< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Poging doodslag (voorwaardelijk opzet) door met hoge snelheid met een auto op een hoofdagent van politie in te rijden. Bewezen zijn ook schuldheling van de auto en vernieling van hekwerken. Opgelegd is een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, verplichte klinische behandeling in de FVK van de Piet Roordakliniek voor maximaal een jaar, verplicht reclasseringstoezicht en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 2 jaar. Tevens dient veroordeelde schade te vergoeden.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/845257-11

Datum uitspraak: 24 januari 2012

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B).

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 12 oktober 2011 en 10 januari 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 13 september 2011.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 05 juli 2011 te Haps, gemeente Cuijk, althans in het

arrondissement 's-Hertogenbosch, ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachte rade [slachtoffer1], hoofdagent van politie Brabant-Noord, van het leven te beroven, met

dat opzet en al dan niet met voorbedachte rade, althans na kalm beraad en

rustig overleg, met hoge, althans aanzienlijke, snelheid met een personenauto

( Mazda 323 met kenteken [kenteken1]) op die [slachtoffer1] is

ingereden/afgereden/toegereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen

misdrijf niet is voltooid;

Artikel 287/289/45 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 05 juli 2011 te Haps, gemeente Cuijk, althans in het

arrondissement 's-Hertogenbosch, ter uitvoering van zijn voornemen om aan een

persoon (te weten [slachtoffer1], hoofdagent van politie Brabant-Noord),

opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk

letsel toe te brengen (met hoge, althans aanzienlijke, snelheid op die [slachtoffer1] is ingereden/afgereden/toegereden, terwijl de uitvoering van dit misdrijf

niet is voltooid;

Artikel 303/302/45 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 05 juli 2011 te Haps, gemeente Cuijk, althans in het

arrondissement 's-Hertogenbosch, [slachtoffer1] heeft bedreigd met enig misdrijf

tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte

toen daar opzettelijk dreigend met hoge, althans aanzienlijke, snelheid op die

[slachtoffer1] afgereden/toegereden;

Artikel 285 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 05 juli 2011 te Haps, gemeente Cuijk,, in elk geval in

Nederland, een personenauto (Mazda 323 met kenteken [kenteken1]) heeft verworven,

voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het

verwerven of het voorhanden krijgen van die auto wist, of redelijkerwijze

moest vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

Artikel 416/417bis Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 05 juli 2011 te Cuijk, althans in het arrondissement

's-Hertogenbosch, opzettelijk en wederrechtelijk een of meerdere hekwerken

en/of omheiningen en/of afrasteringen, in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan [slachtoffer2] en/of [slachtoffer3], in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of

onbruikbaar gemaakt;

Artikel 350 Wetboek van Strafrecht

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is.

De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen.

Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsbeslissing. (partiële vrijspraak feit 1 primair en feit 2)

Voor wat betreft de onder 1 primair tenlastegelegde poging tot moord is de rechtbank met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat op grond van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld dat verdachte na (enig moment van) kalm beraad en rustig overleg met opzet op hoofdagent [slachtoffer1] is ingereden, zodat verdachte van poging tot moord dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank acht de onder 2 tenlastegelegde opzetheling niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte ook voor dat onderdeel van de tenlastelegging behoort te worden vrijgesproken. Op grond van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan niet worden vastgesteld dat verdachte wist dat de personenauto van diefstal afkomstig was op het moment dat hij deze voorhanden kreeg.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.1

Inleiding.

Op 5 juli 2011 omstreeks 00.47 uur wordt verdachte rijdende in een personenauto (Mazda 323, met kenteken [kenteken1]) door de politie staandegehouden voor een algemene verkeerscontrole op de Oeffeltseweg in Haps in de gemeente Cuijk. Toen er naar zijn rijbewijs werd gevraagd, is hij er met hoge snelheid vandoor gegaan, waarna een achtervolging door meerdere politiewagens van ruim een half uur volgde. Tijdens de achtervolging werd duidelijk dat de personenauto van het merk Mazda, type 323, met kenteken [kenteken1], als gestolen geregistreerd stond.2/3

Ter hoogte van de rotonde aan de Bosweg/Wanroijseweg in Mill heeft verbalisant [slachtoffer1] een opvallend politievoertuig op de weg geplaatst om de bestuurder tot stoppen te dwingen. De blauw/witte zwaailampen, de sirenes en het politietransparant met de woorden "STOP POLITIE" van het politievoertuig stonden aan. Verbalisanten [verbalisant1] en [slachtoffer1] zijn uit het politievoertuig gestapt. Verdachte reed met hoge snelheid op de weghelft waar [slachtoffer1] stond/liep. [slachtoffer1] kon net op tijd kon wegspringen in de richting van de berm om een aanrijding met de personenauto te voorkomen.4/5/6

Verdachte reed vervolgens in de bebouwde kom van Sint Hubert en daarna in het centrum van Cuijk met hoge snelheid meerdere malen tegen het verkeer in en is meerdere malen uitgeweken voor de stilstaande politieauto's die trachtten de personenauto te doen stoppen. In de gemeente Cuijk is verbalisant [verbalisant2], met zijn politievoertuig tegen de linkerachter- zijde van de personenauto aangereden, om hem te doen stoppen. Verbalisanten zagen dat verdachte daarop gas gaf en bij de Gildekamp in Cuijk door een omheining van een parkeerplaats reed. Even later reed verdachte met de personenauto door de afrastering van een weiland in Cuijk en kwam uiteindelijk tot stilstand in een sloot/greppel. Vervolgens is de bestuurder aangehouden.7/8/9/10

Hiervoor genoemde feiten kunnen op grond van de gebruikte bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de onder 1 tenlastegelegde poging doodslag, de onder 2 tenlastegelegde opzetheling en de onder 3 tenlastegelegde vernieling wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

Vrijspraak van de onder 1 primair tenlastegelegde poging doodslag en subsidair tenlastegelegde bedreiging, aangezien er geen sprake is geweest van de voor deze feiten vereiste opzet.

Vrijspraak van de onder 2 tenlastegelegde heling. Het bewijs ontbreekt dat verdachte wist of kon vermoeden dat de personenauto waarin hij reed, van diefstal afkomstig was.

Ten aanzien van de onder 3 tenlastegelegde vernieling refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte opzettelijk op verbalisant [slachtoffer1] is ingereden.

Ten aanzien van de onder 2 tenlastegelegde schuldheling ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte kon vermoeden dat de personenauto waarin hij reed van diefstal afkomstig was.

Aan verdachte is onder 1 primair tenlastegelegd poging doodslag op hoofdagent [slachtoffer1]. De rechtbank kan noch uit de verklaringen van verdachte noch uit overige in het dossier aanwezige stukken afleiden dat de verdachte de bedoeling had [slachtoffer1] van het leven te beroven. Daarom dient onderzocht te worden of er sprake is van voorwaardelijk opzet, gericht op de dood van [slachtoffer1].

De norm die geldt voor voorwaardelijk opzet is of de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het gevolg zou intreden. Ofwel: heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op dat gevolg aanvaard.

De rechtbank dient te onderzoeken of uit de inhoud van het beschikbare bewijsmateriaal boven iedere redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat door zijn handelen hoofdagent [slachtoffer1] zou kunnen worden aangereden of geraakt en dientengevolge zou kunnen overlijden.

Voor het bewijs van voorwaardelijk opzet is de aard van de gedragingen en de omstandig- heden waaronder deze zijn verricht, gelet op de algemene ervaring, bepalend.

De rechtbank is van oordeel dat vastgesteld kan worden dat verdachte met de personenauto zodanig hard en roekeloos heeft gereden tijdens de achtervolging door de politie, dat hij door dat rijgedrag bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat bij het passeren van het politievoertuig, hij [slachtoffer1] zou aanrijden en die [slachtoffer1] dientengevolge zou komen te overlijden. De rechtbank acht daarom opzet om hoofdagent [slachtoffer1] van het leven te beroven in voorwaardelijke zin aanwezig.

De rechtbank merkt in dit verband op dat verdachte op de vlucht was voor de politie en

verklaart dat hij dacht dat de politie wel zou stoppen op het moment dat het gevaarlijk werd.

Het door de verbalisanten beschreven rijgedrag is naar het oordeel van de rechtbank van

roekeloze aard. Verdachte weigert de auto te stoppen en rijdt met hoge snelheid over de weg. Uit het dossier volgt dat een aantal verkeersdee1nemers een aanrijding met verdachte

enkel heeft weten te voorkomen door hun auto in de berm te rijden. Hieruit volgt temeer dat

verdachte zich in zijn vlucht voor de politie van de aanwezigheid van andere verkeersdeel- nemers niets heeft aangetrokken. Op enig moment ziet verdachte de politieauto op de weg staan. Verdachte rijdt met onverminderd hoge snelheid in de richting van de politieauto. Verdachte remt op geen enkel moment af voor de auto. [slachtoffer1] en diens collega verlaten de auto om een aanrijding te voorkomen. De rechtbank kan de raadsvrouw niet volgen in haar stelling dat het verlaten van de politieauto door [slachtoffer1] in dit verband een dollemansactie was. Ondanks het feit dat de politieauto zich midden op de weg bevond teneinde verdachte te dwingen tot stilstand te komen reed hij onverminderd hard in de richting van de politieauto. De actie van [slachtoffer1] was er op gericht zich aan het gevaar dat op hem afkwam te onttrekken. Enkel verdachte is verantwoordelijk voor zijn roekeloze rijgedrag. Met dit rijgedrag neemt hij op de koop toe dat aanwezige weggebruikers mogelijk anders reageren dan hij voor ogen had. Met de door verdachte gereden snelheid (naar eigen zeggen 140 à 150 kilometer per uur) was verdachte in elk geval niet meer in staat om adequaat te reageren op (onverwacht) gedrag van medeweggebruikers. Hiermee heeft verdachte de aanmerkelijke kans op een aanrijding met dodelijke afloop willens en wetens aanvaard.

Ten aanzien van feit 2.

Verdachte stelt dat hij de personenauto had geleend en dat hij bij het voorhanden krijgen van de personenauto niet wist of kon vermoeden dat deze personenauto van diefstal afkomstig was.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Verdachte heeft verklaard dat hem door de persoon van wie hij de personenauto had geleend is verteld dat de personenauto 'niet uit Nijmegen of het zuiden van het land kwam'. Verdachte heeft vervolgens nagelaten daarover nader bij die persoon te informeren waarom dat werd gezegd. Onder de gegeven omstandigheden heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank in aanmerkelijke mate verwijtbaar onvoorzichtig gehandeld en had hij redelijkerwijs kunnen vermoeden dat de personenauto van diefstal afkomstig was.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

1.

op 05 juli 2011 in het arrondissement 's-Hertogenbosch, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer1], hoofdagent van politie Brabant-Noord, van het leven te beroven, met dat opzet met hoge snelheid met een personenauto (Mazda 323 met kenteken [kenteken1]) op die [slachtoffer1] is ingereden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.

op 05 juli 2011 te Haps, gemeente Cuijk, een personenauto (Mazda 323 met kenteken [kenteken1]) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die auto redelijkerwijze moest vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

3.

op 05 juli 2011 te Cuijk, opzettelijk en wederrechtelijk een of meerdere hekwerken

en/of omheiningen en/of afrasteringen geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer2] en/of [slachtoffer3], heeft vernield.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Motivering van de beslissing.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht bewezen de onder 1 tenlastegelegde poging doodslag, de onder 2 tenlastegelegde opzetheling en de onder 3 tenlastegelegde vernieling en heeft gevorderd verdachte daarvoor te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met daarbij als bijzondere voorwaarden dat verdachte zich gedurende voornoemde proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering, ook als dit inhoudt dat verdachte zich klinisch laat behandelen in de FVK van de Piet Roordakliniek te Apeldoorn en zich aansluitend ambulant laat behandelen bij de verslavingsreclassering van GGZ Iriszorg te Arnhem.

- een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (bromfietsen daaronder begrepen) voor de duur van 5 jaar.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd de onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen te onttrekken aan het verkeer.

Het standpunt van de verdediging

In geval van een veroordeling verzoekt de verdediging verdachte een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op te leggen voor de duur niet langer dan het voorarrest, alsmede een voorwaardelijke vrijheidsstraf met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd onder toezicht van Reclassering Nederland laat behandelen door de Piet Roordakliniek dan wel soortgelijke instelling, voor diens verslavingsproblematiek.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde

strafbare feiten en in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Strafverzwarend acht de rechtbank het zeer brutale en gewelddadige karakter van de gepleegde strafbare gedraging zoals onder 1 bewezen is verklaard. Door zo te handelen is een zeer groot en levensbedreigend gevaar voor het slachtoffer en ook overigens de overige weggebruikers in het leven geroepen. Een dergelijk uiterst gewelddadige handelwijze betekent een ernstige aantasting van de lichamelijke integriteit en persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer, hetgeen niet zelden psychische klachten tot gevolg heeft. Verdachte heeft zich om dit alles kennelijk volstrekt niet bekommerd.

Strafverzwarend is ook dat uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij een zeer actieve veelpleger is. Verdachte is veelvuldig veroordeeld, hetgeen hem er niet van weerhoudt opnieuw strafbare feiten te plegen.

Ten aanzien van de persoon van verdachte zal de rechtbank bij de beslissing over een

passende afdoening in het bijzonder rekening houden met de omstandigheid dat uit het

Pro Justitia psychiatrisch onderzoek van verdachte blijkt dat de gepleegde strafbare

gedraging zoals onder 1 en 3 bewezen is verklaard, in licht verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend. Psychiater dr. E.D.M. Masthoff constateert in zijn rapportage van 4 september 2011 dat bij verdachte sprake is van alcoholmisbruik, van cannabisafhankelijk- heid en van cocaïneafhankelijkheid. Zijn persoonlijkheid herbergt enige afhankelijke en antisociale kwetsbaarheden zonder dat voldaan wordt aan de diagnostische criteria voor een persoonlijkheidsstoornis.

Zonder interventie acht de psychiater het risico op recidive delictgedrag zeer hoog.

Geadviseerd wordt verdachte een klinische behandeling te laten ondergaan primair gericht op zijn verslavingsproblematiek en dat hij aansluitend ambulante nazorg dient te ondergaan gericht op terugvalpreventie en tevens voorziend in sociaal-maatschappelijke steun en begeleiding.

Voorts wordt bij de beslissing over de straf rekening gehouden met het omtrent verdachte uitgebracht reclasseringsadvies van 19 december 2011. De Reclassering adviseert dat verdachte wordt verplicht om zich voor zijn verslaving en gedragsproblematiek laat behandelen in de FVK van de Piet Roordakliniek te Apeldoorn of een soortgelijke instelling en aansluitend ambulante nazorg dient te ondergaan. Verder zal de rechtbank rekening houden met de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die uit het reclasseringsrapport naar voren zijn gekomen.

Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat een aanzienlijke onvoorwaardelijke gevangenisstraf noodzakelijk is om verdachte het verkeerde van zijn handelen te laten inzien en hem en anderen duidelijk te maken dat de samenleving dit gedrag niet tolereert.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

Daarnaast acht de rechtbank het noodzakelijk dat verdachte zich na het ondergaan van zijn onvoorwaardelijke gevangenisstraf nog geruime tijd houdt aan de aanwijzingen van de reclassering en zich klinisch en ambulante laat behandelen. Om dat te verzekeren zal de rechtbank ook een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen met een proeftijd van 2 jaar.

Deze straf zal niet worden tenuitvoergelegd tenzij de rechter later anders mocht gelasten,

op grond dat veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, of ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.

De inbeslaggenomen goederen.

De rechtbank zal de teruggave aan de rechthebbende(n) gelasten van de onder verdachte inbeslaggenomen goederen vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder de nummers 1 tot en met 10.

Naar het oordeel van de rechtbank verzet het belang van strafvordering zich niet meer tegen de teruggave daarvan.

De vordering van de benadeelde partijen.

Door de benadeelde partij [slachtoffer1] is een voegingsformulier ingediend met een vordering voor immateriële schade van € 300,-, ten gevolge van het aan verdachte onder 1 tenlastegelegde en bewezenverklaarde strafbare feit.

Door de benadeelde [betrokkene1] is een voegingsformulier ingediend met een vordering

van € 1550,- voor materiële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening, ten gevolge van het aan verdachte onder 2 tenlastegelegde en bewezenverklaarde strafbare feit.

Door de benadeelde [betrokkene2] is een voegingsformulier ingediend met een vordering van

€ 567,44 voor materiële schadevergoeding, ten gevolge van het aan verdachte onder 2 tenlastegelegde en bewezenverklaarde strafbare feit.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer1] volledig toe te wijzen, met daarbij de schadevergoedingsmaatregel ingevolge artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De officier van justitie heeft gevorderd de benadeelde partijen [betrokkene1] en [betrokkene2] niet-ontvankelijk te verklaren in hun vordering, aangezien er onvoldoende causaal verband is tussen de onder 2 bewezenverklaarde helingshandeling en de gevorderde schade, om te kunnen aannemen dat de benadeelden schade hebben geleden ten tengevolge van de helingshandeling.

De rechtbank acht de gevorderde immateriële schade van € 300,-, van [slachtoffer1] in haar

geheel toewijsbaar. Het incident heeft een grote emotionele impact gehad op [slachtoffer1] en gelet op deze gevolgen is een vergoeding van de geleden immateriële schade op zijn plaats.

De rechtbank acht de vordering van [betrokkene1] eveneens in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening. De rechtbank overweegt daartoe dat het verdachte is geweest die de schade aan de personenauto van [betrokkene1] heeft veroorzaakt door hiermee door een omheining en vervolgens de sloot in te rijden. De rechtbank ziet voldoende causaal verband tussen de gevorderde schade en de onder 3 bewezenverklaarde vernieling.

De rechtbank zal de benadeelde partij [betrokkene2] niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien naar het oordeel van de rechtbank deze schade niet een rechtstreeks gevolg is van de 2 bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank zal, nu deze vordering niet wordt toegewezen, de benadeelde partij [betrokkene2] veroordelen in de kosten. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij [slachtoffer1] en [betrokkene1] tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De rechtbank en zal voor de toegewezen bedragen van [slachtoffer1] en [betrokkene1] tevens

de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat

schadevergoeding aan de slachtoffers bevordert.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

De toegepaste wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14 b, 14c, 24c, 27, 36f, 45, 57, 287, 350 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 179 en 179a van de Wegenverkeerswet 1994 .

DE UITSPRAAK

De rechtbank.

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1 primair:

poging tot doodslag.

T.a.v. feit 2:

schuldheling.

T.a.v. feit 3:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander

toebehoort, vernielen.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en bijkomende straf.

- een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek overeenkomstig artikel

27 Wetboek van Strafrecht, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd

van 2 jaren.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat verdachte zich gedurende voornoemde proeftijd zal gedragen naar de

aanwijzingen hem te geven door of namens Reclassering Nederland (GGZ ERW Novadic-Kentron Breda, gevestigd an de Verlengde Poolseweg 2, 4818 CL Breda, telefoonnummer 076-5236300; briefnr. VR/11/4180/SW/mb), zolang deze instelling zulks noodzakelijk acht, ook als dit inhoudt dat hij zich dient te melden bij de

verslavingsreclassering van GGZ Iriszorg te Arnhem of soortgelijke instelling voor een ambulante behandeling.

Verleent aan de Reclassering voornoemd de opdracht als bedoeld in artikel 14 d

van het Wetboek van Strafrecht.

2. dat verdachte zich klinisch laat behandelen in de FVK van de Piet Roordakliniek te Apeldoorn of soortgelijke instelling, voor een maximale termijn van 1 jaar, of zoveel korter als de leiding van genoemde inrichting in overleg met de reclassering wenselijk acht.

- ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (bromfietsen daaronder begrepen) voor de duur van 2 jaar.

Legt op de volgende maatregelen.

T.a.v. feit 1 primair:

- Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer1] van een bedrag van € 300,- immateriële schadevergoeding, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 dagen hechtenis.

T.a.v. feit 3:

- Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [betrokkene1] van een bedrag van € 1550,- materiële schadevergoeding, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 dagen hechtenis.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalings-verplichtingen niet op.

Beslissing op de inbeslaggenomen goederen.

- gelast de teruggave aan de rechthebbende(n) van de onder verdachte inbeslaggenomen goederen vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder de nummers 1 tot en met 10.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer1] (feit 1).

- Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer1] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 300,- immateriële schadevergoeding.

- Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil.

- Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [betrokkene1] (feit 3).

- Wijst de vordering van de benadeelde partij [betrokkene1] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 1550,- materiële schadevergoeding.

- Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

- Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

- Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [betrokkene2]

- Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [betrokkene2] in haar vordering.

- Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. S.J.W. Hermans, voorzitter,

mr. H.H.E. Boomgaart en mr. W.T.A.M. Verheggen, leden,

in tegenwoordigheid van M.P.M. van Goethem, griffier,

en is uitgesproken op 24 januari 2012.

De rechter mr. W.T.A.M. Verheggen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 In de voetnoten wordt verwezen -tenzij anders vermeld- naar het proces-verbaal van de politie regio Brabant Noord, District

Maas en Leijgraaf, Districtelijke Opsporing, met procesverbaalenummer PL21ZS 2011069899 en afgesloten op 11 augustus

2011, aantal doorgenummerde bladzijden 1-75.

2 Proces-verbaal van bevindingen verbalisanten [verbalisant3] en [verbalisant4] d.d. 5 juli 2011, bladzijden 9-11.

3 Proces-verbaal van aangifte diefstal personenauto door [betrokkene2] d.d. 29 juni 2011, bladzijden 39-44

4 Proces-verbaal van aangifte verbalisant [slachtoffer1] d.d. 5 juli 2011, bladzijden 12-15.

5 Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 5 juli 2011, bladzijden 62-64

6 Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 5 juli 2011, bladzijden 65-68

7 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant2] en [verbalisant5] d.d. 5 juli 2011, bladzijden 16-18

8 Proces-verbaal aanhouding verdachte d.d. 5 juli 2011, bladzijden 53-54

9 Proces-verbaal van aangifte vernieling [slachtoffer3] d.d. 5 juli 2011, bladzijden 33-34.

10 Proces-verbaal van aangifte vernieling [slachtoffer2] d.d. 5 juli 2011, bladzijden 30-31.

14

Parketnummer: 01/845257-11

[verdachte]


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature