< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Weigering terug te komen van een eerder genomen besluit. Appellant heeft geen (nieuwe) feiten of omstandigheden naar voren gebracht die kunnen leiden tot de conclusie dat hij vervolging in de zin van de Wuv heeft ondergaan.

Uitspraak



11/427 WUV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant], wonende te [woonplaats], Canada (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans: de Pensioen en Uitkeringsraad (hierna: verweerder)

Datum uitspraak: 12 januari 2012

I. PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Pensioen en Uitkeringsraad als bedoeld in die wet. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUV van de PUR.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 20 oktober 2010, kenmerk BZ01194051, BZ01 WUV 000241 (hierna: bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940 1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2011. Appellant is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.E. Eind, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1933 in het toenmalig Nederlands-Indië, heeft in augustus 2002 een aanvraag ingediend om te worden erkend als vervolgde in de zin van de Wuv en burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940 1945 (Wubo), althans om met de vervolgde te worden gelijkgesteld, en om als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor toekenningen op grond van deze wetten.

Bij besluit van 7 maart 2003 is deze aanvraag, wat betreft de Wuv, afgewezen op de grond dat niet kon worden vastgesteld dat appellant vervolging in de zin van deze wet heeft ondergaan en dat zijn oorlogsomstandigheden geen aanleiding geven te onderzoeken of hij met de vervolgde kon worden gelijkgesteld. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddel ingesteld.

1.2. Bij brief van 7 december 2009 heeft appellant opnieuw een aanvraag op grond van de Wuv ingediend. Bij besluit van 16 april 2010, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Daarbij is in hoofdzaak overwogen dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht die, waren zij ten tijde van de eerdere afwijzing bekend geweest, tot een andere beslissing zouden hebben geleid.

2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1. Terecht heeft verweerder de nieuwe aanvraag van appellant aangemerkt als een verzoek om herziening van het besluit van 7 maart 2003 waarbij zijn eerdere aanvraag op grond van de Wuv is afgewezen.

2.2. Ingevolge artikel 61, tweede lid, van de Wuv is verweerder bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door hem gegeven beschikking in het voordeel van de bij die beschikking betrokkene te herzien. Gelet op het karakter van deze discretionaire bevoegdheid kan de Raad het bestreden besluit slechts met terughoudendheid toetsen. Daarbij staat centraal of appellant feiten of omstandigheden in het geding heeft gebracht die aan verweerder bij het nemen van het eerdere besluit niet bekend waren en die dit besluit in een zodanig nieuw licht plaatsen dat verweerder daarin aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan.

2.3. In artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wuv wordt omschreven wat onder vervolging wordt verstaan. Daartoe behoort iedere handeling of maatregel welke tijdens de oorlogsjaren 1940 1945 door of namens de vijandelijke bezettende machten werden gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun ras, geloof, wereldbeschouwing of homosexualiteit, dan wel op grond van hun Europese afkomst of Europees georiënteerde of gezinde instelling, en welke heeft geleid tot vrijheidsberoving door opsluiting in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen, waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd, of tot onderduiken om aan vrijheidsberoving te ontkomen.

2.4. De Raad moet met verweerder vaststellen dat appellant ook thans geen (nieuwe) feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht die kunnen leiden tot de conclusie dat hij vervolging in de zin van de Wuv heeft ondergaan. Dat zijn vader krijgsgevangen is gemaakt en dat hij vervolgens met zijn moeder op straat heeft rondgezworven, Japanners heeft moeten ontwijken en bescherming heeft moeten zoeken in een kamp naar eigen zeggen het 15e bataljon, waar hij niet gevangen werd gehouden zijn geen gebeurtenissen die onder de werking van de Wuv kunnen worden gebracht. Hetzelfde geldt voor de door appellant genoemde bombardementen nabij het vliegveld van Bandoeng. Van de door appellant genoemde verkrachtingen kan, bij het ontbreken van iedere bevestiging, niet worden vastgesteld dat daarbij de in artikel 2 van de Wuv bedoelde omstandigheden een rol hebben gespeeld. Dat appellant regelmatig door Indonesische straatjongens werd uitgescholden om zijn lichte huidskleur, kan evenmin worden aangemerkt als een handeling of maatregel van de bezetter in de zin van die wetsbepaling.

2.5. De Raad begrijpt dat appellant als jongen een angstige tijd heeft doorgemaakt, die bij hem een onuitwisbare indruk moet hebben achtergelaten. Maar hoe ingrijpend de gebeurtenissen ook zijn geweest, zij voldoen niet aan de specifieke eisen die de Wuv stelt.

2.6. Om die reden behoefde verweerder ook geen aanleiding te zien om appellant medisch te laten onderzoeken. Aan zo'n onderzoek komt verweerder pas toe indien is vastgesteld dat sprake is geweest van vervolging in de zin van de wet. Dit is bij appellant niet het geval.

2.7. Het beroep moet dus ongegrond worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2012.

(get.) R. Kooper.

(get.) B. Bekkers.

RB


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature