Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Afvalstoffenbelasting. Artikelen 12, lid 2, en 18, lid 3, Wbm (tekst 2004). Par. 6.1.1.5 Leidraad milieubelastingen. Artikelen 5c en 5e Uitv.besl. Wbm. Begrip bouwstof. Bepaling van de volumieke massa.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



20 januari 2012

nr. 11/00292

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 7 december 2010, nr. 10/00028, betreffende een aan X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde naheffingsaanslag in de afvalstoffenbelasting en de daarbij gegeven boetebeschikking.

1. Het geding in feitelijke instanties

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2004 tot en met 31 december 2004 een naheffingsaanslag in de afvalstoffenbelasting opgelegd, alsmede een boete. De naheffingsaanslag en de boetebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

De Rechtbank te Arnhem (nr. AWB 08/1661) heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd en de aanslag alsmede de boete verminderd.

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Zij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.

Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De Staatsecretaris heeft het incidentele beroep beantwoord en in het principale beroep een conclusie van repliek ingediend.

Belanghebbende heeft in het principale beroep een conclusie van dupliek ingediend en in het incidentele beroep een conclusie van repliek.

3. Uitgangspunten in cassatie

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende exploiteerde in het onderhavige jaar (2004) een inrichting als bedoeld in artikel 12, lid 1, letter c, van de Wet belastingen op milieugrondslag (tekst 2004; hierna: de Wet). In dat jaar is onder meer grond afkomstig van een saneringslocatie te Zutphen aangevoerd. In opdracht van de provincie R zijn door B B.V. en E B.V. partijen van de hiervoor bedoelde grond gekeurd. De resultaten daarvan zijn per keuring neergelegd in een rapport.

Op verzoek van belanghebbende heeft het college van Gedeputeerde Staten van de provincie R (hierna: GS) deze rapporten op de voet van artikel 9, lid 7, in verbinding met artikel 3, lid 2, aanhef en letter b, van het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming (hierna: het Bouwstoffenbesluit) beoordeeld en de gekeurde partijen grond aangemerkt als zogeheten categorie 1-bouwstoffen in de zin van het Bouwstoffenbesluit.

3.1.2. Op grond van de uitkomsten van een bij belanghebbende ingesteld boekenonderzoek heeft de Inspecteur zich op het

standpunt gesteld dat de hiervoor in 3.1.1 bedoelde gekeurde partijen grond (hierna: de gekeurde grond) moeten worden aangemerkt als een afvalstof bedoeld in artikel 12, lid 1, letter a, van de Wet. Tevens heeft hij het standpunt ingenomen dat belanghebbende ter zake van de afgifte aan haar inrichting van een aantal andere partijen afvalstoffen (hierna: de overige afvalstoffen) ten onrechte afvalstoffenbelasting heeft voldaan naar het verlaagde tarief genoemd in artikel 18, lid 2, van de Wet, omdat geen sprake is van afvalstoffen met een volumieke massa van meer dan 1100.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de gekeurde grond op grond van het beleid neergelegd in onderdeel 6.1.1.5 van de Leidraad milieubelastingen 2003 respectievelijk de Leidraad milieubelastingen 2004 (hierna gezamenlijk aangeduid als: de Leidraad) niet kan worden behandeld als een afvalstof bedoeld in artikel 12, lid 1, letter a, van de Wet. Op die grond heeft het Hof de naheffingsaanslag verminderd. Met betrekking tot de overige afvalstoffen heeft het Hof verworpen het standpunt van belanghebbende dat artikel 5 van de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag (tekst 2004; hierna: Urm) onverbindend is.

4. Beoordeling van het in het principale beroep voorgestelde middel

4.1. Het middel richt zich tegen het hiervoor in 3.2 als eerste vermelde oordeel van het Hof. Het Hof heeft dit oordeel gegrond op het door hem onderschreven oordeel van de Rechtbank dat GS als bevoegd gezag voor de inrichting op grond van de hiervoor in 3.1.1 genoemde rapporten hebben geconcludeerd dat de gekeurde grond voldoet aan de normen van het Bouwstoffenbesluit voor categorie 1-bouwstof. Dit oordeel wordt door het middel niet bestreden. Het middel betoogt evenwel dat de gekeurde grond desondanks niet, zoals het Hof heeft geoordeeld, op grond van onderdeel 6.1.1.5 van de Leidraad als afvalstof kan worden aangemerkt, omdat de in dat onderdeel opgenomen goedkeuring is beperkt tot bouwmaterialen die zijn voorzien van een certificaat of partijkeuring en de hiervoor in 3.1.1 bedoelde keuringen niet als certificaat of een partijkeuring zijn aan te merken.

4.2.1. Volgens de beleidsregel neergelegd in onderdeel 6.1.1.5 van de Leidraad kan worden aangenomen dat alle stoffen, preparaten en producten die aan een stortplaats worden aangeboden, afvalstoffen zijn, tenzij het gaat om materialen die door de stortplaats worden aangeschaft voor bedrijfsprocessen of investeringen, zoals het tot stand brengen van voorzieningen op de stortplaats. Voor zover het daarbij steenachtige materialen betreft, gaat het dan om alle materialen die voldoen aan de normen van het Bouwstoffenbesluit, als bouwmateriaal (met certificaat of partijkeuring) worden geleverd en als bouwstof worden toegepast. Deze 'primaire' en 'secundaire' bouwstoffen, waaronder worden verstaan bouwstoffen die voldoen aan het Bouwstoffenbesluit, worden niet als afvalstoffen aangemerkt, aldus voormeld onderdeel 6.1.1.5.

4.2.2. Uit bovenstaande passage in onderdeel 6.1.1.5 van de Leidraad kan niet worden afgeleid dat, zoals het middel betoogt, voor de bouwstoffen waarvoor het desbetreffende beleid is bedoeld, als zelfstandig vereiste zou gelden dat zij met een certificaat of een partijkeuring zijn geleverd. In de hiervoor in 4.2.1 als laatste weergegeven volzin wordt de beleidsregel aldus toegespitst dat zij geldt voor alle voor het eerder omschreven doel aangeschafte en toegepaste bouwstoffen die voldoen aan het Bouwstoffenbesluit. Een beperking als door het middel aanwezig geacht, wordt daarbij niet aangebracht. Het middel faalt derhalve.

5. Beoordeling van de in het incidentele beroep aangevoerde klacht

5.1. De klacht strekt ten betoge dat artikel 5, lid 4, Urm onverbindend is en dat om die reden bij de bepaling van de volumieke massa van een afvalstof, en daarmee bij de beantwoording van de vraag of het verlaagde tarief bedoeld in artikel 18, lid 2, aanhef en letter c, van de Wet van toepassing is, niet moet worden uitgegaan van het in artikel 5, lid 4, Urm bedoelde volume (het met het registratienummer van de container, kipwagen of het vaartuig corresponderende volume) maar van het volume van de afvalstoffen in losse vorm.

5.2. Ingevolge artikel 18, lid 2, aanhef en letter c, van de Wet geldt een verlaagd tarief voor afvalstoffen met een volumieke massa van meer dan 1100. Onder volumieke massa dient volgens artikel 12, lid 1, letter i, van de Wet te worden verstaan: gewicht per volume-eenheid uitgedrukt in kilogram per kubieke meter. Op grond van artikel 18, lid 3, van de Wet kunnen bij algemene maatregel van bestuur voorwaarden worden gesteld met betrekking tot de toepassing van artikel 18, lid 2, van de Wet. Deze voorwaarden zijn neergelegd in onder meer de artikelen 5c en 5e van het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag (tekst 2004; hierna: Ubm).

Artikel 5c Ubm stelt als voorwaarde dat de afvalstoffen worden aangevoerd in een container, een kipwagen, een vaartuig of een big bag waarvan de inhoud in kubieke meters op de in dat artikel voorgeschreven wijze is berekend en op het transportmiddel is vermeld. Artikel 5e Ubm houdt in dat voor de bepaling van het verschuldigde tarief van de afvalstoffenbelasting over de aangevoerde afvalstoffen te allen tijde de inhoud wordt toegepast zoals die op de in artikel 5c Ubm voorgeschreven wijze op het transportmiddel is vermeld. Blijkens de Nota van toelichting bij het Koninklijk besluit van 19 december 2000 tot wijziging van het Ubm (Stb. 2000, 606, blz. 9) is artikel 5e Ubm opgenomen om te voorkomen dat afvalstoffen worden aangevoerd in half gevulde containers, laadbakken, laadruimen of big bags. Met de regel dat voor het bepalen van de volumieke massa te allen tijde uit wordt gegaan van het volume zoals dat op de container, de laadbak, de kipwagen of de big bag is vermeld, is beoogd discussies over een mogelijk onjuist gehanteerd vulpercentage te voorkomen.

5.3. In de hiervoor in 5.2 vermelde bepalingen van de Wet en het Ubm, in onderlinge samenhang bezien, ligt besloten dat voor de toepassing van het verlaagde tarief van artikel 18, lid 2, letter c, van de Wet de volumieke massa moet worden bepaald aan de hand van - wat de component volume-eenheid in de zin van de definitie van artikel 12, lid 1, letter i, van de Wet betreft - de kubiekemeterinhoud van het transportmiddel waarin de afvalstof wordt aangevoerd. Deze conclusie kan worden bereikt zonder acht te slaan op het in gelijke zin luidende artikel 5, lid 4, Urm, zodat wat er zij van de aan de klacht ten grondslag liggende stelling dat laatstgenoemde bepaling geen uitwerking is van artikel 15, lid 2, van de Wet en bijgevolg rechtsgrondslag ontbeert, die stelling belanghebbende niet kan baten. De klacht kan derhalve niet tot cassatie leiden.

6. Proceskosten

In het principale beroep zal de Staatssecretaris van Financiën worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Wat betreft het incidentele cassatieberoep acht de Hoge Raad geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart beide beroepen in cassatie ongegrond, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1748 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, P. Lourens, E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2012.

Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 448.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature