< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 12 mei 2011, no. 2011-05771, heeft de raad het bestemmingsplan "Landgoed Dijkhuizerhof" (hierna: het plan) vastgesteld.

Uitspraak



201107319/1/R2.

Datum uitspraak: 25 januari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A], [appellante B], [appellant C], [appellant D] en [appellant E] (hierna: [appellant] en anderen), allen wonend te Epe,

en

de raad van de gemeente Epe,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 mei 2011, no. 2011-05771, heeft de raad het bestemmingsplan "Landgoed Dijkhuizerhof" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 juli 2011, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[belanghebbende] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 december 2011, waar [appellant] en anderen, bijgestaan door mr. A.J. Verweij, advocaat te Ermelo, en de raad, vertegenwoordigd door ir. H. van Bolderen en ir. H. Posthuma, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Tevens is [belanghebbende], bijgestaan door ir. F.C.A. Tempel, ter zitting verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Met het plan wordt beoogd de bouw van een landhuis, de bouw van een beheerderswoning en de aanleg van circa 9 hectare nieuwe natuur mogelijk te maken.

2.2. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.

[appellant D] en [appellante B] hebben geen zienswijze tegen het ontwerpplan naar voren gebracht bij de raad. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening en artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Deze omstandigheid doet zich niet voor. Het beroep voor zover ingediend door [appellant D] en [appellante B], is niet-ontvankelijk. Onder [appellant] en anderen wordt hierna verstaan het beroep van [appellant A], [appellant C] en [appellant E].

2.3. [appellant] en anderen kunnen zich niet met dit plan verenigen. Zij betogen dat het plan in strijd is met de provinciale structuurvisie Streekplan Gelderland 2005 (hierna: het Streekplan). [appellant] en anderen wijzen er in dit kader op dat het landhuis ten onrechte niet is meegenomen in de berekening van het bebouwd oppervlak en het aantal wooneenheden. Voorts voeren [appellant] en anderen aan dat het plan zal leiden tot een verstening van het buitengebied. Tevens wijzen zij erop dat de tussen de raad en de initiatiefnemers gesloten privaatrechtelijke overeenkomst ten behoeve van de inrichting en het beheer van het plangebied ten onrechte niet bij het bestemmingsplan is gevoegd, maar is volstaan met een zakelijke omschrijving. Zij stellen verder dat de inrichting en het beheer van het plangebied onvoldoende zijn gegarandeerd.

Voorts betogen [appellant] en anderen dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar het nut en de noodzaak van de woningen waarin het plan voorziet. Vanwege de stagnatie op de woningmarkt is het hoogst onzeker of de dure woningen verkocht zullen worden, aldus [appellant] en anderen.

Tevens vrezen zij dat het plan zal leiden tot een aantasting van hun uitzicht en privacy. Ook betogen zij dat de wandelpaden op het landgoed te dicht bij hun perceel komen te liggen.

Verder stellen [appellant] en anderen dat het plan in samenhang met andere planologische ontwikkelingen in de omgeving tot een verkeerstoename zal leiden waarop de onverharde Dijkhuizerzandweg niet is berekend. Voorts betogen zij dat de raad ten onrechte niet heeft onderzocht in hoeverre de toename van het verkeer zal leiden tot stof- en geluidsoverlast. Zij wijzen er in dit kader op dat het plan voorziet in de mogelijkheid meer parkeerplaatsen aan te leggen als het bezoekersaantal van het landgoed dat vereist. Zij betogen dat de raad reeds voorziet dat de verkeersintensiteit sterk toe zal nemen.

Ook voeren [appellant] en anderen aan dat ten onrechte geen alternatieve inrichting van het landgoed is onderzocht. Op het perceel is volgens hen voldoende ruimte om het landhuis en de beheerderswoning meer in oostelijke richting, en derhalve op grotere afstand van het perceel van [appellant] en anderen, te realiseren.

2.3.1. De raad betoogt dat het plan in overeenstemming is met het Streekplan en wijst erop dat de provincie zich positief over het plan heeft uitgelaten. De raad stelt dat alleen een zakelijke weergave van de privaatrechtelijke overeenkomst bij het plan hoeft te worden gevoegd.

Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat er geen twijfel bestaat over het nut en de noodzaak van de te realiseren woningen. Hij is van mening dat de vestiging van een landgoed en de daarmee verband houdende beëindiging van het aanwezige agrarische bedrijf leidt tot een kwaliteitsimpuls voor het gebied. De raad acht het plan financieel uitvoerbaar.

Verder is de raad van mening dat de gekozen bouwlocatie ter plaatse passend is en niet zal leiden tot een ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant] en anderen. Ook betoogt de raad dat er geen behoefte bestaat aan extra parkeerruimte.

Verder is over de locatie van de bouwvlakken zowel door een stedenbouwkundig adviesbureau als door de welstandscommissie positief geadviseerd, aldus de raad. De exacte locatie van de wandelpaden maakt volgens de raad geen deel uit van dit plan.

2.3.2. De raad is bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet aan provinciaal beleid gebonden. Wel dient de raad daarmee rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken. Nu de raad in de plantoelichting en in het verweerschrift is ingegaan op het Streekplan, is aannemelijk dat de raad het provinciale beleid in de belangenafweging heeft betrokken.

De raad heeft ten aanzien van de in het provinciaal beleid opgenomen onderwerpen eigen beleid vastgesteld. Ter zitting is door de raad onweersproken gesteld dat het gemeentelijk beleid niet vereist dat de volledige tekst van de overeenkomst inzake de inrichting en het beheer van het plangebied bij het bestemmingsplan wordt gevoegd. In overeenstemming met het gemeentelijk beleid heeft de raad een zakelijke weergave van de overeenkomst ter inzage gelegd. Voorts is ter zitting namens de raad bevestigd, hetgeen ook in de zakelijke weergave van de overeenkomst is vermeld, dat de privaatrechtelijke overeenkomst een ketting- en boetebeding bevat.

Gezien het vorenstaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de verplichting tot aanleg en onderhoud van het landgoed onvoldoende is zekergesteld.

2.3.3. Ten aanzien van het nut en de noodzaak van de in het plan voorziene woningen, overweegt de Afdeling dat de raad in redelijkheid heeft kunnen afzien van het instellen van een behoefte-onderzoek naar deze woningen. Daarbij heeft de raad van belang mogen achten dat het plan slechts voorziet in de bouw van 5 woningen.

2.3.4. Het plan maakt een landhuis met een maximale hoogte van 9,5 meter en een lengte van ongeveer 75 meter mogelijk. De afstand tussen het perceel van [appellant] en anderen en het in het plan voorziene meest dichtbij gelegen bouwvlak bedraagt ongeveer 75 meter.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bestaat er geen blijvend recht op vrij uitzicht (uitspraak van 15 december 2010 in zaak nr. 200905577/1/R2). Gelet op de afstand van ongeveer 75 meter tussen het in het plan voorziene bouwvlak en het perceel van [appellant] en anderen heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het uitzicht van [appellant] en anderen niet onevenredig zal worden aangetast.

De locatie van de paden is niet als zodanig in het plan opgenomen. Het plan staat er niet aan in de weg dat deze in het meest westelijk gelegen gedeelte van het plangebied en derhalve op de kortst mogelijke afstand van het perceel van [appellant] en anderen zullen worden aangelegd. [appellant] en anderen hebben evenwel niet aannemelijk gemaakt dat dit tot onaanvaardbare aantasting van hun privacy zal leiden. Evenmin is gebleken dat de toekomstige bewoners van het landgoed onaanvaardbare hinder zullen ondervinden van de dieren die [appellant] en anderen hobbymatig houden.

2.3.5. De Afdeling ziet geen aanleiding het door de raad geschetste beeld van de bezoekersaantallen van het landgoed onjuist te achten. [appellant] en anderen hebben dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de raad is uitgegaan van een onjuist aantal parkeerplaatsen, dan wel van een onjuist aantal verkeersbewegingen.

Onbestreden is dat het plan zal leiden tot een verkeerstoename van ongeveer 71 motorvoertuigen per etmaal. Deze voertuigbewegingen zullen grotendeels plaatsvinden over de verharde Dijkhuizerweg en niet over de onverharde Dijkhuizerzandweg. De raad heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de toename van het aantal verkeersbewegingen dermate beperkt is dat dit niet zal leiden tot een onaanvaardbare verkeersdruk op genoemde wegen en dat nader onderzoek naar stof- en geluidhinder niet noodzakelijk is.

Voorts is ter zitting namens de raad toegelicht dat de woningbouwplannen voor het gebied 't Slath en landgoed Wiltensacker nog zeer onzeker zijn. Derhalve heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling tevens in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat die ontwikkelingen niet in de voorbereiding van het onderhavige plan hoefden te worden betrokken.

2.3.6. Ten aanzien van de door [appellant] en anderen voorgestelde alternatieve situering van de bouwblokken binnen het plangebied overweegt de Afdeling het volgende. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat nu het plan de structuur van de esranden niet doorbreekt en de voorgenomen bebouwing zich op een afstand van ongeveer 75 meter van [appellant] en anderen bevindt, geen aanleiding bestond alternatieven te onderzoeken. Dit standpunt acht de Afdeling niet onredelijk.

2.4. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het beroep is ingediend door [appellant D] en [appellante B];

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.F.W. Tuit, ambtenaar van staat.

w.g. Simons-Vinckx w.g. Tuit

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2012

425-726.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature