< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 11 februari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Nijverhei 2009" vastgesteld.

Uitspraak



201004708/1/T1/R4.

Datum uitspraak: 25 januari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State in het geding tussen:

[appellante] en anderen, gevestigd te Rucphen,

en

de raad van de gemeente Rucphen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Nijverhei 2009" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 mei 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 oktober 2011, waar [appellante] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. Th.A.G. Vermeulen, advocaat te Zoetermeer, alsmede de raad, vertegenwoordigd door T.M.J. de Koster, A.A.M. Dirks en M.W.C. Gijzen, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2.2. Het plan voorziet in een actualisatie van de planologische regeling voor het bedrijventerrein Nijverhei te Rucphen. Daarnaast voorziet het plan in een uitbreiding van het bedrijventerrein en de toevoeging van een voorzieningencluster en een woonwerkcluster aan de noordzijde van het plangebied.

2.3. Voor zover het beroep van [appellante] en anderen is gericht tegen de definitie van bedrijfswoning, neergelegd in artikel 1, lid 1.14 van de planregels, steunt het beroep niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, voor zover dit beroep de vaststelling van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Deze omstandigheid doet zich niet voor.

Het beroep zal in zoverre in de einduitspraak niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.4. [appellante] en anderen exploiteren een bedrijf in staalconstructies en laswerkzaamheden aan betonijzer op de percelen [locatie 1] en [locatie 2] te Rucphen. Zij kunnen zich niet verenigen met de bestemming die aan hun percelen is toegekend, waarmee in algemene zin bedrijfsactiviteiten tot en met milieucategorie 3.1 mogelijk worden gemaakt. [appellante] en anderen brengen naar voren dat het op grond van het vorige plan mogelijk was om alle soorten bedrijfsactiviteiten vallend onder milieucategorie 3.2 op de percelen uit te oefenen. Zij betogen dat het voorgaande een ontoelaatbare inbreuk op hun rechten oplevert.

[appellante] en anderen kunnen zich niet verenigen met het standpunt van de raad om bedrijven vallend onder milieucategorie 3.2 niet binnen een afstand van 50 m vanaf een bedrijfswoning toe te staan. Zij voeren hiertoe aan dat de raad ten onrechte is uitgegaan van de indicatieve afstand behorend bij een rustige woonwijk zoals genoemd in de publicatie "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten van 16 april 2007 (hierna: de VNG-brochure). [appellante] en anderen betogen dat de indicatieve afstanden voor een rustige woonwijk niet van toepassing zijn op bedrijfswoningen op een bedrijventerrein. Op grond van de VNG-brochure dient volgens [appellante] en anderen voor bedrijven vallend onder milieucategorie 3.2 van een afstand van 30 m ten opzichte van bedrijfswoningen uitgegaan te worden.

Voorts betogen [appellante] en anderen dat op het perceel [locatie 3] in algemene zin bedrijfsactiviteiten tot en met milieucategorie 3.2 zijn toegestaan, terwijl het daar gevestigde bedrijf Inotech op een afstand van 30 m van 5 bedrijfswoningen is gelegen.

2.4.1. De raad voert aan dat voor het opstellen van de milieuzonering gebruik is gemaakt van de VNG-brochure, op grond van welke brochure de afstand tussen bedrijven behorend tot milieucategorie 3.2 en bedrijfswoningen 50 m dient te bedragen. Nu op een afstand van minder dan 50 m vanaf de percelen van [appellante] en anderen een cluster bedrijfswoningen aanwezig is, stelt de raad zich op het standpunt dat voor de betrokken percelen in algemene zin slechts bedrijven tot en met milieucategorie 3.1 kunnen worden toegestaan. Dit geldt eveneens voor het perceel [locatie 3]. Voorts wijst de raad erop dat de bedrijfsactiviteiten van [appellante] en anderen, hoewel deze tot milieucategorie 3.2 moeten worden gerekend, door middel van een specifieke aanduiding op de betrokken percelen als zodanig zijn bestemd. De raad stelt dat ingevolge het vorige plan bedrijven in de milieucategorie 3 waren toegestaan, zodat de gebruiksmogelijkheden van de betrokken percelen onder het voorliggende plan vergelijkbaar zijn met de mogelijkheden die het vorige plan bood.

2.4.2. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting heeft de raad bij de vaststelling van het plan aansluiting gezocht bij de VNG-brochure. In de VNG-brochure wordt, anders dan [appellante] en anderen kennelijk veronderstellen, voor constructiewerkplaatsen met een gesloten gebouw zoals hier aan de orde een afstand van 100 m aanbevolen. Blijkens de VNG-brochure geldt deze richtafstand indien de omgeving is te kwalificeren als een rustige woonomgeving. In het geval dat sprake is van een gemengd gebied mag deze afstand worden verlaagd naar 50 m.

De afstand van de grens van het bouwperceel van [appellante] en anderen tot het dichtstbijzijnde plandeel met de aanduiding bedrijfswoning is kleiner dan 50 m. Gelet daarop, en mede in aanmerking genomen de ligging van het bedrijf [appellante] en anderen ten opzichte van een cluster bedrijfswoningen, heeft de raad in redelijkheid ervan kunnen afzien op het perceel van [appellante] en anderen in algemene zin bedrijven behorend tot milieucategorie 3.2 toe te staan.

De stelling dat op het perceel [locatie 3] in algemene zin bedrijfsactiviteiten tot en met milieucategorie 3.2 zijn toegestaan, mist feitelijke grondslag, nu blijkens de op de verbeelding aangebrachte aanduiding op het desbetreffende perceel in algemene zin slechts bedrijfsactiviteiten tot en met milieucategorie 3.1 zijn toegestaan.

2.5. Voorts betogen [appellante] en anderen dat de bestaande rechten met betrekking tot buitenopslag ten onrechte worden beperkt. Volgens [appellante] en anderen volgt uit het plan dat het niet is toegestaan om binnen 4 m van de erfgrens goederen op te slaan. Mede vanwege het feit dat [appellante] en anderen een hoekperceel exploiteren, stellen zij zich op het standpunt dat deze regel grote nadelige gevolgen voor de bedrijfsvoering heeft. Verder betogen [appellante] en anderen dat de planregels waarin de buitenopslag wordt geregeld, niet consistent en niet begrijpelijk zijn.

2.5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat buitenopslag binnen 4 m vanuit veiligheidsoverwegingen niet toegestaan is. Buitenopslag tot de erfgrens is volgens de raad uitsluitend mogelijk indien een ontheffing is verleend.

2.5.2. Ingevolge artikel 3.5, lid 3.5.1 van de planregels is opslag van goederen en materialen op onbebouwde gronden tot een gezamenlijke hoogte van maximaal 4 m toegestaan.

Ingevolge artikel 3.5, lid 3. 5.2, aanhef en onder c behoort in ieder geval tot verboden gebruik de opslag van goederen en materialen op onbebouwde gronden binnen een bouwvlak tot een gezamenlijke hoogte van meer dan 6 m en opslag van goederen en materialen buiten een bouwvlak.

Ingevolge artikel 3.6, lid 3.6.1, aanhef en onder c van de planregels kan het college ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 3.6.1 voor de opslag van goederen en materialen op onbebouwde grond buiten een bouwvlak tot een gezamenlijke hoogte van maximaal 4 m.

Ingevolge artikel 3.6, lid 3.6.1, aanhef en onder d van de planregels kan het college ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 3.5, lid 3.5.3 onder c van de planregels voor de opslag van goederen en materialen op onbebouwde gronden tot op de bouwperceelsgrens.

2.5.3. Ingevolge de aangehaalde bepalingen is opslag op onbebouwde gronden enerzijds, op grond van lid 3.5.1, toegestaan tot een gezamenlijke hoogte van maximaal 4 m, terwijl anderzijds deze opslag, waar deze binnen een bouwvlak plaatsvindt, op grond van lid 3.5.2, aanhef en onder c, wordt verboden voor zover zij een gezamenlijke hoogte van 6 meter overschrijdt. Onduidelijk is derhalve tot welke gezamenlijke hoogte opslag op deze gronden al dan niet is toegestaan. Voorts verbiedt lid 3.5.2, aanhef en onder c, opslag buiten een bouwvlak, hetgeen in tegenspraak is met het uitdrukkelijk toestaan van opslag tot 4 meter hoogte op onbebouwde gronden in lid 3.5.1. Artikel 3.6, lid 3. 6.1, aanhef en onder c, geeft het college van burgemeester en wethouders verder de bevoegdheid ontheffing te verlenen van het bepaalde in lid 3.6.1 voor opslag op onbebouwde grond buiten een bouwvlak tot een gezamenlijke hoogte van maximaal 4 meter, terwijl in de genoemde bepaling geen verbod te vinden is van een dergelijke vorm van opslag en deze vorm overigens in lid 3.5.1 tot dezelfde hoogte uitdrukkelijk wordt toegestaan. Lid 3.6.1, aanhef en onder d, geeft ten slotte een ontheffingsbevoegdheid voor opslag op onbebouwde gronden tot de perceelsgrens, terwijl een verbod op opslag binnen een bepaalde afstand tot de perceelsgrens niet in het plan is opgenomen. Daarbij wordt verwezen naar lid 3.5.3, onder c, welke bepaling echter evenmin in het plan voorkomt. Nu de aangehaalde bepalingen onvoldoende duidelijkheid geven over de vormen van opslag van goederen en materialen die op de gronden met de bestemming "Bedrijf" zijn toegestaan, is het plan in zoverre vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Overigens is noch uit de stukken, noch ter zitting duidelijk geworden welke regeling de raad in dit verband heeft beoogd vast te stellen.

2.6. In het beroepschrift hebben [appellante] en anderen gesteld dat de reactieve aanwijzing van het college van gedeputeerde staten, ertoe strekkende dat de planregels voor zover die betrekking hebben op het toestaan van nieuwe bedrijfswoningen door af te wijken van de regels van het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Nijverhei 2009" geen deel blijven uitmaken van het bestemmingsplan wordt onderschreven, aangezien een nieuwe bedrijfswoning op [locatie 4] een onaanvaardbare beperkende werking op hun activiteiten zou hebben. Naar het oordeel van de Afdeling kan hetgeen op dit punt is vermeld in het beroepschrift niet worden aangemerkt als beroepsgrond. Eerst in een nader stuk van 9 september 2011 hebben [appellante] en anderen aangevoerd dat zij zich niet kunnen verenigen met de aanduiding "bouwvlak", waarmee de bouw van een bedrijfswoning aan [locatie 4] mogelijk wordt gemaakt, aangezien de aanwezigheid van deze woning een beperking voor hun bedrijfsactiviteiten tot gevolg heeft.

De Afdeling stelt vast dat [appellante] en anderen hebben beoogd de omvang van het geding uit te breiden door na afloop van de beroepstermijn ook het plandeel met de aanduiding "bouwvlak" aan [locatie 4] aan te vechten. Binnen de beroepstermijn dient vast te staan waartegen de beroepsgronden zijn gericht. Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting, dat ook ten grondslag ligt aan artikel 6:13 van de Awb , alsmede de rechtszekerheid van de andere partijen, kan niet worden aanvaard dat de omvang van het geding na afloop van die termijn wordt uitgebreid. Hetgeen alsnog met betrekking tot de aanduiding "bouwvlak" aan [locatie 4] naar voren is gebracht moet daarom in deze procedure buiten beschouwing gelaten worden.

2.7. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op voet van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State op te dragen de gebreken in het bestreden besluit te herstellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen. De raad dient, met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 2.5.3 is overwogen, de in het plan in de artikelen 3.5 en 3.6 opgenomen regeling voor het gebruik van gronden met de bestemming "Bedrijf" ten behoeve van opslag van goederen en materialen zodanig te wijzigen, dat daaruit met voldoende mate van zekerheid blijkt welke vormen van opslag, op welke gedeelten van de betrokken gronden en tot welke hoogte, op die gronden zijn toegestaan en welke vormen van opslag zijn verboden. Daarbij dient tevens te worden verduidelijkt of ten behoeve van het gebruik voor opslag van de betrokken gronden van het plan kan worden afgeweken en zo ja, van welke regels en onder welke voorwaarden. Bij de voorbereiding van het nieuwe besluit behoeft afdeling 3.4 van de Awb niet te worden toegepast. De raad dient het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken.

2.8. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

draagt de raad van de gemeente Rucphen op om binnen 16 weken na de verzending van deze tussenuitspraak:

- met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 2.5.3 is overwogen, de in het plan in de artikelen 3.5 en 3.6 opgenomen regeling voor het gebruik van gronden met de bestemming "Bedrijf" ten behoeve van opslag van goederen en materialen zodanig te wijzigen, dat daaruit met voldoende mate van zekerheid blijkt welke vormen van opslag, op welke gedeelten van de betrokken gronden en tot welke hoogte, op die gronden zijn toegestaan en welke vormen van opslag zijn verboden. Daarbij dient tevens te worden verduidelijkt of ten behoeve van het gebruik voor opslag van de betrokken gronden van het plan kan worden afgeweken en zo ja, van welke regels en onder welke voorwaarden. De raad dient het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

- de Afdeling de uitkomst mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.A. Oudenaarden, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Oudenaarden

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2012

568-718.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature