< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Verweer t.a.v. begrippen ‘tijdstip’ en ‘datum’ in artikel 2 lid 1 onder e OLW. De stelling dat de term ‘tijdstip’ dusdanig strikt dient te worden geïnterpreteerd dat ook een tijdsaanduiding dient te worden vermeld vindt naar het oordeel van de rechtbank geen steun in de wetsgeschiedenis noch in de jurisprudentie van deze rechtbank.

Uitspraak



RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/706910-11

RK nummer: 11/7131

Datum uitspraak: 3 januari 2012

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 9 november 2011 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 16 september 2011 door de Onderzoeksrechter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van de opgeëiste persoon:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [1985],

volgens de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en verblijvend op het adres zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

opgegeven verblijfadres [verblijfadres] [verblijfplaats],

thans gede¬tineerd in het Huis van Bewaring ‘Noordsingel’ te Rotterdam,

hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 20 december 2011. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. A.W. Grijseels, advocaat te Rotterdam.

2. Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3. Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsbevel bij verstek van 16 september 2011, uitgevaardigd door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen (België).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schul¬dig heeft gemaakt aan een naar het recht van België strafbaar feit.

Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB en in een aanvullende brief van 23 november 2011 van de uitvaardigende autoriteiten. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4. Genoegzaamheid der stukken

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gewezen op de verplichte gegevens van artikel 2 lid 1 onder e OLW, welk een EAB dient te bevatten. Uit dit onderdeel blijkt dat een EAB een beschrijving van de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd dient te bevatten met vermelding van het tijdstip. In onderdeel e) van het EAB wordt alleen een datum genoemd, te weten 28 juni 2010. Nu ‘tijdstip’ en ‘datum’ twee verschillende aanduidingen zijn, kan niet zonder meer worden gesteld dat de feiten genoegzaam zijn omschreven.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft aangegeven de visie van de verdediging niet te volgen. De gebezigde term ‘tijdstip’ in artikel 2 lid 1 onder e OLW dient te worden gelezen als datum. Het gaat er om dat de opgeëiste persoon weet wat hem wordt verweten.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank volgt het betoog van de raadsman niet. De stelling van de raadsman dat de term ‘tijdstip’ dusdanig strikt dient te worden geïnterpreteerd dat ook een tijdsaanduiding dient te worden vermeld, vindt naar het oordeel van de rechtbank geen steun in de Memorie van Antwoord I bij de Overleveringswet (Kamerstukken I 2003/04, 29, nr. C, p. 8) noch in de jurisprudentie van deze rechtbank.

De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die omschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen. In de onderhavige zaak geldt het volgende.

Uit de omschrijving van het feit in onderdeel e) van het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon wordt verdacht van betrokkenheid bij een diefstal op een juwelier in Antwerpen op 28 juni 2010. De opgeëiste persoon zou gouden kettingen ter waarde van € 20.000,00 hebben ontvreemd.

Naar het oordeel van de rechtbank bevat het EAB ten aanzien van dit feit een genoegzame omschrijving van het hiervoor genoemde strafbare feit, alsmede van de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij het feit. Het is hierdoor voor de opgeëiste persoon voldoende duidelijk waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. De omschrijving van het feit is voorts zodanig dat het voor de rechtbank mogelijk is te onderzoeken of aan alle voorwaarden voor de overlevering is voldaan. De rechtbank acht de specialiteit voldoende gewaarborgd.

Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

5. Strafbaarheid

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de in artikel 7, lid 1, onder a, 2e OLW gestelde eisen.

De rechtbank stelt vast dat het feit waarvoor overlevering wordt verzocht, zowel naar het recht van België als naar Nederlands recht strafbaar zijn en dat op dit feit in beide staten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld.

Het feit levert naar Nederlands recht op:

diefstal

6. De garantie als bedoeld in artikel 6, lid 1 OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan en dat deze straf met toepassing van artikel 11 Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983 (Trb. 1983, 74, hierna VOGP) zal kunnen worden omgezet.

De Procureur des Konings heeft bij aanvullend schrijven van 29 november 2011 de volgende garantie gegeven:

Met verwijzing naar uw verzoek bij faxbericht van 15.11.2011, inzake het verzoek om uitlevering op grond van het EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL lastens de genaamde [opgeëiste persoon], geboren op [1985] te [geboorteplaats] (Suriname), breng ik U als volgt ter kennis.

Gelet op de Nederlandse nationaliteit van de opgeëiste persoon ga ik hierbij akkoord om de uit te leveren persoon, in geval van een veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of indien er een maatregel welke vrijheidsbeneming met zich brengt, wordt opgelegd in België, naar Nederland over te brengen (TERUGKEERGARANT1E).

Ik deel U eveneens mede dat mijn ambt tevens instemt met de omzetting in Nederland van de in België op te leggen vrijheidstraf zoals bedoeld in artikel 11 van het Verdrag inzake overbrenging van gevonniste personen dd. 21 maart 1 983 (OMZETGARANTIE).

Uit artikel 3, eerste lid, aanhef onder e van het VOGP volgt dat deze garantie alleen kan worden ge ëffectueerd, indien het feit ook naar Nederlands recht een strafbaar feit oplevert. Aan deze voorwaarde is voldaan.

Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

7. Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

8. Toepasselijke wetsartikelen

Artikel 310 Wetboek van Strafrecht;

de artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.

9. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Onderzoeksrechter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen (België) ten behoeve van het in België tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. J.J. Bade, voorzit¬ter,

mrs. J.W. Vriethoff en W.H. van Benthem, rech¬ters,

in tegenwoordigheid van mr. S.N. de Jager, grif¬fier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 3 januari 2012.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, lid 2 OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

C


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature