van justitie : mr. J.C. Stikkelman.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 21 juli 2010 te Kandahar, althans in Afghanistan, munitie

van categorie III, te weten 160, althans een aantal scherpe patronen (kaliber

9 en/of 5.56 mm) en/of een of meer wapens van categorie II, te weten een

handgranaat 330 C1 en/of een handgranaat Sound & Flash Bang en/of 500 gram,

althans een hoeveelheid kneedstof, zijnde (een) voorwerp(en) bestemd voor het

treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing,

voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 21 juli 2010 te Kandahar, althans in Afghanistan en/of te

Eindhoven, althans in Nederland,

ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om zonder consent munitie

van categorie III, te weten 160, althans een aantal scherpe patronen (kaliber

9 en/of 5.56 mm) en/of een of meer wapens van categorie II, te weten een

handgranaat 330C1 en/of een handgranaat Sound & Flash Bang en/of 500 gram,

althans een hoeveelheid kneed/springstof, zijnde (een) voorwerp(en) bestemd

voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van

ontploffing, te doen binnenkomen vanuit Afghanistan,

voornoemde munitie en/of voorwerpen op Kandahar Airfield (KAF), althans in

Afghanistan, in zijn, verdachtes, plunjebaal tijdens de veiligheidscheck ter

controle en/of ter overbrenging naar Nederland heeft aangeboden,

terwijl de uitvoering van dat misdrijf niet is voltooid;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

2.

hij op of omstreeks 04 augustus 2010 te Purmerend en/of Oirschot, althans in

Nederland,

een of meer wapens van categorie III, te weten een alarm- c.q. startpistool

(Colt automatic), en/of munitie van categorie III, te weten 147, althans een

aantal oefenpatronen (kal. 5.56 mm) en/of één scherpe patroon (kal. 5.56 mm),

voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

3.

hij in of omstreeks de periode van 21 juli 2010 tot en met 4 augustus 2010 te

Oirschot en/of Purmerend, althans in Nederland opzettelijk een Personal Role

Radio (PRR/zendappartuur), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan Ministerie van Defensie, in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door

misdrijf, te weten ten behoeve van uitzending Afghanistan, onder zich had,

wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling leidt:

hij in of omstreeks de periode van 21 juli 2010 tot en met 4 augustus 2010 te

Oirschot en/of Purmerend, althans in Nederland, met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een Personal Role Radio

(PRR/zendapparatuur), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende

aan Ministerie van Defensie, in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte;

4.

hij op of omstreeks 04 augustus 2010 te Purmerend een of meer wapens van

categorie I, onder 7, te weten een exercitie slagpijp met exercitie

trekontsteker en slagsnoer en/of een exercitie sound en flashbang met extra

ontsteker, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

5.

hij op of omstreeks 04 augustus 2010, te Purmerend, al dan niet opzettelijk,

consumentenvuurwerk, te weten 4, althans een aantal strijkers en/of twee,

althans een signaalraket(ten) en/of acht, althans een aantal vlinders,

voorhanden heeft gehad, ten aanzien waarvan niet werd voldaan aan de bij het

Vuurwerkbesluit gestelde eisen of de ter uitwerking van voornoemd besluit

krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer gestelde regels, immers was

voornoemd vuurwerk niet voorzien van:

a. de aanduiding: "Geschikt voor particulier gebruik";

b. een vermelding of afbeelding van de soort van het vuurwerk waaruit duidelijk

bleek wat de te verwachten effecten tijdens het functioneren waren;

c. de naam en/of de handelsnaam of het handelskenmerk en/of de naam en/of de

plaats van vestiging van de fabrikant en/of de importeur of handelaar;

d. het door de fabrikant bij de vervaardiging toegekende artikelnummer dat

diende ter identificatie van het vuurwerk en/of het productiejaar van het

vuurwerk;

e. een gebruiksaanwijzing met zodanige aanwijzingen en/of waarschuwingen dat

bij het dienovereenkomstig handelen geen letsel of schade bij de gebruiker

en/of omstanders kon ontstaan;

6.

hij op of omstreeks 04 augustus 2010 te Purmerend aanwezig heeft gehad een

hoeveelheid van niet meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van

hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere

substanties zijn toegevoegd en/of een hoeveelheid van niet meer dan 30 gram

hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de

bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde

lid van artikel 3a van die wet;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 16 januari 2012 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. E.H. van den Pol, advocaat te Purmerend.

De officier van justitie, mr. J.C. Stikkelman, heeft geëist dat verdachte ter zake van de onder

1 primair t/m 6 ten laste gelegde feiten, met uitzondering van het onder feit 1 primair ten laste gelegde met betrekking tot de munitie van de categorie III Wet Wapens en Munitie, dient te worden veroordeeld tot het verrichten van een werkstraf van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis en een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat het onder verdachte in beslag genomen alarmpistool wordt onttrokken aan het verkeer en dat het heuptasje met opdruk Sol*Jah en een antenne teruggegeven zullen worden aan de rechthebbende.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Ten aanzien van feit 1 primair

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op woensdag 21 juli 2010 bevond verdachte zich op Kandahar Airfield in Afghanistan (verder te noemen KAF). Tijdens de veiligheidscheck met betrekking tot de uitreis van KAF werd de plunjebaal van verdachte gecontroleerd,waarbij gebruik werd gemaakt van de aanwezige röntgenscan. Na het openen van de plunjebaal en het uiteindelijk goed voor goed leeghalen daarvan werden daarin de volgende goederen aangetroffen :

- 110 scherpe patronen voor de Dimaco, 5.56 mm;

- doosje met 50 patronen 9 mm munitie;

- een handgranaat Sound & Flash Bang;

- een handgranaat 330 Cl;

- een reep van 500 gram springstof.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen met uitzondering van de scherpe patronen (kaliber 9 en/of 5.56 mm) die vallen in de categorie III Wet Wapens en Munitie. Het dossier bevat voor het door verdachte aangevoerde complottheorie geen aanknopingspunten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich ten aanzien van het primair ten laste gelegde op het standpunt dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde is de raadsman van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken.

De beoordeling door de militaire kamer

Direct na het aantreffen van de munitie en wapens in de plunjebaal van verdachte verklaarde hij aan de adjudant onderofficier der KMar [verbalisant1] dat hij deze spullen vanuit Deh Rawod al bij zich had. Dat hij om medische redenen terug ging naar Nederland en dat hij al zijn spullen in zijn plunjebaal en rugzak had gestopt zonder deze te hebben gecontroleerd. Nadat [verbalisant1] vervolgens een reep springstof in verdachtes bagage vindt, hoort hij verdachte zuchten en zeggen dat hij alles was vergeten eruit te halen.

Getuige [getuige1] heeft verklaard dat verdachte bij een briefing aanwezig is geweest waarin duidelijk werd verteld wat de regels zijn voor wat betreft het uitroteren. Daarbij is aan verdachte gezegd dat hij de uitrustingstukken moest controleren op munitie of delen daarvan en dat [getuige1] heeft meegedeeld dat geen munitie of delen daarvan mochten worden meegenomen naar Nederland en ingeleverd konden worden bij de KMar.

Uit de verklaring van getuige [getuige2] blijkt dat hij en verdachte tijdens een operatie extra munitie hebben gekregen. Na de actie moest deze munitie weer ingeleverd worden. [getuige2] hoorde verdachte zeggen dat hij deze munitie voor de rest van zijn uitzending bij zich zou houden en dat verdachte het leuk vond om met oud en nieuw munitie op te blazen.

Gelet op het proces-verbaal van [verbalisant1] en de verklaringen van [getuige1] en [getuige2] en het gegeven dat geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die daarop wijzen, acht de militaire kamer de verklaring van verdachte, dat iemand anders de wapens en munitie in zijn plunjebaal heeft gestopt, niet aannemelijk. Verdachte heeft de munitie, al dan niet bewust, onder zich gehouden, terwijl hij daar op dat moment niet meer toe gerechtigd was.

De militaire kamer acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de munitie, zoals ten laste gelegd voorhanden heeft gehad.

Ten aanzien van feit 2

De militaire kamer stelt vast dat sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt, voor dit feit, volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

? het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de Koninklijke Marechaussee, District Landelijke en Buitenlandse Eenheden, opgemaakte proces-verbaal met dossiernummer PL27QR/10-800035, gesloten op 7 september 2009, onder meer inhoudende:

• het opgemaakt proces-verbaal van opperwachtmeester der Kmar E. [verbalisant2], p. 20008;

• het opgemaakt proces-verbaal aanhouding en doorzoeking van eerste luitenant der KMar T.J. [verbalisant3], p. 0006 t/m 0009;

• het opgemaakt proces-verbaal van forensisch onderzoek van opperwachtmeester der KMar E. [verbalisant4], p. 20029 t/m 20030;

• het afzonderlijk opgemaakt proces-verbaal van de Koninklijke Marechaussee, District Landelijke en Buitenlandse Eenheden, proces-verbaalnr. BPS 10-800695, inhoudende het aanvullend opgemaakt proces-verbaal van wachtmeester eerste klasse der KMar J. [verbalisant5], p. 0063 t/m 0065;

• de verklaringen van verdachte ter terechtzitting d.d. 16 januari 2012.

Vrijspraak ten aanzien van feit 3

De militaire kamer acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder feit 3 is tenlastege¬legd en zal verdachte daarvan vrijspreken.

Uit de bewijsmiddelen is niet duidelijk geworden waar de Personal Role Radio (verder te noemen PRR) vandaan komt en of verdachte die rechtmatig onder zich had. Evenmin blijkt uit de bewijsmiddelen of verdachte de PRR had dienen in te leveren, waar dit diende te gebeuren en wanneer.

Ten aanzien van feit 4

De militaire kamer stelt vast dat sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt, voor dit feit, volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

? het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de Koninklijke Marechaussee, District Landelijke en Buitenlandse Eenheden, opgemaakte proces-verbaal met dossiernummer PL27QR/10-800035, gesloten op 7 september 2009, onder meer inhoudende:

• het opgemaakt proces-verbaal van aanhouding en doorzoeking van eerste luitenant van KMar T.J. [verbalisant3], p. 0006 t/m 0009;

• het opgemaakt proces-verbaal van forensisch onderzoek van opperwachtmeester der KMar E. [verbalisant4], p. 20029 t/m 20032;

• het opgemaakt proces-verbaal van wachtmeester E. Wagenmakers, p. 20048;

• het afzonderlijk opgemaakt proces-verbaal van de Koninklijke Marechaussee, District Landelijke en Buitenlandse Eenheden, proces-verbaalnr. BPS 10-800695, inhoudende het aanvullend opgemaakt proces-verbaal van wachtmeester eerste klasse der KMar J. [verbalisant5], p. 0063 t/m 0065;

• de verklaringen van verdachte ter terechtzitting d.d. 16 januari 2012.

Ten aanzien van feit 5

De militaire kamer stelt vast dat sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt, voor dit feit, volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

? het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de Koninklijke Marechaussee, District Landelijke en Buitenlandse Eenheden, opgemaakte proces-verbaal met dossiernummer PL27QR/10-800035, gesloten op 7 september 2009, onder meer inhoudende:

• het opgemaakt proces-verbaal van aanhouding en doorzoeking van eerste luitenant der KMar T.J. [verbalisant3], p. 0006 t/m 0009;

• het opgemaakt proces-verbaal van onderzoek aan in beslag genomen vuurwerk van adjudant onderofficier der KMar R.L.C. [verbalisant6] , p. 20009-20028;

• de verklaringen van verdachte ter terechtzitting d.d. 16 januari 2012.

Vrijspraak ten aanzien van feit 6

De militaire kamer acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder feit 6 is ten laste gelegd en zal verdachte daarvan vrijspreken.

De verdediging heeft aangevoerd dat het broertje van verdachte tijdens de uitzending van verdachte naar Afghanistan, gebruik heeft gemaakt van zijn kamer en dat hij de hasjiesj en/of hennep op zijn kamer moet hebben verstopt.

De militaire kamer is met de verdediging van oordeel dat nu het broertje van verdachte niet is gehoord, niet uitgesloten is dat het broertje van verdachte degene is geweest die de hasjiesj en/of hennep op zijn kamer heeft verstopt.

De militaire kamer acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het 1, 2, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij op 21 juli 2010 te Kandahar, althans in Afghanistan, munitie van categorie III, te weten 160 scherpe patronen (kaliber 9 en/of 5.56 mm) en wapens van categorie II, te weten een handgranaat 330 C1 en een handgranaat Sound & Flash Bang en 500 gram, kneedstof, zijnde voorwerpen bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing, voorhanden heeft gehad;

2.

hij op 04 augustus 2010 te Purmerend en Oirschot, althans in Nederland, een of meer wapens van categorie III, te weten een alarm- c.q. startpistool (Colt automatic), en munitie van categorie III, te weten 147, oefenpatronen (kal. 5.56 mm) en één scherpe patroon (kal. 5.56 mm), voorhanden heeft gehad;

4.

hij op 04 augustus 2010 te Purmerend wapens van categorie I, onder 7, te weten een exercitie slagpijp met exercitie trekontsteker en slagsnoer en/of een exercitiesound en flashbang met extra ontsteker, voorhanden heeft gehad;

5.

hij op 04 augustus 2010, te Purmerend, al dan niet opzettelijk, consumentenvuurwerk, te weten 4 strijkers en twee signaalraket(ten) en acht vlinders, voorhanden heeft gehad, ten aanzien waarvan niet werd voldaan aan de bij het Vuurwerkbesluit gestelde eisen of de ter uitwerking van voornoemd besluit krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer gestelde regels, immers was voornoemd vuurwerk niet voorzien van:

a. de aanduiding: "Geschikt voor particulier gebruik";

b. een vermelding of afbeelding van de soort van het vuurwerk waaruit duidelijk bleek wat de te verwachten effecten tijdens het functioneren waren;

c. de naam en/of de handelsnaam of het handelskenmerk en/of de naam en/of de plaats van vestiging van de fabrikant en/of de importeur of handelaar;

d. het door de fabrikant bij de vervaardiging toegekende artikelnummer dat diende ter identificatie van het vuurwerk en/of het productiejaar van het vuurwerk;

e. een gebruiksaanwijzing met zodanige aanwijzingen en/of waarschuwingen dat bij het dienovereenkomstig handelen geen letsel of schade bij de gebruiker en/of omstanders kon ontstaan;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 primair:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie , strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid van de Wet wapens en munitie

Ten aanzien van feit 2:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie , strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid van de Wet wapens en munitie

Ten aanzien van feit 4:

Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie , strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid van de Wet wapens en munitie

Ten aanzien van feit 5:

Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1. van de Wet Milieubeheer

4a. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Ten aanzien van feit 1 primair

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van feit 1 primair, met betrekking tot categorie III, geen sprake is van extraterritoriale werking van de Wet wapens en munitie. Verdachte dient te worden vrijgesproken met betrekking tot dit onderdeel van de tenlastelegging.

Het standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de Wet wapens en munitie in zijn geheel geen extraterritoriale werking heeft. Voor feit 1 primair dient daarom ontslag van alle rechtsvervolging voor verdachte te volgen.

De beoordeling door de militaire kamer

Op grond van artikel 4 van het Wetboek van Militair Strafrecht (verder WMSr) is de Nederlandse strafwet van toepassing op de militair, die zich buiten Nederland aan enig strafbaar feit schuldig maakt. Dit brengt met zich, dat een militair die zich in het buitenland schuldig maakt aan het plegen van een strafbaar feit naar de Nederlandse strafwet, daarvoor in beginsel strafbaar is. Dit is echter niet het geval indien de desbetreffende delictsomschrijving is beperkt tot handelingen die op het Nederlandse grondgebied zijn gepleegd en de desbetreffende strafbepaling dus geen extraterritoriale werking heeft.

Voor de strafbaarheid van verdachte wegens het onder 1 primair tenlaste gelegde feit is daarom slechts sprake indien de desbetreffende bepaling van de Wet wapens en munitie extraterritoriale werking heeft.

De Hoge Raad heeft in 1983 in zijn arrest over de extraterritoriale werking van de Vuurwapenwet overwogen dat:

“Uit de geschiedenis met betrekking tot de totstandkoming van de Vuurwapenwet, alsmede uit het samenstel van de bepalingen van deze wet kan worden afgeleid, dat de Vuurwapenwet uitsluitend ziet op gedragingen in Nederland, immers, beoogt – onder meer door een stelsel van door lokale autoriteiten te verlenen machtigingen – de gevaren te keren, welke uit de onbelemmerde verspreiding van wapenen onder de bevolking in Nederland kan voortvloeien.”

Het oordeel van de Hoge Raad dat de - gehele - Vuurwapenwet geen extraterritoriale werking had, was gekoppeld aan het gegeven dat de Vuurwapenwet voor het rechtmatig houden van wapens en munitie een vergunning voorschreef van een lokale autoriteit en die wet enkel verwees naar Nederlandse lokale autoriteiten.

Op 1 september 1989 is de Wet wapens en munitie in werking getreden in de plaats van: de Wapenwet, de Vuurwapenwet en de Wet tot wering van ongewenste handwapenen. Temeer nu de Wet wapens en munitie meerdere wetten vervangt kan niet zonder meer gezegd worden dat hetgeen de Hoge Raad heeft geoordeeld over het niet bestaan van extraterritoriale werking van de Vuurwapenwet ook zonder meer geldt voor de Wet wapens en munitie.

De Wet wapens en munitie maakt, anders dan de Vuurwapenwet, onderscheid tussen vier categorieën wapens, die kort gezegd kunnen worden omschreven als

Categorie I: absoluut verboden, ongewenste handwapens (geen vuurwapens),

Categorie II: absoluut verboden vuurwapens en andere gemeengevaarlijke wapens waaronder doorgaans militaire vuurwapens en andere oorlogswapens,

Categorie III: wapens waarvoor het dragen en voorhanden hebben in beginsel niet kan worden toegestaan maar waarvoor onder omstandigheden vergunningen of vrijstellingen kunnen worden verleend en

Categorie IV: relatief ongevaarlijke (hand)wapens waarvoor enkel een draagverbod geldt.

In deze zaak gaat het om wapens en munitie van categorie II en III.

Wapens en munitie van categorie II zijn wapens en die voor particulier gebruik absoluut verboden zijn. Voor het voorhanden hebben daarvan (buiten de in artikel 3a WWM genoemde uitzonderingen voor gebruik door de krijgsmacht, politie en overige openbare (opsporings-)diensten voor zover dit door de desbetreffende Minister is bepaald) kan geen verlof of vrijstelling worden verleend. Uit de wetsgeschiedenis, uit de terminologie, noch uit het samenspel van bepalingen van de wet kan naar het oordeel van de militaire kamer worden afgeleid dat de wetgever heeft beoogd het verbod van het houden of voorhanden hebben van deze voor particulieren absoluut verboden en gemeengevaarlijk geachte wapens te beperken tot het Nederlands grondgebied. De daarop ziende verbods- en strafbepalingen hebben daarom extraterritoriale werking. De overtreding daarvan door verdachte, als militair, in het buitenland, levert een strafbaar feit op.

Dit is anders ten aanzien van de wapens van categorie III. Voor het dragen of voorhanden hebben van die wapens en munitie kan onder omstandigheden wel verlof worden verleend door een Nederlandse lokale autoriteit.

De militaire kamer is, van oordeel dat de bepalingen van de Wet wapens en munitie die zien op de wapens en munitie van die categorie een meer administratief/regulerend karakter hebben en dat deze, mede op hetgeen is overwogen in het arrest van de Hoge Raad uit 1983, kennelijk enkel bedoeld zijn te zien op gedragingen op het Nederlands grondgebied en dus geen extraterritoriale werking hebben.

Ten aanzien van de munitie van categorie III, te weten 160, althans een aantal scherpe patronen (kaliber 9 en/of 5.56 mm) zijn de bewezen gedragingen van verdachte dus niet strafbaar en de militaire kamer zal verdachte daarom ten aanzien van dat deel van de tenlastelegging ontslaan van alle rechtsvervolging.

Ten aanzien van feit 1 primair, met uitzondering van “munitie van categorie III, te weten 160, althans een aantal scherpe patronen (kaliber 9 en/of 5.56 mm)”, 2, 4 en 5:

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot het verrichten van een werkstraf van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis en een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De officier van justitie heeft met de eis rekening gehouden dat hij er vanuit gaat dat verdachte geen criminele intenties heeft gehad met het voorhanden hebben van de munitie. Dat er evenwel toch enige zorg is nu verdachte een hang lijkt te hebben naar het tot ontploffing brengen van knalvuurwerk. Een voorwaardelijke gevangenisstraf acht de officier van justitie dan ook op zijn plaats.

Het standpunt verdediging

De verdediging vraagt de militaire kamer rekening te houden met de omstandigheid dat er sprake was van enige mate van verwardheid dan wel somberheid bij verdachte tijdens het begaan van deze feiten.

De verdediging heeft de militaire kamer voorts gevraagd bij het opleggen van een straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Uit het reclasseringsrapport blijkt dat zij het recidiverisico als laag in schatten.

De beoordeling door de militaire kamer

Bij de beslissing over de straf heeft de militaire kamer rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke en omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 1 december 2011;

• een voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland, gedateerd 13 juli 2011, betreffende verdachte en

• een opgemaakt psychologisch onderzoek Pro Justitia van dhr. drs. H.M.J. Vandenboorn, d.d. 11 november 2011, betreffende verdachte.

De militaire kamer overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een aantal wapens en munitie bij zijn terugkeer naar Nederland na zijn uitzending naar Kandahar in Afghanistan maar ook in zijn woning en legerkamer in Nederland. Voorts heeft verdachte illegaal vuurwerk voorhanden gehad.

De militaire kamer acht, mede gelet op de functie van verdachte als militair die hij destijds bekleedde, dit ernstige feiten. Als militair is verdachte met name bekend met de potentieel gevaarlijke kracht van de aangetroffen wapens, waaronder een handgranaat en 500 gram springstof,, hij heeft daarmee immers gewerkt en geoefend.

De militaire kamer houdt, ten voordele van verdachte, rekening met het feit dat verdachte in verleden niet eerder voor soortgelijke delicten is veroordeeld.

Tevens houdt de militaire kamer rekening met de ouderdom van de zaak en het feit dat verdachte naar aanleiding van deze feiten is ontslagen bij Defensie.

Voorts is het de militaire kamer niet gebleken dat verdachte criminele intenties heeft gehad met het voorhanden hebben van de wapens en het illegale vuurwerk.

Uit de verklaringen van zijn overste blijkt dat nadat bij verdachte de wapens en munitie op het vliegveld waren aangetroffen er bij hem sprake leek te zijn van enige mate van verwardheid en/of somberheid . Nu er geen verband vast te stellen is tussen deze omstandigheid en de bewezen feiten - en ook verdachte zelf dat verband niet legt - speelt dit geen wezenlijke rol bij het bepalen van de strafmaat.

Mede gelet op de kennelijke voorliefde van verdachte voor van alles dat knalt, acht de militaire kamer een voorwaardelijk strafdeel passend en geboden.

De militaire kamer zal verdachte daarom veroordelen tot werkstraf voor de duur van 200 uur waarvan 50 uur voorwaardelijke. De militaire kamer acht minder bewezen dan de officier van justitie en komt (dan ook) tot een lagere straf dan geëist.

6a. Beslag

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat het onder verdacht in beslaggenomen alarmpistool (Colt automatic) dient te worden onttrokken aan het verkeer en dat een heuptasje met opdruk “Sol*Jah” en een antenne teruggegeven zullen worden aan de rechthebbende

De beoordeling door de militaire kamer

De militaire kamer stelt vast dat verdachte al afstand heeft gedaan van de antenne en het alarmpistool.

De militaire kamer kan niet vaststellen of ten aanzien van het alarmpistool al is gehandeld als ware het onttrokken aan het verkeer en gaat, gelet op de vordering van de officier van justitie van uit dat dit nog niet is gebeurd. De militaire kamer is van oordeel dat het alarm- c.q. startpistool (Colt automatic), met betrekking tot het onder feit 2 ten laste gelegde en bewezenverklaarde is begaan, dient te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

De militaire kamer is voorts van oordeel dat de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven heuptasje met opdruk Sol*Jah toebehoort aan de verdachte en aan verdachte zal moeten worden teruggegeven.

Nu verdachte afstand heeft gedaan van de antenne en daar dus geen aanspraak op maakt gelast de militaire kamer de bewaring van het voorwerp ten behoeve van de rechthebbende.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14 b, 14c, 22c, 22d, 27, 36b, 36c, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 13, 26, 55, en 56 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 1.2. 2 en 2.1.3 Vuurwerkbesluit, artikel 9.2. 2. 1 Wet Milieubeheer en artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten .

8. De beslissing

De militaire kamer, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het onder 3 en 6 ten laste gelegde feiten.

Ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging ten aanzien van het onder feit 1 primair, met betrekking tot “munitie van categorie III, te weten 160, althans een aantal scherpe patronen (kaliber 9 en/of 5.56 mm)”.

Verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

het verrichten van een werkstraf gedurende 200 (tweehonderd) uren.

Bepaalt dat van deze werkstraf 50 (vijftig) uren niet zullen worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De militaire kamer stelt een proeftijd vast van twee (2) jaren.

De tenuitvoerleg¬ging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proef¬tijd heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Bepaalt dat het onvoorwaardelijk deel van de werkstraf binnen één jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden verricht.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 100 (honderd) dagen, waarvan 75 (vijfenzeventig) dagen zien op het onvoorwaardelijk opgelegde deel van de werkstraf en 25 (vijfentwintig) dagen op het voorwaardelijk deel van de opgelegde werkstraf.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd door de veroordeelde in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht geheel op het onvoorwaardelijke strafdeel in mindering wordt gebracht, te weten 2 (twee) uren, zijnde 1 (een) dag hechtenis.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwer¬pen, te weten:

- 1 (een) alarm- c.q. startpistool (Colt automatic).

Beveelt de teruggave van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten

- 1 (een) heuptasje met opdruk “Sol*Jah”.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de inbeslaggenomen 1 (een) antenne.

Aldus gewezen door

mr. T.P.E.E. van Groeningen, als voorzitter,

mr. J.M.J.M. Doon, rechter,

kapitein ter zee van administratie mr. F.N.J. Jansen, militair lid,

in tegenwoordigheid van L.J.M. Visser, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 januari 2012.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature