< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Toekenning WW-uitkering. Hoogte dagloon. De referteperiode is juist vastgesteld. Vanaf 14 oktober 2008 stond vast dat appellante niet op haar werk zou terugkeren omdat zij definitief niet gebonden werd aan haar verplichting om haar arbeid te verrichten. Dat zij, zoals zij naar voren brengt, niet (eenzijdig) op non-actief is gesteld en dat zij met haar werkgever is overeengekomen dat zij na 14 oktober 2008 niet meer op haar werk zou verschijnen, maakt, gelet op de feitelijke situatie, niet dat geen sprake is van arbeidsurenverlies. Uit de loonstroken van appellante, waarop verlof separaat wordt geregistreerd, niet blijkt dat zij verlofdagen heeft opgenomen. De grief van appellante dat de aan haar toegekende ontbindingsvergoeding ten onrechte niet bij de berekening van haar dagloon is betrokken slaagt niet. De ontbindingsvergoeding kan in dit geval niet worden gelijkgesteld met loon. Appellante heeft over de gehele referteperiode loon van haar werkgever ontvangen.

Uitspraak



09/6122 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 29 oktober 2009, 09/852 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 januari 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.J. De Rooij, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2011. Voor appellante is verschenen mr. De Rooij. Voor het Uwv is verschenen mr. P.C.P. Veldman.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 28 januari 2009 heeft het Uwv aan appellante per 2 februari 2009 een uitkering toegekend op grond van de Werkloosheidswet (hierna: WW). Het dagloon waarop deze uitkering is gebaseerd is daarbij vastgesteld op € 44,33.

1.2. Bij besluit van 19 mei 2009 heeft het Uwv het tegen het besluit van 29 januari 2008 gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het dagloon van appellante nader vastgesteld op € 44,98. Het Uwv heeft zich in het besluit op het standpunt gesteld dat het refertejaar correct is vastgesteld, nu het arbeidsurenverlies is ingetreden op 14 oktober 2008. Voorts is gesteld dat de aan appellante betaalde vergoeding wegens ontbinding van haar arbeidsovereenkomst geen loon is in de zin van de Wet financiering sociale verzekeringen en dat deze vergoeding bovendien buiten het refertejaar is betaald.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 19 mei 2009 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, overwogen dat het arbeidsurenverlies van appellante is ingetreden op 14 oktober 2008, zodat de referteperiode door het Uwv terecht is bepaald op de periode 1 oktober 2007 tot en met 30 september 2008. De aan appellante toegekende vergoeding kan niet worden toegerekend aan een periode die binnen de referteperiode ligt, zodat deze vergoeding naar het oordeel van de rechtbank niet bij de berekening van het dagloon kan worden betrokken.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat het refertejaar door het Uwv had moeten worden bepaald op de periode 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008, omdat het arbeidsurenverlies van appellante pas is ingetreden op 1 januari 2009. Met betrekking tot de aan appellante betaalde ontbindingsvergoeding is gesteld dat deze moet worden beschouwd als loon dat in de referteperiode is betaald, zodat dit bij de berekening van het dagloon moet worden meegenomen.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.1. Artikel 16, eerste en derde lid, van de WW luiden:

“1. Werkloos is de werknemer die:

a. ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren, alsmede het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren; en

b. beschikbaar is om arbeid te aanvaarden.

3. Met het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon, bedoeld in het eerste lid, worden gelijkgesteld de inkomsten waarop de werknemer recht heeft in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking, tot aan het bedrag aan loon dat de werknemer zou hebben ontvangen indien de dienstbetrekking door opzegging met inachtneming van de rechtens geldende termijn zou zijn geëindigd. Onder inkomsten als bedoeld in de eerste zin wordt niet verstaan een door de rechter toegewezen vergoeding van proceskosten.

(…)

Het in de eerste zin bedoelde bedrag wordt:

a. indien de dienstbetrekking door opzegging is geëindigd, toegerekend aan de periode onmiddellijk volgend op de datum waarop de dienstbetrekking is opgezegd;

b. indien de dienstbetrekking is geëindigd door ontbinding, toegerekend aan de periode onmiddellijk volgend op de datum van de beschikking tot ontbinding;

c. indien de dienstbetrekking is geëindigd met wederzijds goedvinden, toegerekend aan de periode onmiddellijk volgend op de datum waarop de beëindiging schriftelijk is overeengekomen, dan wel, bij gebrek aan een schriftelijke beëindigingsovereenkomst, aan de periode onmiddellijk volgend op het tijdstip waarop de dienstbetrekking is geëindigd.

(…)”.

4.2.2. Artikel 45, eerste lid, van de WW luidt:

“1. Voor de berekening van de uitkering waarop op grond van dit hoofdstuk recht bestaat wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin het arbeidsurenverlies, bedoeld in artikel 16, eerste lid, is ingetreden, verdiende, doch ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen , met betrekking tot een loontijdvak van een dag.”

4.2.3. Artikel 2, eerste en vijfde lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (hierna: Besluit), luiden:

“1. Voor de toepassing van dit besluit wordt de werknemer geacht zijn loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever van dat loon opgave heeft gedaan.

5. Onder loon worden mede begrepen de inkomsten, bedoeld in artikel 16, derde lid, van de WW , waarop de werknemer recht heeft in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking, voor zover die inkomsten worden toegerekend aan perioden die in het refertejaar vallen.”

4.3. De Raad is met de rechtbank, en op de door haar gebezigde gronden, van oordeel dat de referteperiode door het Uwv, met inachtneming van de artikelen 16 en 45, eerste lid, van de WW , juist is bepaald op de periode 1 oktober 2007 tot en met 30 september 2008. Appellante kan niet worden gevolgd in haar stelling dat de periode van 14 oktober 2008 tot eind december 2008 moet worden beschouwd als of moet worden gelijkgesteld met het opnemen van verlof. Vanaf 14 oktober 2008 stond vast dat appellante niet op haar werk zou terugkeren omdat zij definitief niet gebonden werd aan haar verplichting om haar arbeid te verrichten. Dat zij, zoals zij naar voren brengt, niet (eenzijdig) op non-actief is gesteld en dat zij met haar werkgever is overeengekomen dat zij na 14 oktober 2008 niet meer op haar werk zou verschijnen, maakt, gelet op de feitelijke situatie, niet dat geen sprake is van arbeidsurenverlies. Net als de rechtbank wijst de Raad in dit verband op zijn uitspraken van 26 januari 2005, LJN AS8542, en 4 december 2008, LJN BG8432. De Raad stelt verder vast dat uit de loonstroken van appellante, waarop verlof separaat wordt geregistreerd, niet blijkt dat zij verlofdagen heeft opgenomen.

4.4. De grief van appellante dat de aan haar toegekende ontbindingsvergoeding ten onrechte niet bij de berekening van haar dagloon is betrokken slaagt niet. De ontbindingsvergoeding kan niet worden gelijkgesteld met loon op basis van artikel 2, vijfde lid, van het Besluit. Het vijfde lid is (slechts) bedoeld voor de situatie dat het dagloon negatief zou worden beïnvloed doordat in een refertejaar tijdelijk geen WW-uitkering wordt genoten omdat een (deel van een) toegekende vergoeding, als bedoeld in artikel 16, derde lid, van de WW , aan die periode in het refertejaar zou moeten worden toegerekend. De vergoeding wordt in zoverre immers gelijkgesteld met recht op onverminderde doorbetaling van loon, hetgeen aan het ontstaan van een recht op een WW-uitkering over die periode in de weg staat. Bij appellante doet die situatie zich in de referteperiode niet voor. Zij heeft immers over de gehele referteperiode loon van haar werkgever ontvangen.

4.5. Uit hetgeen is overwogen in 4.3 en 4.4 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, voor zover deze is aangevochten.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2012.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) N.S.A. El Hana.

JL


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature