< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Schietpartij bij een discotheek in Rotterdam op 30 december 2006. Het hof heeft de verdachte ter zake van doodslag en poging doodslag, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 13 jaren en 10 maanden, met aftrek van voorarrest en uitleveringsdetentie.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



Rolnummer: 22-003358-11

Parketnummer: 10-700007-07

Datum uitspraak: 24 januari 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 23 december 2008 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Kaapverdië) op [geboortedag] 1980,

adres: [adres],

thans gedetineerd in PI Haaglanden - HvB Zoetermeer te Zoetermeer.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en – na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden – het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 10 januari 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2 impliciet primair en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is er een beslissing genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep, telkens met de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Dit gerechtshof heeft - in een andere samenstelling - bij arrest van 12 oktober 2009 het beroepen vonnis bevestigd, met aanvulling en verbetering van gronden en met de beslissing omtrent de vergoeding van proceskosten van de benadeelde partijen zoals in het arrest vermeld.

Door de verdachte is tegen het arrest cassatie ingesteld.

In de cassatieprocedure is ook namens de benadeelde partij [slachtoffer 2] een middel van cassatie voorgesteld.

De Hoge Raad der Nederland heeft bij arrest van 28 juni 2011 het arrest van het hof vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde en de strafoplegging en de zaak teruggewezen naar dit gerechtshof, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan. Voor het overige is het cassatieberoep verworpen.

Omvang van het hoger beroep

Gelet op voormelde procesgang is met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 28 juni 2011 het vonnis waarvan beroep aan het oordeel van het hof onderworpen voor wat betreft het onder 1 en 2 ten laste gelegde en de strafoplegging.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 30 december 2006 te Rotterdam opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen een of meer kogel(s) afgeschoten op die [slachtoffer 1], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

2.

hij op of omstreeks 30 december 2006 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of een of meer andere perso(o)n(en) die zich toen daar bevond(en) van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen een of meer kogel(s) heeft afgeschoten op en/of in de richting van die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] en/of die andere toen daar aanwezige perso(o)n(en), zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 impliciet primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op of omstreeks 30 december 2006 te Rotterdam opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen een of meer kogel(s) afgeschoten op die [slachtoffer 1], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

2.

hij op of omstreeks 30 december 2006 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of een of meer andere perso(o)n(en) die zich toen daar bevond(en) van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen een of meer kogel(s) heeft afgeschoten op en/of in de richting van die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] en/of die andere toen daar aanwezige perso(o)n(en), zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

doodslag.

het onder 2 impliciet primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 impliciet primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien jaren, met aftrek van voorarrest alsmede de tijd die de verdachte in uitleveringsdetentie in Kaapverdië heeft doorgebracht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Na in de nacht van 30 december 2006 een feest in discotheek “Now and Wow” te Rotterdam te hebben bezocht, verlaat de verdachte in de vroege ochtend samen met het latere slachtoffer [slachtoffer 1] en twee andere bekenden het feest. Wanneer blijkt dat een verwisseling met de jassen heeft plaatsgevonden bij de garderobe van de discotheek, gaan de verdachte en [slachtoffer 1] terug naar de uitgang van de discotheek teneinde de goede jas te halen. Daar wordt hen de toegang geweigerd door de portier, het latere slachtoffer [slachtoffer 3], waarop de verdachte en [slachtoffer 1] de discotheek wederom verlaten.

Na enkele minuten keren de verdachte en [slachtoffer 1] terug naar de uitgang van de discotheek om verhaal te halen bij [slachtoffer 3]. De verdachte is op dat ogenblik in het bezit van een vuurwapen. Weer aangekomen bij de uitgang blijft de verdachte onderaan de trap staan en loopt [slachtoffer 1] de trap op om [slachtoffer 3] aan te spreken. Enkele ogenblikken later richt de verdachte, zonder enige reële aanleiding, het vuurwapen op [slachtoffer 3] en vuurt hij het wapen af. De verdachte en [slachtoffer 1] rennen vervolgens weg, waarbij de verdachte zonder achterom te kijken een aantal keer naar achteren schiet. [slachtoffer 1] wordt vervolgens dodelijk getroffen door een kogel. Ook raakt één van de door verdachte afgevuurde kogels de portier [slachtoffer 2], waardoor [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel oploopt. Blijkens de aangifte van [slachtoffer 3] was het sluitingstijd toen het schietincident plaats vond en gingen alle gasten naar buiten. Toen er werd geschoten waren er ongeveer 30 tot 40 personen die wegrenden.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk van het leven beroven van [slachtoffer 1]. Met zijn handelen heeft de verdachte het slachtoffer van zijn hoogste rechtsgoed, het leven, beroofd. De nabestaanden van het slachtoffer is een onvoorstelbaar leed aangedaan. Ook heeft het gebeurde op de, deels minderjarige , omstanders een diepe impact gemaakt. Een feit als het onderhavige veroorzaakt daarnaast gevoelens van onveiligheid en angst in de samenleving.

Verder heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag, meermalen gepleegd. De verdachte heeft een wapen gericht op de portier [slachtoffer 3] en dit wapen vervolgens afgevuurd. Daarnaast heeft één van de door verdachte afgevuurde kogels het slachtoffer [slachtoffer 2] geraakt, waarbij de kogel via de mond het lichaam van die [slachtoffer 2] is binnengekomen en uiteindelijk – zo blijkt uit de aangifte van [slachtoffer 2] – in zijn nek is blijven steken. [slachtoffer 2] heeft met veel medische klachten te kampen gekregen, waaronder blijkens een medisch rapport van Achmea vitale een afwijking aan de tong, waardoor zijn spraak is veranderd. De feiten die de verdachte heeft begaan zijn zeer ernstig, waarbij de verdachte op brute wijze inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de procesgang en de omvang van het hoger beroep is het – in de bestreden uitspraak van dit hof van 12 oktober 2009 – onder 3 bewezen verklaarde feit thans nog aan de orde voor zover het de strafoplegging betreft. Dit feit houdt in dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een wapen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, categorie 3 onder 1, van de Wet Wapens en Munitie , alsmede het voorhanden hebben van munitie als bedoeld in artikel 2, tweede lid, categorie 3 van die wet.

Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad in een uitgaansgebied waar zich veel personen bevonden en dat hij voorzien van dat (geladen) vuurwapen, een nota bene klein en persoonlijk geschil is gaan beslechten.

Voorts heeft het hof in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 28 december 2011, waaruit blijkt dat de verdachte al een keer eerder onherroepelijk is veroordeeld voor mishandeling, bedreiging en vuurwapen- en munitiebezit. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman van de verdachte betoogd, dat bij de strafoplegging rekening dient te worden gehouden met de omstandigheid dat het slachtoffer [slachtoffer 1] het vuurwapen heeft afgegeven aan de verdachte en dat [slachtoffer 1] ook de initiator is geweest van de ruzie die [slachtoffer 1] met het slachtoffer [slachtoffer 3] kreeg. Daarnaast heeft de raadsman bepleit dat bij de strafoplegging rekening moet worden gehouden met het feit dat de verdachte vijftien maanden in Kaapverdië in erbarmelijke omstandigheden in uitleveringsdetentie heeft gezeten.

Ten aanzien van de rol van het slachtoffer [slachtoffer 1] in het gebeurde overweegt het hof als volgt. Het hof heeft niet kunnen vaststellen van wie het vuurwapen is waarmee de verdachte heeft geschoten, noch hoe hij die nacht aan het vuurwapen is gekomen. Daarnaast is het hof van oordeel dat, ook al zou het slachtoffer [slachtoffer 1] de initiator van het conflict met het slachtoffer [slachtoffer 3] zijn geweest, dit geenszins het handelen van de verdachte rechtvaardigt en op geen enkele wijze strafmitigerend kan werken nu de verdachte als reeds overwogen dat geladen wapen welbewust heeft gehanteerd en gebruikt bij een volle uitgaansgelegenheid en op verwijtbare wijze één persoon heeft gedood, een ander zwaar heeft verwond en het leven van anderen in ernstig gevaar heeft gebracht.

Ter zake van de gestelde erbarmelijke omstandigheden waarin de uitleveringsdetentie zou hebben plaatsgevonden, overweegt het hof dat de verdachte, na terugkomst in Nederland, zelf op 8 april 2008 tegenover de Nederlandse politie heeft verklaard dat hij goed is behandeld in Kaapverdië en dat hij het daar niet moeilijk heeft gehad. De directeur van de gevangenis en de dokter van de gevangenis waren familie van hem en hij kreeg naar eigen zeggen een voorkeursbehandeling, waarbij hij eten van thuis kreeg en een eigen cel mocht hebben. De raadsman heeft niet onderbouwd waarom er desondanks sprake was van erbarmelijke detentieomstandigheden.

Daar komt bij dat uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de verdachte na het schietincident uit eigen beweging naar Kaapverdië is gegaan. Voor zover er, ondanks het voorgaande, al sprake is geweest van slechte detentieomstandigheden is het voorts niet aannemelijk geworden dat het daarbij ging om erbarmelijke omstandigheden die niet voorzienbaar waren voor de verdachte.

Het hof is gezien deze omstandigheden van oordeel dat de door de raadsman gestelde omstandigheden niet strafverlagend werken. De verweren van de raadsman worden mitsdien verworpen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, alsmede op de straffen die ten tijde van het bewezen verklaarde zijn opgelegd in soortgelijke zaken, alsmede op aspecten van vergelding en speciale en generale preventie, is het hof van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Daarbij zal het hof rekening houden met het feit dat de behandeling in eerste aanleg en in cassatie niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, nu de behandeling in eerste aanleg met ruim zes maanden en de behandeling in cassatie met ruim vier maanden is overschreden. Het hof zal deze termijnoverschrijding verdisconteren door in plaats van een gevangenisstraf voor de duur van veertien jaren een gevangenisstraf voor de duur van dertien jaren en tien maanden op te leggen.

Vordering tot schadevergoeding [nabestaande]

In eerste aanleg heeft [nabestaande], de moeder van het omgekomen slachtoffer [slachtoffer 1], zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 9.224,77 (kosten van een gedenksteen, graf- en crematierechten en kosten van de uitvaart). De benadeelde partij heeft in hoger beroep de vordering tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van

€ 4.512,47 gehandhaafd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade tot een bedrag van

€ 5.000,--.

Nu de benadeelde partij in hoger beroep niet alsnog kosten kan opvoeren die zij in eerste aanleg niet heeft opgevoerd en evenmin het in eerste aanleg gevorderde bedrag tot schadevergoeding kan verhogen, is naar oordeel van het hof in hoger beroep aan de orde een bedrag van

€ 4.512,47 en dient de vordering voor zover het de immateriële schade betreft niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 4.512,47, met de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 4.512,47 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

[nabestaande]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 4.512,47 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer

[nabestaande].

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 2]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 64.529,14.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot

€ 64.529,14, te vermeerderen met € 3.847,84 aan kosten voor rechtsbijstand die na de behandeling in eerste aanleg zijn gemaakt.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 15.500,-- met de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat hij tot een bedrag van € 510,- aan no-claimteruggaaf van de zorgverzekering is misgelopen. Deze schade is een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 impliciet primair bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij ter zake van de materiële schade zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen. De in eerste aanleg en in hoger beroep gevorderde kosten van rechtsbijstand kunnen niet als “rechtstreekse schade” in de zin van artikel 51f Wetboek van Strafvordering worden beschouwd, maar zullen in het navolgende wel in aanmerking worden genomen bij de berekening van de proceskosten in de zin van artikel 592a Wetboek van Strafvordering.

Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het onder 2 impliciet primair bewezen verklaarde. Naar maatstaven van billijkheid leent de vordering zich voor toewijzing tot een bedrag van € 15.000,--.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk is in de vordering. Deze vordering kan in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op € 3.255,91 (bestaande uit de in eerste aanleg gevorderde kosten voor rechtsbijstand ad € 2.159,47 te vermeerderen met de door de benadeelde partij te vergoeden kosten voor rechtsbijstand gemaakt na de procedure in eerste aanleg ad € 1.096,44) en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 15.510,-- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 impliciet primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 (dertien jaren) en 10 (tien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, waaronder de tijd welke de verdachte in Kaapverdië uitleveringsdetentie heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [nabestaande]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [nabestaande] terzake van het onder

1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 4.512,47 (vierduizend vijfhonderdtwaalf euro en zevenenveertig cent) aan materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [nabestaande], een bedrag te betalen van € 4.512,47 (vierduizend vijfhonderdtwaalf euro en zevenenveertig cent) aan materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 55 (vijfenvijftig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder

2 impliciet primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 15.510,-- (vijftienduizend vijfhonderd en tien euro) bestaande uit € 510,-- (vijfhonderd en tien euro) materiële schade en € 15.000,-- (vijftienduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 3.255,91 (drieduizend tweehonderd en vijfenvijftig euro en éénennegentig cent).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], een bedrag te betalen van € 15.510,--(vijftienduizend vijfhonderd en tien euro) bestaande uit € 510,-- (vijfhonderd en tien euro) materiële schade en € 15.000,- (vijftienduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door

112 (honderdtwaalf) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. A.L.J. van Strien,

mr. A.J.M. Kaptein en mr. M.C.R. Derkx, in bijzijn van de griffier mr. N.N.D. Bos.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 januari 2012.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature