< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 29 april 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Zuidwest" vastgesteld.

Uitspraak



201006685/1/R1.

Datum uitspraak: 11 januari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], thans haar [rechtsopvolger], wonend te Naarden (hierna: [appellante sub 1]),

2. [appellant sub 2], wonend te Bussum ,

en

de raad van de gemeente Bussum,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 april 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Zuidwest" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellante sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 juli 2010, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 juli 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante sub 1] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 november 2011, waar [appellante sub 1], [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. S.A.B. Boer, advocaat te Amsterdam, en [appellant sub 2], en de raad, vertegenwoordigd door mr. C. Burgemeestre, advocaat te Amsterdam,

C.W. Kuijsten, dr. K.B.J. Steenbakkers en ing . B.I.C. Stolk, allen werkzaam bij de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in een actueel juridisch planologisch kader voor zuidwest Bussum. Het plan is grotendeels conserverend van aard.

Het beroep van [appellante sub 1]

2.2. De raad betoogt dat [appellante sub 1] geen belang meer heeft bij beoordeling van zijn beroep, omdat zijn woning aan de [locatie 1] is verkocht.

2.2.1. [appellante sub 1] betoogt dat hij nog belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep, omdat hij schade heeft geleden als gevolg van het plan. Hij voert aan dat hij zijn woning als gevolg van het plan voor een lagere prijs heeft moeten verkopen. Onder het voorgaande plan heeft [appellante sub 1] een aantal voorlopige koopovereenkomsten gesloten voor een hogere prijs dan hij nu voor het perceel heeft verkregen, zo stelt hij.

2.2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 februari 2007 in zaak nr. 200604193/1) kan er, in een geval als hier aan de orde, procesbelang bestaan indien een appellant stelt schade te hebben gelden ten gevolge van bestuurlijke besluitvorming. Daartoe is vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat deze schade daadwerkelijk is geleden als gevolg van het bestreden besluit. Met de verwijzing naar de voorlopige koopovereenkomsten heeft [appellante sub 1] naar het oordeel van de Afdeling tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt dat hij ten gevolge van het plan schade heeft geleden. Uit de uitspraak van de Afdeling van 12 mei 2004 in zaak nr. 200306478/1 volgt, anders dan de raad betoogt, niet dat [appellante sub 1] aannemelijk dient te maken dat hij een aanvullend bedrag van de koper ontvangt indien deze procedure tot vernietiging van het bestreden plandeel leidt, aangezien [appellante sub 1] zijn betoog dat hij procesbelang heeft, anders dan appellante in de voormelde zaak, niet heeft gebaseerd op het bestaan van een ontbindende voorwaarde in de koopovereenkomst, maar op de omstandigheid dat onder het voorgaande plan de woning volgens hem voor een hogere prijs kon worden verkocht.

2.3. [appellante sub 1] heeft zijn beroepsgrond dat het plan ten onrechte niet de mogelijkheid biedt op straatniveau een garage te realiseren ter zitting ingetrokken.

2.4. [appellante sub 1] betoogt dat [appellante sub 1], in tegenstelling tot andere indieners van zienswijzen, ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze mondeling toe te lichten. Noch [appellante sub 1], noch [rechtsopvolger], die namens haar de zienswijze naar voren heeft gebracht, is uitgenodigd voor de hoorzitting bij de raadscommissie Ruimte, aldus [appellante sub 1].

2.4.1. Er bestaat geen wettelijke verplichting op grond waarvan de indieners van zienswijzen dienen te worden gehoord. Nu de raad in het onderhavige geval een hoorzitting heeft gehouden, lag het uit een oogpunt van zorgvuldigheid in beginsel evenwel in de rede alle indieners van zienswijzen hiervoor uit te nodigen. De raad stelt zich op het standpunt dat [appellante sub 1] bij brief van 1 februari 2010 is uitgenodigd voor de hoorzitting van 16 februari 2010. Bij brief van 1 april 2010 is zij volgens de raad uitgenodigd voor de hoorzitting van 14 april 2010. Deze brieven zijn aan [appellante sub 1] toegezonden, aldus de raad. Ten einde deze stelling te staven heeft de raad een verzendlijst overgelegd, waarop het adres van [rechtsopvolger] is opgenomen. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen [appellante sub 1] heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de procedure tot vaststelling van het plan in zoverre onzorgvuldig is verlopen.

2.5. [appellante sub 1] kan zich niet verenigen met de voor de berekening van de maximale goothoogte in het plan opgenomen maatvoering, voor zover deze betrekking heeft op zijn perceel aan de [locatie 1]. Ten onrechte dient de goothoogte te worden gemeten vanaf het aangrenzende maaiveld, aldus [appellante sub 1]. In het voorgaande plan diende de goothoogte te worden gemeten vanaf de kruin van de weg. Nu het perceel aan de [locatie 1] is gelegen aan een hoger gelegen weg levert de wijze van meten zoals opgenomen in het plan ten onrechte een beperking van de bouwmogelijkheden op voor dit perceel.

2.5.1. Blijkens de verbeelding gelezen in samenhang met artikel 14, lid 14.2.1, onder f, van de planregels bedraagt de maximale goothoogte ter plaatse van het perceel 4 meter.

Ingevolge artikel 2, aanhef en lid 2.3, wordt bij de toepassing van de ze regels voor de bouwhoogte van een bouwwerk gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

Ingevolge artikel 1, lid 1. 54 wordt onder peil verstaan a. voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen: de hoogte van die weg;

b. in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouw zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld.

Blijkens de verbeelding grenst het bouwvlak op het perceel aan de [locatie 1] niet direct aan de weg. Gelet op artikel 2, aanhef en lid 2. 3, gelezen in samenhang met artikel 1, eerste lid 1. 54, onder b, van de planregels dient de bouwhoogte voor het hoofdgebouw op het perceel aan de [locatie 1] derhalve te worden gemeten vanaf het aangrenzende maaiveld. De raad heeft in het verweerschrift uiteengezet dat het volledige perceel inclusief de tuin 2 tot 2,5 meter lager is gelegen dan de aangrenzende weg. De raad acht het gelet hierop wenselijk dat de maximale goothoogte voor de bebouwing op het perceel wordt gemeten vanaf het aangrenzende maaiveld. De Afdeling acht dit niet onredelijk.

Voor zover de gewijzigde wijze van meten een beperking vormt ten aanzien van de maximaal toegelaten goothoogte ten opzichte van het voorgaande plan, overweegt de Afdeling dat in het algemeen geen blijvende rechten kunnen worden ontleend aan een geldend bestemmingsplan. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. De raad heeft uiteengezet dat met de maximale goothoogte is aangesloten bij de maximale goothoogte van de woonbebouwing in de omgeving. Gelet op de kleinschaligheid van deze woonbebouwing acht de raad een maximale goothoogte van meer dan 4 meter, gemeten vanaf het aangrenzend maaiveld, niet wenselijk. Voorts was de ten tijde van de vaststelling van het plan op het perceel aanwezige woning in overeenstemming met de in het plan opgenomen maatvoering en is niet gebleken dat [appellante sub 1] op dat tijdstip concrete plannen had de hoogte van de woning aan te passen. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de wijze van meten zoals opgenomen in het plan ten aanzien van het perceel aan de [locatie 1] onredelijk is.

2.6. [appellante sub 1] betoogt tot slot dat het plan ten onrechte maximaal 1 woning mogelijk maakt. Het voorgaande plan "Franse Kampweg" bood volgens [appellante sub 1] de mogelijkheid ter plaatse maximaal 3 woningen te realiseren. Onvoldoende duidelijk is waarom de bouwmogelijkheden op dit punt zijn beperkt, aldus [appellante sub 1].

2.6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat op grond van de voorschriften van het voorgaande plan "Franse Kampweg" maximaal twee woningen waren toegelaten. Gelet op de vorm en grootte van het perceel is het volgens de raad vanuit ruimtelijke oogpunt niet wenselijk dat ter plaatse twee woningen worden gerealiseerd.

2.6.2. Ingevolge artikel 14, lid 14.2, onder b, van de planregels gelezen in samenhang met de verbeelding mag op het perceel aan de [locatie 1] maximaal 1 woning worden gerealiseerd.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, onder a, van de planvoorschriften bij het voorgaande plan "Franse Kampweg" mochten de woningen binnen de bestemming "Eengezinshuizen" uitsluitend worden gebouwd tot een aantal van drie aanéén. Ingevolge artikel 3, tweede lid, onder b, diende de voorgevelbreedte van een woning tenminste 6 meter te bedragen. Nu de breedte van het perceel aan de [locatie 1] minder dan 18 meter bedraagt, konden onder het voorgaande plan maximaal twee woningen worden gerealiseerd. In zoverre vormt het plan een beperking van de bouwmogelijkheden.

Zoals de Afdeling hiervoor reeds heeft overwogen kunnen in het algemeen een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. De raad heeft uiteengezet het gelet op de vorm van het perceel en de ruimtelijke uitstraling niet langer wenselijk te achten dat ter plaatse van het perceel aan de [locatie 1] twee woningen worden gerealiseerd. Gelet op de huidige eisen uit het Bouwbesluit en de Bouwverordening is het voorts niet goed mogelijk ter plaatse twee woningen te realiseren, aldus de raad. Daarbij acht de raad ook van belang dat op eigen terrein dient te worden voorzien in parkeergelegenheid, hetgeen in het geval van twee woningen het groene karakter van het perceel te veel zal aantasten. Verder is niet gebleken dat [appellante sub 1] ten tijde van de vaststelling van het plan concrete plannen een tweede woning te realiseren. In hetgeen [appellante sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling gelet op het vorenstaande geen grond voor het oordeel dat de raad er niet in redelijkheid voor heeft kunnen kiezen ter plaatse van het perceel aan de [locatie 1] maximaal één woning mogelijk te maken.

2.7. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellante sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Evenmin wordt aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

2.8. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) kan door een belanghebbende bij de Afdeling beroep worden ingesteld tegen een besluit als het aan de orde zijnde.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

De wetgever heeft deze eis gesteld teneinde te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en beroep zou kunnen instellen. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

2.8.1. Het beroep van [appellant sub 2] richt zich onder meer tegen de wijzigingsbevoegdheid 2, zoals opgenomen in artikel 21, lid 21.2.2, van de planregels. De gronden waaraan deze wijzigingsbevoegdheid is toegekend, zijn gelegen op ongeveer 300 meter van het perceel van [appellant sub 2]. Ter zitting is gebleken dat vanaf het perceel geen zicht bestaat op de gronden. Deze afstand is naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij dit planonderdeel betrokken belang aan te nemen. In de door [appellant sub 2] naar voren gebrachte omstandigheid dat beide percelen zijn gelegen in een gebied dat met wijzigingsbevoegdheden zal worden herontwikkeld en dat de herontwikkeling van het perceel van [appellant sub 2] waarschijnlijk zal worden bekostigd door de realisatie van de met wijzigingsbevoegdheid 2 mogelijk gemaakte woningen, bestaat evenmin aanleiding een rechtstreeks bij het planonderdeel betrokken belang aan te nemen. Er is niet meer dan een indirect verband, nu de uitoefening van wijzigingsbevoegdheid 5 niet afhankelijk is gesteld van de uitoefening van wijzigingsbevoegdheid 2. Daarnaast is niet uitgesloten dat wijzigingsbevoegdheid 5 zal worden bekostigd met andere gelden dan de gelden verkregen met de realisatie van de met wijzigingsbevoegdheid 2 mogelijk gemaakte woningen.

De conclusie is dat [appellant sub 2] geen belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bij het betrokken planonderdeel en dat hij daartegen ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro , geen beroep kan instellen. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

2.9. [appellant sub 2] richt zich voorts tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijf" dat ziet op het perceel aan de [locatie 2]. [appellant sub 2] kan zich niet verenigen met de nadere aanduiding "tuincentrum" voor de voorzijde van het perceel. Nu aan de achterzijde van het perceel en aan de omliggende bedrijfspercelen een ruimere bedrijfsbestemming is toegekend, had het in de rede gelegen aan de voorzijde van het perceel eveneens een ruimere bedrijfsbestemming toe te kennen, aldus [appellant sub 2].

2.9.1. De raad heeft uiteengezet dat onder het voorgaande plan "Franse Kampweg" de gronden eveneens uitsluitend waren bestemd voor een tuincentrum. De raad stelt dat niet is gebleken van concrete plannen of redenen waarom een ruimere bedrijfsbestemming voor de voorzijde van het perceel noodzakelijk is. Voorts wijst de raad erop dat voor de achterzijde van het perceel een ruimere bedrijfsbestemming is opgenomen om de bedrijfsactiviteiten met betrekking tot de caravanstalling die [appellant sub 2] daar uitoefent positief te bestemmen.

2.9.2. Blijkens de verbeelding gelezen in samenhang met artikel 3, lid 3.1, onder f van de planregels zijn de gronden aan de voorzijde van het perceel aan de [locatie 2] uitsluitend bestemd voor een tuincentrum.

Blijkens de plankaart bij het voorgaande plan "Franse Kampweg" gelezen in samenhang met artikel 12, eerste lid, van de planvoorschriften van dat plan waren de gronden in dat plan eveneens bestemd voor een tuincentrum. Derhalve heeft het onderhavige plan in zoverre geen wijziging van het planologisch regime tot gevolg. Voorts is niet gebleken van concrete plannen waarvoor een dergelijke wijziging van het planologische regime noodzakelijk zou zijn. De raad heeft tevens uiteengezet dat het, gelet op de aard van omgevingshinder die andere soorten bedrijven tot gevolg zouden kunnen hebben, niet wenselijk is aan dit gedeelte van het perceel zonder meer een ruimere bedrijfsbestemming toe te kennen. Daarbij acht de Afdeling van belang dat dit gedeelte van het perceel is gelegen in de directe nabijheid van woonpercelen. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de nadere aanduiding "tuincentrum" heeft kunnen toekennen aan de voorzijde van het perceel aan de [locatie 2].

2.10. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Bedrijf" dat ziet op het perceel aan de [locatie 2] strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Evenmin wordt aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.11. [appellant sub 2] kan zich voorts niet verenigen met de wijzigingsbevoegdheid 5 die aan het noordelijk deel van het perceel aan de [locatie 2] is toegekend. Nu onvoldoende duidelijk is in welke gevallen en onder welke voorwaarden de wijzigingsbevoegdheid kan worden toegepast, is deze wijzigingsbevoegdheid volgens [appellant sub 2] onvoldoende objectief begrensd. In dit verband betoogt [appellant sub 2] onevenredig in zijn belangen te worden geschaad.

2.11.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de wijzigingsbevoegdheid voldoende objectief is begrensd, nu duidelijk is in welke bestemming de bedrijfsbestemming op het perceel kan worden gewijzigd. Voorts is het toepassingsbereik van de wijzigingsbevoegdheid volgens de raad beperkt.

2.11.2. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro kan in een bestemmingsplan worden bepaald dat het college binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kan wijzigen.

Mede gelet op de rechtszekerheid voor belanghebbenden dient in de wijzigingsbepaling in voldoende mate te worden bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden hiervan gebruik mag worden gemaakt. Een op artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, berustende wijzigingsbevoegdheid dient derhalve in deze beide opzichten door voldoende objectieve normen te worden begrensd. De vraag of een wijzigingsbepaling door voldoende objectieve normen wordt begrensd, hangt af van de omstandigheden van het geval. Hierbij kan ondermeer belang worden gehecht aan de aard van de wijziging, de omvang van het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid ziet en de aanleiding voor het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid.

Ingevolge artikel 21, lid 21.2.5 van de planregels mogen de bestemmingen ter plaatse van de gebiedsaanduiding "Wro-zone-wijzigingsbevoegdheid 5" worden gewijzigd ten behoeve van een groene corridor tussen Bussum en Hilversum. Uit de wijzigingsbevoegdheid blijkt, anders dan de raad stelt, niet in welke bestemming de bestemming van de gronden waaraan de aanduiding "Wro-zone-wijzigingsbevoegdheid 5" is toegekend, kan worden gewijzigd. Evenmin is duidelijk onder welke voorwaarden toepassing kan worden gegeven aan de wijzigingsbevoegdheid van de planregels. Gelet op het vorenstaande is wijzigingsbevoegdheid 5 niet door voldoende objectieve normen begrensd. Dit klemt naar het oordeel van de Afdeling te meer nu de wijzingbevoegdheid rust op een deel van het perceel van [appellant sub 2] en niet is gebleken dat de belangen van [appellant sub 2] bij de vaststelling van de wijzigingsbevoegdheid zijn betrokken.

2.12. Gelet op het vorenstaande is artikel 21, lid 21.2.5 van de planregels vastgesteld in strijd met artikel 3.6, eerste lid, van de Wro . Het beroep is op dit punt gegrond, zodat het besluit tot vaststelling van het plan in zoverre dient te worden vernietigd.

Proceskosten

2.13. Ten aanzien van [appellant sub 2] dient de raad op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellante sub 1] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 2] niet-ontvankelijk, voor zover het is gericht tegen artikel 21, lid 21.2.2 van de planregels;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 2] gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Bussum van 29 april 2010, voor zover dat betrekking heeft op de aanduiding "Wro-zone-wijzigingsbevoegdheid 5" en artikel 21, lid 21.2.5 van de planregels;

IV. verklaart het beroep van [appellante sub 1], thans haar rechtsopvolger [rechtsopvolger], geheel en het beroep van [appellant sub 2] voor het overige ongegrond;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Bussum tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Bussum aan [appellant sub 2] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Brand, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Brand

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2012

575.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature