Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 .

Verdachte is met zijn brommobiel van de weggeraakt en tegen bomen aangereden. Zijn vriend die naast hem zat, is hierbij zwaar gewond geraakt .

Rechtbank veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 30 uren voorwaardelijk met een proeftijd van een jaar.

Uitspraak



RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/514049-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 24 januari 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1995] te [geboorteplaats]

wonende te [adres], [woonplaats]

raadsman mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

Overeenkomstig artikel 369 van het Wetboek van Strafvordering heeft de politierechter de zaak naar deze kamer verwezen. De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 10 januari 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair: als bestuurder van een brommobiel zich zeer onvoorzichtig heeft gedragen, zodat door zijn schuld een verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor inzittende [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen;

subsidiair: als bestuurder van een brommobiel gevaar op de weg heeft veroorzaakt.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaken, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde. De officier van justitie voert aan dat drie gedragingen aanleiding zijn geweest van het ongeval, te weten de stuurbeweging naar rechts, de technische staat van de brommobiel en de gereden snelheid. De officier heeft hierbij ondermeer gelet op de verklaring van verdachte, de verklaring van de vader van verdachte, de verkeersongevallenanalyse en een getuigenverklaring van [getuige].

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van hetzij het primair hetzij het subsidiair ten laste gelegde en wijst daarbij op het ontbreken van een causaal verband tussen het handelen van verdachte enerzijds en het ongeval anderzijds.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen

Verdachte heeft verklaard dat hij op 5 september 2011 als bestuurder van een brommobiel op de rechter rijstrook van de Bergweg in de gemeente Utrechtse Heuvelrug reed. In zijn brommobiel zat nog een persoon, zijn vriend [slachtoffer].

Toen verdachte op de Bergweg in Amerongen reed, merkte hij dat de brommobiel wat slingerde. Hij moest de brommobiel corrigeren door het stuur iets te bewegen, volgens hem naar rechts.

Hij reed gewoon door, hij reed nabij de 50 kilometer per uur, zo hard als de brommobiel kon. Toen hij de laatste heuvel van de Bergweg afreed, liet hij het gas los. Zijn brommobiel hield wel snelheid, hij voelde dat de brommobiel wat harder ging rijden. Hij zag op zijn snelheidsmeter dat hij iets boven de 50 km per uur reed en hij voelde dat de brommobiel -net als even daarvoor- iets begon te schudden. Hij voelde dat de brommobiel naar links trok. Toen hij van de snelheidsmeter opkeek, zag hij dat hij over de denkbeeldige middenlijn zat. Hij zag een tegenligger op een afstand van ongeveer 20 á 30 meter. Hij trok zijn stuur naar rechts. Verdachte vermoedt dat hij te wild aan het stuur heeft getrokken. Hij zag toen ineens bosjes voor zich, de ruit verbrijzelde, hij deed zijn ogen dicht en toen hij ze weer open deed, stond hij stil.

De getuige [getuige] heeft verklaard dat zij op 5 september 2011 op de Bergweg te Amerongen met haar personenauto achter een brommobiel reed. Zij hield een aantal meters afstand van de brommobiel. [getuige] verklaart dat de snelheid van de brommobiel op haar kilometerteller 55 kilometer per uur was (de rechtbank begrijpt: ze zag dat haar eigen snelheid volgens haar kilometerteller 55 kilometer was, terwijl ze de brommobiel die even snel reed volgde). Zij zag de brommobiel slingeren, iets over de weghelft voor tegemoetkomend verkeer komen en vervolgens aan de rechterzijde van de weg de bosjes in duiken.

De maximumsnelheid van een brommobiel is 45 kilometer per uur.

Deelvrijspraak

Op grond van de Verkeersongevallenanalyse (VOA) staat wel vast dat de technische staat van het voertuig wat betreft de remmen slecht was, maar de rechtbank acht niet bewezen dat dat effect had op het ongeval. Het voertuig trok volgens de verdachte iets naar links, wat volgens de VOA zou kunnen gebeuren als hij remde, maar de verdachte verklaart zelf dat hij niet heeft geremd en er zijn ook geen sporen die in de richting van remmen wijzen.

Bewijsoverweging

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte ongeveer 55 km per uur reed. Hoeveel hij precies reed dus hoeveel meer dan de maximaal toegestane snelheid van 45 km per uur is niet vast te stellen omdat noch de kilometerteller van de brommobiel, noch de kilometerteller van de achter verdachte rijdende auto geijkt zijn.

Uit de hiervoor aangehaalde stukken maakt de rechtbank op dat verdachte door twee verkeersfouten een verkeersongeval met zeer ernstige gevolgen heeft veroorzaakt.

Verdachte reed te hard en heeft de controle over zijn brommobiel verloren. Dit is aan verdachte toe te rekenen.

Verdachte’s vriend [slachtoffer] heeft door het ongeval zeer ernstig letsel, onder meer hersenletsel, een schedelbasisfractuur en een gebroken oogkas opgelopen.

Verdachte is tekortgeschoten in de op hem rustende zorgplicht om in het verkeer altijd voorzichtig te zijn, maar is sprake van aanmerkelijke onvoorzichtigheid?.

De wetgever staat toe dat kinderen van 16 jaar die een bromfietscertificaat hebben behaald en die dus slechts enkele uren ervaring behoeven te hebben met het besturen van een bromfiets en die geen ervaring hebben met het besturen van een voertuig dat lijkt op een kleine personenauto en dat bestuurd wordt met een stuurwiel, zich daarmee op de weg begeven met snelheden tot maximaal 45 km per uur. Opmerking verdient daarbij dat zodanig voertuig door het uiterlijk associaties wekt van de veiligheid, die in het algemeen door de carrosserie van een personenauto wordt geboden, terwijl de stevigheid van de carrosserie van de brommobiel natuurlijk in hoge mate wordt bepaald door het maximum gewicht (350 kilo) van zodanig voertuig. Opmerking verdient ook dat de wetgever bij motorvoertuigen zoals personenauto's in coachingtrajecten voorziet om jongeren onder de 18 jaar ook na het behalen van een rijbewijs (waaraan vaak tientallen uren rijles voorafgaan), "op te voeden" als verkeersdeelnemer.

Dit in aanmerking nemend kwalificeert de rechtbank het handelen van verdachte als onvoorzichtig, maar niet als zo onvoorzichtig, dat sprake is van het aanmerkelijk schuldverwijt van art. 6 WVW 1994. De rechtbank zal verdachte dan ook van het primair tenlastegelegde vrijspreken.

Het subsidiair tenlastegelegde acht de rechtbank wel wettig en overtuigend bewezen. Het rijgedrag van verdachte, zoals dat hiervoor is omschreven, is gevaarzettend geweest, waarmee is voldaan aan de omschrijving van artikel 5 WVW 1994 .

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

(Subsidiair)

op 5 september 2011, te Amerongen, gemeente Utrechtse Heuvelrug, als bestuurder van een motorvoertuig, een brommobiel, rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Bergweg, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op de weg werd veroorzaakt;

bestaande dat gedrag hieruit:

hij, verdachte, heeft, als bestuurder van voornoemde brommobiel rijdend over de Bergweg, een sterke stuurbeweging naar rechts gemaakt en is vervolgens van de weg geraakt en tegen een of meer naast die weg staande bomen aangereden;

- terwijl hij, verdachte, aldaar reed met een snelheid van ongeveer 55 kilometer per uur, in elk geval met een snelheid hoger dan voor een veilig verkeer ter plaatse noodzakelijk was;

door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 30 uren met een proeftijd van 2 jaren.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte is met zijn brommobiel van de weggeraakt en tegen bomen aangereden. Zijn vriend die naast hem zat, is hierbij zwaar gewond geraakt en diens herstel zal nog geruime tijd vergen. Alhoewel de rechtbank heeft geoordeeld dat de aanrijding niet aan de grove schuld van verdachte is te wijten in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 , houdt zij met dit ernstige gevolg wel rekening bij de strafoplegging. Tegelijkertijd houdt de rechtbank rekening met de omstandigheden dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit en dat hijzelf ook lijdt onder het feit dat zijn vriend door zijn toedoen gewond is geraakt en dat die vriend zijn leven heeft moeten aanpassen aan zijn letsel.

De officier van justitie is bij haar eis uitgegaan van een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde. De rechtbank acht, juridisch gezien het mindere, namelijk het subsidiair ten laste gelegde bewezen. De rechtbank is echter van oordeel dat, gelet op de ernstige gevolgen van het handelen van verdachte, met een lagere straf, dan door de officier van justitie gevorderd, niet kan worden volstaan en zal de strafeis overnemen.

Alles afwegend komt de rechtbank tot de conclusie dat een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 30 uren passend en geboden is.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 77a, 77 g, 77h, 77m, 77n, 77x, 77y en 77z van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder primair tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 30 uren voorwaardelijk met een proeftijd van een jaar;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 15 dagen;

- bepaalt dat deze werkstraf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Grapperhaus, voorzitter, tevens kinderrechter,

mr. P.L.C.M. Ficq en mr. M.J. Veldhuijzen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P. Groot-Smits, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 24 januari 2012.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature