Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 16 juni 2010 heeft het college aan [vergunninghoudster] ontheffing en reguliere bouwvergunning verleend voor het bouwen van een café en bed & breakfast op het perceel [locatie 1] te Venray.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



201105184/1/H1.

Datum uitspraak: 11 januari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te 's-Gravenhage,

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 29 maart 2011 in zaak nr. 10/1448 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Venray.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 juni 2010 heeft het college aan [vergunninghoudster] ontheffing en reguliere bouwvergunning verleend voor het bouwen van een café en bed & breakfast op het perceel [locatie 1] te Venray.

Bij besluit van 12 oktober 2010 heeft het college voor zover hier van belang het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 maart 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 mei 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 1 juni 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 december 2011, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. S.W. Boot, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door M. Davits en mr. E. Smids, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Centrum" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Centrumdoeleinden - CD - ".

Ingevolge artikel 3.1, aanhef en onder b en h, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn gronden op de plankaart aangewezen voor "Centrumdoeleinden - CD - " bestemd voor gebouwen ten behoeve van horecabedrijven.

In artikel 3.2, aanhef en onder h, is bepaald dat het bebouwingspercentage in de bebouwbare zone maximaal 80% per bouwperceel bedraagt.

Ingevolge artikel 3.4. 3 zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in artikel 3.2, onder g (lees: artikel 3.2, onder h), voor het verhogen van het bebouwingspercentage in de bebouwbare zone tot 100 %, mits er uit een oogpunt van brandveiligheid geen bezwaren bestaan.

Ingevolge artikel 3.4. 4, aanhef en onder c en d, voor zover hier van belang, wordt een vrijstelling als bedoeld in artikel 3.4. 3 uitsluitend verleend indien het doel en de uitgangspunten van het plan en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast.

2.2. Het bouwplan, dat voorziet in het volledig bebouwen van het perceel ten behoeve van een café en bed & breakfast, is in strijd met het bestemmingsplan. Om het niettemin mogelijk te maken heeft het college daarvan ontheffing krachtens artikel 3.4.3 van de planvoorschriften verleend.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de toepassing van de ontheffingsbepaling afwijking van niet-ondergeschikte onderdelen van het bestemmingsplan mogelijk maakt, zodat de ontheffingsbepaling onverbindend moet worden geacht wegens strijd met artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro).

2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 juli 2010 in zaak nr. 200906565/1/H1), is voor het, bij wijze van exceptieve toetsing, buiten toepassing laten van een planvoorschrift wegens strijd met artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro , slechts plaats indien een ontheffingsbepaling een wijziging van het gebruik mogelijk maakt die leidt tot een planologisch relevante wijziging van de bestemming, dan wel indien die bepaling voorziet in een ontheffingsmogelijkheid zonder enige beperking.

De ontheffingsbepaling voorziet in geen van beide. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college zijn belangen onvoldoende bij de belangenafweging heeft betrokken. Daartoe voert hij aan dat zich een privaatrechtelijke belemmering met een evident karakter voordoet die aan de verlening van de ontheffing in de weg staat, nu ten laste van het perceel [locatie 1] en ten behoeve van zijn perceel [locatie 2], een recht van erfdienstbaarheid is gevestigd. Hiertoe heeft [appellant] in hoger beroep, in aanvulling op de eerder overgelegde aktes van 19 januari 1962 en 31 januari 1995, een door het Kadaster uitgevoerd erfdienstbaarheidsonderzoek van 18 mei 2011 overgelegd.

2.4.1. Het college stelt zich op het standpunt dat uit de aktes en het door hem geraadpleegde, onbetaald toegankelijke gedeelte van de website van het Kadaster, niet blijkt dat ten tijde van het besluit van 12 oktober 2010 een erfdienstbaarheid op het perceel [locatie 1] was gevestigd. Met het door [appellant] in hoger beroep overgelegde erfdienstbaarheidsonderzoek is dit evenmin aannemelijk gemaakt, nu dit slechts inschrijvingen in het Kadaster heeft opgeleverd die mogelijk een erfdienstbaarheid bevatten, aldus het college.

2.4.2. Ingevolge artikel 5:70, eerst lid, van het Burgerlijk Wetboek is een erfdienstbaarheid een last waarmede een onroerende zaak − het dienende erf − ten behoeve van een andere onroerende zaak − het heersende erf − is bezwaard.

2.4.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 april 2010 in zaak nr. 200906091/1/H1) is voor het oordeel door de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van vrijstelling in de weg staat, slechts aanleiding wanneer deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is immers de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit.

2.4.4. De omstandigheid dat volgens de koopakte van 31 januari 1995 van de woning op het perceel [locatie 2] te Venray, onder verwijzing naar een akte van transport van 19 januari 1962, ten behoeve van dat perceel, tot wederopzegging, erfdienstbaarheid van in- en uitrit van en naar het Henseniusplein over de destijds ter plaatse aanwezige inrit, ten laste van het perceel [locatie 1] is gevestigd, leidt niet zonder meer tot het oordeel dat dit recht ten tijde van het besluit 12 oktober 2010 nog bestond. Daarbij komt dat volgens het door het college op 14 september 2010 geraadpleegde, onbetaald toegankelijke gedeelte van de website van het Kadaster, geen erfdienstbaarheid op het perceel [locatie 1] gevestigd was. Met het erfdienstbaarheidsoverzoek dat [appellant] ter onderbouwing van zijn betoog heeft overgelegd, is evenmin aannemelijk gemaakt dat de erfdienstbaarheid ten tijde hier van belang nog bestond. Daartoe wordt overwogen dat uit dit onderzoek slechts blijkt van inschrijvingen die mogelijk, en derhalve niet met zekerheid, erfdienstbaarheden bevatten ten laste van het perceel [locatie 1].

Gelet op het voorgaande is niet evident dat ten tijde van het bestreden besluit een erfdienstbaarheid op het perceel [locatie 1] was gevestigd, zodat ten tijde van het bestreden besluit reeds daarom geen privaatrechtelijke belemmering met een evident karakter bestond. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen. Het betoog faalt derhalve.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Graaff-Haasnoot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2012

374-713.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature