Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

De verdachte is ter zake van het medeplegen van mensenhandel, meermalen gepleegd, en het medeplegen van mensensmokkel veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, alsmede een geheel onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.

Uitspraak



Rolnummer: 22-003183-10

Parketnummer: 09-993033-09

Datum uitspraak: 24 januari 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 3 mei 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedag] 1971,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 30 augustus 2011 en 10 januari 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, eerste, tweede en derde cumulatief/alternatief, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Ter terechtzitting in hoger beroep van 10 januari 2012 heeft de raadsman van de verdachte betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Daartoe heeft hij aangevoerd dat onvoldoende duidelijk is wat de aanleiding voor het strafrechtelijk onderzoek is geweest: CIE-informatie, een administratieve controle, of een anonieme melding? De raadsman stelt zich op het standpunt dat hij hierdoor de rechtmatigheid van de start van het onderzoek niet kan controleren.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

In het proces-verbaal van relaas d.d. 17 december 2009, nr. 6640/2009/2008-279, pagina 9 en 10, staat gerelateerd dat het strafrechtelijk onderzoek naar de verdachte en haar medeverdachte is begonnen naar aanleiding van CIE-informatie, alsmede naar aanleiding van de informatie verkregen uit het daarop door de Dienst Stedelijke Ontwikkeling van de Gemeente Den Haag ingestelde administratieve onderzoek. In de loop van het administratieve onderzoek is een anonieme melding (mede) de aanleiding geweest voor nader onderzoek.

Anders dan de raadsman stelt is de aanleiding van het strafrechtelijk onderzoek uitgebreid en inzichtelijk beschreven. In zoverre mist het verweer van de raadsman feitelijke grondslag. Nu de raadsman zijn standpunt verder niet heeft onderbouwd en het proces-verbaal verder ook geen aanknopingspunten biedt om tot een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Wetboek van Strafvordering te concluderen, wordt het verweer van de raadsman verworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 25 april 2007 tot en met 28 juli 2009 (telkens) te ‘s-Gravenhage en/of (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) (een) ander(en), (te weten een of meerdere Indonesische onderda(a)n(en),) (waaronder)

- [slachtoffer 1] (G/0l) en/of

- [slachtoffer 2] (G/02) en/of

- [slachtoffer 3] (G/03) en/of

- [slachtoffer 4] (G/04) en/of

- [slachtoffer 5] (G/06) en/of

- [slachtoffer 6] (G/07) en/of

- [slachtoffer 7] (G/O8) en/of

- [slachtoffer 8] (G/09) en/of

- [slachtoffer 9] (G/1O) en/of

- [slachtoffer 10] (G/11) en/of

- [slachtoffer 11] (G/13),

(lid 1 onder 1°)

(telkens) door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of (telkens)door misbruik van de kwetsbare positie van die ander(en), heeft gehuisvest en/of heeft opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die ander(en),

en/of

(lid 1 onder 4°)

(telkens) met één of meerdere van de onder 1° genoemde middel(en), te weten (telkens) door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of(telkens) door misbruik van de kwetsbare positie van die ander(en), heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten en/of onder de onder 1° genoemde omstandigheden enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan zij en/of haar mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die ander(en) zich daardoor beschikbaar stelde(n)/zou(den) stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten

en/of

(lid 1 onder 6°)

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die ander(en),

waarbij

(lid 1 onder 1°)

dat uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of die kwetsbare positie van die ander(en) hieruit hebben/heeft bestaan dat:

bovengenoemde perso(o)n(en)

- onderda(a)n(en) van Indonesische afkomst waren/was en/of, na betaling van een grote som geld, vanuit Indonesië naar Nederland c.q. Europa waren/was gebracht/begeleid/gekomen, al dan niet onder valse voorwendselen, en/of (daardoor) een (grote) schuld had(den) en/of zonder legale verblijfstitel in Nederland verkeerde(n) en/of

- niet of nauwelijks de Nederlandse en/of Engelse taal sprak(en)en/of onbekend waren/was met de Nederlandse samenleving en/of,

- na aankomst in Nederland, door verdachte en/of een of meerdere van haar mededader(s) zijn/is opgehaald en/of opgevangen en/of naar het pand [straat] te ‘s-Gravenhage, althans een pand van verdachte of een of meerdere van haar mededader(s), zijn/is gebracht en/of

- verbleven/verbleef bij en/of werkzaamheden verrichtte(n) voor verdachte en/of haar mededader(s)en/of(daardoor) afhankelijk waren/was van verdachte en/of haar mededader(s) en/of

- te weinig verdiende(n) om terugkeer naar Indonesië en/of vertrek naar een andere huisvesting en/of arbeidsplaats mogelijk te maken

en/of

(lid 1 onder 1° en/of 4° en/of 6°)

dat huisvesten en/of opnemen en/of dat bewegen van die perso(o)n(en) zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten en/of die overige handelingen en/of omstandigheden als

omschreven in lid 1 onder 1° en/of 4°, en/of dat misbruik en/of

die uitbuiting hieruit hebben/heeft bestaan dat verdachte en/of haar mededader(s)

- die perso(o)n(en) tegen betaling (van een bedrag van Euro 125,- of daaromtrent, althans enig geldbedrag, per maand) onderdak/een slaapplaats (bestaande uit een matras) hebben/heeft verschaft

* (in het pand [straat] te ‘s-Gravenhage), terwijl in de ruimte(n) in het pand, waar die

* perso(o)n(en) verbleven/verbleef en/of sliep(en) sprake was van

* (acuut) brandgevaar en/of

* de (ruime) aanwezigheid van kakkerlakken en/of muizen en/of ander ongedierte en/of

* geen of(te) weinig ventilatie en/of vluchtwegen en/of

* (te) weinig ruimte per persoon (vanwege het huisvesten of onderbrengen van veel personen in het pand)en/of

* (te) hoge temperaturen (mede vanwege het feit dat in (een) aanpalende ruimte(n) in het pand eten(swaren) werd(en) bereid onder hoge temperaturen) en/of

- die perso(o)n(en) (om te kunnen voorzien in hun/zijn/haar eerste levensbehoeften en in de betaling van voornoemd(e) onderdak/slaapplaats) hebben/heeft bewogen, althans aangeboden, om arbeid en/of diensten te verrichten (voor verdachte en/of een of meerdere van haar mededader(s)) en/of

- die perso(o)n(en) voor de door hen/hem/haar verrichte arbeid en/of diensten, bestaande uit het frituren en/of bakken en/of drogen en/of verpakken van voedingsmiddelen en/of de bereiding van eten(swaren),

Euro 25, of daaromtrent per werkdag, althans (heel) weinig of onvoldoende hebben/heeft betaald, in ieder geval een (aanzienlijk) lager loon hebben/heeft betaald dan verdachte en/of haar mededader(s) aan legale werknemers had(den) moeten betalen en/of die perso(o)n(en) de opdracht hebben//heeft gegeven gedurende langere tijd (ook ‘s avonds en/of ’s nachts) achter elkaar(gemiddeld minimaal 10 uur per dag) (nagenoeg) zonder (een) pauze(s) te werken (waarbij die perso(o)n(en) geen daglicht zag(en) en/of staand moest(en) werken en/of de werkruimte was afgesloten)

en/of

(lid 1 onder 6°)

dat opzettelijk voordeel trekken uit vooromschreven uitbuiting hieruit heeft bestaan dat verdachte en/of haar mededader(s) veel lagere loonkosten heeft/hebben gehad dan bij het tewerkstellen van

legale werknemers het geval zou zijn geweest en/of die perso(o)n(en) huur hebben/heeft laten afdragen;

2.

zij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 25 april 2007 tot en met 28 juli 2009 (telkens)te ‘s-Gravenhage en/of(elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, (telkens) (een) ander(en), te weten

- [slachtoffer 1] (G/01) en/of

- [slachtoffer 2] (G/02) en/of

- [slachtoffer 3] (G/03) en/of

- [slachtoffer 4] (G/04) en/of

- [slachtoffer 5] (G/06) en/of

- [slachtoffer 6] (G/07)en/of

- [slachtoffer 7] (G/08) en/of

- [slachtoffer 8] (G/09) en/of

- [slachtoffer 9] (G/1O) en/of

- [slachtoffer 10] (G/11) en/of

- [slachtoffer 11] (G/13) en/of

- [slachtoffer 12] (G/14),

en/of(een) ander(en),

uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland en/of die perso(o)n(en) daartoe (telkens) gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, immers

hebben/heeft verdachte, en/of haar mededader(s) (telkens)

- voor huisvesting van genoemd(e) perso(o)n(en) gezorgd

en/of

- ervoor gezorgd dat die/dat perso(o)n(en) werk en/of inkomsten had(den), althans die/dat perso(o)n(en) arbeid doen verrichten,

terwijl verdachte en/of haar mededader(s) (telkens) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat dat verblijf (telkens) wederrechtelijk was,

en/of

van bovenomschreven feit(en) een beroep en/of gewoonte hebben/heeft gemaakt;

subsidiair

zij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 25 april 2007 tot en met 28 juli 2009 (telkens) te ‘s-Gravenhage en/of (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, (telkens) (een) ander(en), te weten

- [slachtoffer 1] (G/0l) en/of

- [slachtoffer 2] (G/02) en/of

- [slachtoffer 3] (G/03)

- [slachtoffer 4] (G/04) en/of

- [slachtoffer 5] (G/06) en/of

- [slachtoffer 6] (G/07) en/of

- [slachtoffer 7] (G/08) en/of

- [slachtoffer 8] (G/09) en/of

- [slachtoffer 9] (G/10) en/of

- [slachtoffer 10](G/ll)en/of

- [slachtoffer 11] (G/ 13) en/of

- [slachtoffer 12] (G/14),

en/of (een) ander(en),

die zich (telkens) wederrechtelijk toegang tot en/of verblijf in Nederland hebben/heeft verschaft, (telkens) krachtens overeenkomst en/of aanstelling arbeid heeft doen verrichten,

terwijl de verdachte en/of haar mededader(s) (telkens) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat die toegang en/of dat verblijf (telkens) wederrechtelijk waren/was,

en/of

van de bovenomschreven feit(en) een beroep en/of gewoonte hebben/heeft gemaakt;

3.

zij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 25 april 2007 tot en met 28 juli 2009, althans op of omstreeks 28 juli 2009 (telkens) te

‘s-Gravenhage (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) al dan niet opzettelijk een bouwwerk heeft gebruikt en/of laten gebruiken, anders dan in overeenstemming met de op dat gebruik van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a onder 4 en /of artikel 8 lid 8 juncto lid 9 van de Woningwet , immers heeft /hebben verdachte en/of haar mededader(s) toen en daar (telkens) al dan niet opzettelijk een bouwwerk, te weten de woning aan de [straat], zijnde deze woning een gebruiksfunctie als bedoeld in artikel 1.1 van het Bouwbesluit 2003, welke gebruiksfunctie, te weten een woonfunctie voor kamergewijze verhuur, in bijlage 1 van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (BBGB) is aangewezen zonder dat sprake is van grenswaarden als bedoeld in artikel 2.2.1. onder 1, b of c van dat besluit, gebruikt of laten gebruiken, terwijl deze woning in strijd met artikel 2.2.1. lid 1 van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (telkens) geen brandinstallatie had met een omvang van de bewaking en een doormelding zoals aangegeven in bijlage 1 bij het besluit, aangezien deze woning (telkens) in het geheel geen brandmeldinstallatie(s) had;

4.

zij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 25 april 2007 tot en met 28 juli 2009, althans op of omstreeks 28 juli 2009 (telkens) te

‘s-Gravenhage, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) al dan niet opzettelijk een bouwwerk heeft gebruikt en/of laten gebruiken, anders dan in overeenstemming met de op dat gebruik van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a onder 5 van de Woningwet , immers heeft /hebben verdachte en/of haar mededader(s) toen en daar (telkens) al dan niet opzettelijk in strijd met het verbod gesteld in artikel 7.1.1 van de Bouwverordening van de gemeente Den Haag de woning aan de [straat] bewoond met en/of toegestaan dat de woning werd bewoond door ongeveer (gemiddeld) 1,43 in ieder geval meer dan één persoon per 14 m 2 gebruiksoppervlakte.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar oordeel van het hof kan niet wettig en overtuigend worden bewezen hetgeen aan de verdachte onder 3 en 4 ten laste is gelegd. Ter zake van beide feiten overweegt het hof dat het voor het medeplegen vereiste opzet op het in strijd handelen met de in de tenlastelegging genoemde voorschriften niet kan worden bewezen. De verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van het onder 3 en 4 ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 eerste, tweede en derde cumulatief en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

zij in de periode van 1 december 2008 tot en met 28 juli 2009 te ‘s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander anderen, te weten Indonesische onderdanen

- [slachtoffer 1] en

- [slachtoffer 2] en

- [slachtoffer 3] en

- [slachtoffer 4] en

- [slachtoffer 5] en

- [slachtoffer 6] en

- [slachtoffer 7] en

- [slachtoffer 8] en

- [slachtoffer 9] en

- [slachtoffer 10] en

- [slachtoffer 11],

door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van de kwetsbare positie van die ander(en), heeft gehuisvest en heeft opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die anderen,

en

door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van de kwetsbare positie van die anderen, heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid

en

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die ander(en),

waarbij

dat uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of die kwetsbare positie van die ander(en) hieruit hebben/heeft bestaan dat:

bovengenoemde personen

- onderdanen van Indonesische afkomst waren en/of, na betaling van een grote som geld, vanuit Indonesië naar Nederland c.q. Europa waren gekomen, al dan niet onder valse voorwendselen, en/of daardoor een (grote) schuld had(den) en/of zonder legale verblijfstitel in Nederland verkeerden en/of

- niet of nauwelijks de Nederlandse en/of Engelse taal spraken en/of onbekend waren met de Nederlandse samenleving en/of

- verbleven bij en/of werkzaamheden verrichtten voor verdachte en haar mededader en/of daardoor afhankelijk waren van verdachte en haar mededader en/of

- te weinig verdienden om terugkeer naar Indonesië en/of vertrek naar een andere huisvesting en/of arbeidsplaats mogelijk te maken

en

dat huisvesten en/of opnemen en/of dat bewegen van die personen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid, en dat misbruik en die uitbuiting hieruit hebben bestaan dat verdachte en/of haar mededader

- die personen tegen betaling van een bedrag van Euro 125,- of daaromtrent per maand een slaapplaats (bestaande uit een matras) hebben/heeft verschaft (in het pand [straat] te ‘s-Gravenhage), terwijl in de ruimten in het pand, waar die personen verbleven en/of sliepen sprake was van

* de aanwezigheid van kakkerlakken en/of muizen en/of ander ongedierte en/of

* geen of te weinig ventilatie en/of vluchtwegen en/of

* te weinig ruimte per persoon (vanwege het huisvesten of onderbrengen van veel personen in het pand) en/of

* te hoge temperaturen (mede vanwege het feit dat in ruimten in het pand etenswaren werden bereid onder hoge temperaturen) en/of

- die personen om te kunnen voorzien in hun eerste levensbehoeften en in de betaling van voornoemde slaapplaats hebben/heeft bewogen om arbeid te verrichten voor verdachte en/of haar mededader en/of

- die personen voor de door hen verrichte arbeid, bestaande uit het frituren en/of bakken en/of drogen en/of verpakken van voedingsmiddelen en/of de bereiding van etenswaren,

Euro 25, of daaromtrent per werkdag, in ieder geval een aanzienlijk lager loon hebben/heeft betaald dan verdachte en/of haar mededader aan legale werknemers had(den) moeten betalen en/of die personen de opdracht hebben/heeft gegeven gedurende langere tijd (ook ‘s avonds en/of ’s nachts) achter elkaar (gemiddeld minimaal 10 uur per dag) nagenoeg zonder pauzes te werken (waarbij die personen geen daglicht zagen en/of staand moesten werken en/of de werkruimte was afgesloten)

en

dat opzettelijk voordeel trekken uit vooromschreven uitbuiting hieruit heeft bestaan dat verdachte en/of haar mededader veel lagere loonkosten heeft/hebben gehad dan bij het tewerkstellen van legale werknemers het geval zou zijn geweest en die personen huur hebben/heeft laten afdragen;

2.

zij in de periode van 25 april 2007 tot en met 28 juli 2009 te ‘s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander anderen, te weten

- [slachtoffer 1] en

- [slachtoffer 2] en

- [slachtoffer 3] en

- [slachtoffer 4] en

- [slachtoffer 5] en

- [slachtoffer 6] en

- [slachtoffer 7] en

- [slachtoffer 8] en

- [slachtoffer 9] en

- [slachtoffer 10] en

- [slachtoffer 11] en

en/of anderen,

uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, immers

hebben/heeft verdachte, en/of haar mededaders

- voor huisvesting van genoemde personen gezorgd

en/of

- ervoor gezorgd dat die personen werk en/of inkomsten hadden,

terwijl verdachte en/of haar mededaders wist(en) dat dat verblijf wederrechtelijk was,

en

van bovenomschreven feit(en) een gewoonte hebben/heeft gemaakt;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte betoogd dat de tegenover de ambtenaren van de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de Gemeente Den Haag(hierna: SIOD) afgelegde verklaringen van de verdachte niet als bewijs kunnen worden gebezigd. Daartoe heeft hij aangevoerd dat tijdens de verhoren te weinig rekening is gehouden met de zwakbegaafdheid van de verdachte. Daarnaast zou de verdachte de verhoorders hebben nagepraat en zouden haar woorden in de mond zijn gelegd.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Blijkens de processen-verbaal van verhoor heeft de verdachte tegenover de SIOD uitgebreid en nauwkeurig verklaard over de bewezen verklaarde feiten. Voorts volgt uit die processen-verbaal dat de verdachte voorafgaand aan elk verhoor in de gelegenheid is gesteld om iets toe te voegen aan haar eerder afgelegde verklaring. De verdachte heeft op een enkele keer na geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid. Voorts heeft de verdachte haar bij de SIOD afgelegde verklaringen op 31 juli 2009 tegenover de rechter-commissaris bevestigd. Verder bevat het strafdossier geen enkele aanwijzing dat de verdachte tijdens de verhoren bij de SIOD op enige manier onder druk is gezet. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de tegenover de SIOD afgelegde verklaringen van de verdachte betrouwbaar zijn en als bewijs kunnen dienen. Aangaande de gestelde zwakbegaafdheid van de verdachte overweegt het hof dat, wat hier van zij, niet is gebleken dat de verdachte, die in haar leven normaal heeft gefunctioneerd en blijkens haar verklaring ter terechtzitting in hoger beroep op 30 augustus 2011 onder meer als secretaresse bij een ministerie heeft gewerkt, niet naar eigen inzicht en beste vermogen heeft verklaard wat zij kon en wilde verklaren. Na te noemen rapporteur Bullens merkt bovendien in zijn rapportage op dat het IQ van de verdachte geen invloed heeft gehad op haar beïnvloedbaarheid of onweerbaarheid. Het verweer van de raadsman wordt mitsdien verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 eerste, tweede en derde cumulatief bewezen verklaarde levert op:

mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.

het onder 2 primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl hij weet dat dat verblijf wederrechtelijk is, terwijl het feit wordt begaan door een persoon die daarvan een gewoonte maakt.

Strafbaarheid van de verdachte

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte betoogd dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de verdachte een beroep op psychische overmacht toekomt, nu de verdachte onder druk stond van haar ex-partner en medeverdachte [medeverdachte]. Voor het geval de verdachte geen beroep op psychische overmacht toekomt, voert de raadsman aan dat de verdachte zich in een noodtoestand heeft bevonden. De verdachte woonde immers ten tijde van de bewezen verklaarde feiten met haar kinderen bij haar ex-partner, tevens medeverdachte, en kon op dat ogenblik nergens anders terecht.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof stelt voorop dat voor een beroep op psychische overmacht sprake moet zijn van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden.

Uit de rapportage van Pro Justitia d.d. 21 november 2011, opgemaakt door dr. R.A.R. Bullens, klinisch psycholoog, volgt dat de verdachte lijdt aan een afhankelijke persoonlijkheidsstoornis, waardoor zij de buitensporige behoefte heeft om te worden verzorgd en dat zij tot het uiterste kan gaan om deze zorg te krijgen. Verder is vermeld dat de verdachte het door deze afhankelijke persoonlijkheidsstoornis moeilijk vindt om haar mening tegen anderen te uiten en haar grenzen aan te geven, maar dat zij, wanneer haar grens (uiteindelijk) is bereikt, wel haar grenzen zal trekken. Voorts volgt uit de rapportage dat de verdachte in hoge mate de neiging heeft om zichzelf tot slachtoffer te maken.

Naar oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat in de bewezen verklaarde periode sprake was van een zodanige stoornis, dat daardoor van de verdachte redelijkerwijs niet kon worden gevergd dat zij zich aan de door haar ex-partner, tevens medeverdachte, op haar uitgeoefende druk zou onttrekken. Dit geldt temeer nu de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 30 augustus 2011 heeft verklaard dat zij wel met haar ex-partner en medeverdachte ruzie maakte over de illegale onderdanen die in het pand aan de [straat] verbleven, waaruit volgens het hof blijkt dat onder omstandigheden zij niet onmachtig was tegen haar partner op te staan. Het beroep op psychische overmacht wordt mitsdien verworpen.

Ter zake van het beroep op de noodtoestand overweegt het hof als volgt. Van een geslaagd beroep op de noodtoestand is vereist, dat de handelingen van de verdachte zijn voortgevloeid uit een actuele en concrete nood en dat die handelingen geëigend waren om aan die nood een einde te maken. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 30 augustus 2011 verklaard dat zij een broer heeft die in Zoetermeer woont en dat zij na haar aanhouding met haar kinderen bij deze broer is ingetrokken. Het hof leidt hieruit af dat de verdachte ten tijde van de bewezen verklaarde feiten wel degelijk een andere keus had dan bij haar ex-partner en medeverdachte te blijven. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat er in Nederland hulpverleningsinstanties bestaan waartoe de verdachte zich met haar problematiek had kunnen wenden. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat geen actuele en concrete nood heeft bestaan die het handelen van de verdachte rechtvaardigt. Het beroep op noodtoestand wordt derhalve verworpen.

Ook overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluit. Het bewezen verklaarde is dus strafbaar, terwijl ook de verdachte strafbaar is.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan – kort gezegd – het medeplegen van mensenhandel. De verdachte en haar medeverdachte, tevens ex-partner, hebben door onder meer misbruik te maken van hun kwetsbare positie, de slachtoffers, tegen betaling van € 125,-- per maand voor de huur van een matras, onder erbarmelijke omstandigheden gehuisvest en/of bewogen tot het verrichten van arbeid tegen een zeer laag loon en in zeer slechte arbeidsomstandigheden. Hiermee hebben de verdachte en haar medeverdachte een afhankelijke en ongelijkwaardige positie van de slachtoffers geschapen en in stand gehouden voor eigen gewin.

Bovendien heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het in vereniging plegen van mensensmokkel, door de slachtoffers - die allen illegaal in Nederland verbleven - van inkomsten en/of huisvesting te voorzien. Door aldus te handelen heeft de verdachte het beleid van de overheid met betrekking tot het bestrijden van illegaal verblijf van vreemdelingen in Nederland doorkruist om er zelf beter van te worden.

In het voordeel van de verdachte heeft het hof acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 28 december 2011, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op een rapportage Pro Justitia d.d.

21 november 2011, opgesteld door dr. R.A.R. Bullens, klinisch psycholoog. Hierin staat vermeld dat de grote behoefte aan zorg en steun van buitenaf en het idee zelf niet in staat te zijn het dagelijks leven aan te kunnen bij de verdachte dermate persistent zijn, dat kan worden gesproken van een afhankelijke persoonlijkheidsstoornis. Voorts heeft de verdachte in hoge mate de neiging om zichzelf tot slachtoffer te maken.

In het voordeel van de verdachte houdt het hof rekening met de omstandigheid dat de verdachte een kleiner aandeel heeft gehad in de bewezen verklaarde feiten dan haar medeverdachte, zijnde haar ex-partner, nu het de medeverdachte is geweest die dwang heeft uitgeoefend op de slachtoffers. Gelet hierop en op de persoon en persoonlijke omstandigheden van de verdachte is het hof – anders dan de advocaat-generaal – van oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf alsmede een geheel onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57, 197a en 273f van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 eerste, tweede en derde cumulatief en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 eerste, tweede en derde cumulatief en 2 primair bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door

120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren werkstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. A.L.J. van Strien, mr. A.J.M. Kaptein en mr. M.C.R. Derkx, in bijzijn van de griffier mr. N.N.D. Bos.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 januari 2012.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature