< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 28 januari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen en Bevi" vastgesteld.

Uitspraak



201004758/1/R3.

Datum uitspraak: 11 januari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Stahl Europe B.V. (hierna: Stahl), gevestigd te Waalwijk,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Maiburg Lijmen B.V., gevestigd te Waalwijk, en anderen (hierna in enkelvoud: Maiburg),

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DSM NeoResins B.V. (hierna: DSM), gevestigd te Waalwijk,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Waalwijk,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 januari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen en Bevi" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben Stahl bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 mei 2010, Maiburg per faxbericht, bij de Raad van State ingekomen op 14 mei 2010 en DSM per faxbericht, bij de Raad van State ingekomen op 14 mei 2010, beroep ingesteld.

Stahl heeft haar beroep aangevuld bij brief van 10 juni 2010.

Maiburg heeft haar beroep aangevuld bij brief van 11 juni 2010.

DSM heeft haar beroep aangevuld bij brief van 14 juni 2010.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad, Stahl, Maiburg en DSM hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 november 2011, waar Stahl, vertegenwoordigd door mr. H.A. Pasveer, advocaat te 's-Hertogenbosch, Maiburg, vertegenwoordigd door mr. R.S.J. Schmull, advocaat te Den Haag, DSM, vertegenwoordigd door mr. A.W. Bos, advocaat te Amsterdam, en de raad, vertegenwoordigd door mr. J.A.M. van der Velden, advocaat te Breda, zijn verschenen.

2. Overwegingen

Het bestemmingsplan

2.1. Het plan is een herziening van de bestemmingsplannen voor alle bedrijventerreinen in de gemeente Waalwijk, waaronder het bestemmingsplan "Industrieterrein Haven 1991". Met deze zogenoemde parapluherziening is beoogd deze plannen in overeenstemming te brengen met het bepaalde in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (hierna: Revi).

In het bestemmingsplan "Industrieterrein Haven 1991" hebben de inrichtingen van Stahl, Maiburg en DSM de bestemming "Bedrijfsdoeleinden -B-". De planvoorschriften uit dit bestemmingsplan zijn in het aan de orde zijnde plan deels herzien, met dien verstande dat de bestemming "Bedrijfsdoeleinden -B-" voor de inrichtingen is gehandhaafd. Op de verbeelding van het plan zijn voor de zogenoemde Bevi-inrichtingen plaatsgebonden 10-6 risicocontouren (hierna ook: PR 10-6-contouren) aangebracht. Het plan is alleen bestreden, voor zover daarmee het bestemmingsplan "Industrieterrein Haven 1991" is herzien.

Grondslag voor de planregeling

2.2. Stahl, Maiburg en DSM, die inrichtingen in werking hebben op het industrieterrein Haven, betogen dat er geen grondslag is voor het vastleggen van PR 10-6-contouren in een bestemmingsplan en dat dit plan in strijd is met het Bevi. Volgens DSM mogen deze contouren niet worden vastgelegd in een plan, nu ingevolge artikel 14 van het Bevi niet de raad bevoegd is tot het vastleggen van deze contouren, maar het bevoegd gezag bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het oprichten dan wel in werking hebben van een inrichting. Volgens Maiburg en Stahl ontbreekt de grondslag voor het vastleggen van deze risicocontouren, omdat het gaat om bestaande bedrijven en het plan niet voorziet in de bouw of vestiging van nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten als bedoeld in artikel 5, eerste en tweede lid, van het Bevi . In het plan worden ten onrechte regels gesteld ten aanzien van de risico's die uitgaan van de inrichtingen zelf, terwijl die regels uitsluitend in het kader van een omgevingsvergunning kunnen worden gesteld. In een bestemmingsplan mogen volgens hen uitsluitend regels worden gesteld ten aanzien van de omgeving.

2.2.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan niet in strijd is met de Wet milieubeheer of het Bevi, nu daarin een grondslag wordt geboden voor het vaststellen van PR 10-6-contouren in een bestemmingsplan en daaruit volgt dat milieukwaliteitseisen kunnen doorwerken naar de ruimtelijke ordening. Voorts gelden de normen uit het Bevi niet alleen voor bestemmingsplannen die voorzien in bestaande (beperkt) kwetsbare objecten, maar ook voor bestemmingsplannen met betrekking tot een gebied waar (beperkt) kwetsbare objecten zijn geprojecteerd, zoals dit plan. Voorts wijst de raad er op dat de in het plan opgenomen contouren niet zijn gebaseerd op artikel 14 van het Bevi , maar op artikel 5 van het Bevi .

2.2.2. Ingevolge artikel 1, aanhef en onderdeel b, van het Bevi , voor zover hier van belang, wordt onder beperkt kwetsbaar object verstaan: dienst- en bedrijfswoningen van derden, kantoorgebouwen, voor zover zij niet onder onderdeel m (lees l), onder c vallen en bedrijfsgebouwen, voor zover zij niet onder onderdeel m (lees l), onder d, vallen;

Ingevolge artikel 1, aanhef en onderdeel e, wordt onder geprojecteerd beperkt kwetsbaar object verstaan een nog niet aanwezig beperkt kwetsbaar object dat op grond van het voor het desbetreffende gebied geldende bestemmingsplan toelaatbaar is;

Ingevolge artikel 1, aanhef en onderdeel f, wordt onder geprojecteerd kwetsbaar object verstaan een nog niet aanwezig kwetsbaar object dat op grond van het voor het desbetreffende gebied geldende bestemmingsplan toelaatbaar is.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onderdeel l, onder b, wordt onder kwetsbaar object verstaan: gebouwen bestemd voor het verblijf, al dan niet gedurende een gedeelte van de dag, van minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten, zoals:

1. ziekenhuizen, bejaardenhuizen en verpleeghuizen:

2. scholen, of

3. gebouwen of gedeelten daarvan, bestemd voor dagopvang van minderjarigen.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onderdeel l, onder c, wordt onder kwetsbaar object verstaan: gebouwen waarin doorgaans grote aantallen personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn, waartoe in ieder geval behoren;

1. kantoorgebouwen en hotels met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1500 m² per object, of

2. complexen waarin meer dan 5 winkels zijn gevestigd en waarvan het gezamenlijk bruto vloeroppervlak meer dan 1000 m² bedraagt en winkels met een totaal bruto vloeroppervlak van meer dan 2000 m² per winkel, voor zover in die complexen of in die winkels een supermarkt, hypermarkt of warenhuis is gevestigd;

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a en h, is het Bevi van toepassing op de besluiten, bedoeld in artikel 4, eerste tot en met vierde lid, met betrekking tot:

a. een inrichting waarop het Besluit risico's zware ongevallen 1999 van toepassing is;

h. andere door Onze Minister bij regeling aangewezen categorieën van inrichtingen, bedoeld in de onderdelen e tot en met g, waarvan het plaatsgebonden risico, berekend volgens bij die regeling gestelde regels, hoger is of kan zijn dan 10-6 per jaar en waarvoor bij die regeling afstanden tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten zijn vastgesteld, niet zijnde inrichtingen waarvoor regels gelden krachtens artikel 8.40 van de wet.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, is het Bevi, voor zover van belang, van toepassing op besluiten, bedoeld in artikel 5, eerste, tweede en zesde lid, met betrekking tot de bestemming van de grond, voor zover die grond ligt binnen het invloedsgebied van een inrichting als bedoeld in het eerste lid.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, voor zover hier van belang, neemt het bevoegd gezag bij de vaststelling van een besluit als bedoeld in artikel 3.1, eerste tot en met derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening op grond waarvan de bouw of vestiging van kwetsbare objecten wordt toegelaten, de grenswaarde genoemd in artikel 8, eerste lid, in acht.

Ingevolge artikel 5, tweede lid, voor zover hier van belang, houdt het bevoegd gezag bij de vaststelling van een besluit als bedoeld in het eerste lid op grond waarvan de bouw of vestiging van beperkt kwetsbare objecten wordt toegelaten, rekening met de richtwaarde, genoemd in artikel 8, tweede lid.

Ingevolge artikel 5, derde lid, voor zover van belang, neemt het bevoegd gezag bij de vaststelling van een besluit als bedoeld in het eerste lid, in afwijking van het eerste lid, de bij regeling van Onze Minister vastgestelde afstanden tot kwetsbare objecten in acht en houdt bij de vaststelling van een besluit als bedoeld in het tweede lid, in afwijking van het tweede lid, rekening met de bij die regeling vastgestelde afstanden tot beperkt kwetsbare objecten, indien dat besluit betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk ligt binnen het invloedsgebied van een inrichting als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onderdelen a tot en met d.

Ingevolge artikel 5, zesde lid, geeft de gemeenteraad geen toepassing aan artikel 3.1, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening voor zover het bestemmingsplan de bouw of vestiging van kwetsbare objecten of beperkt kwetsbare objecten toelaat ten aanzien waarvan niet wordt voldaan aan de grenswaarde of de afstanden, bedoeld in het eerste lid.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, is de grenswaarde voor kwetsbare objecten in een gebied waarvoor een besluit als bedoeld in artikel 5, eerste lid, wordt vastgesteld 10-6 per jaar.

Ingevolge artikel 8, tweede lid, is de richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten in een gebied waarvoor een besluit als bedoeld in artikel 5, tweede lid, wordt vastgesteld 10-6 per jaar.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, voor zover hier van belang, kan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 4, eerste tot en met vierde lid, in overeenstemming met het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 5, eerste en tweede lid, voor inrichtingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a tot en met h, of voor een gebied waarin die inrichtingen zijn gelegen, de ligging van de veiligheidscontour vaststellen waar het plaatsgebonden risico op het tijdstip van vaststelling van die contour, op grond van de krachtens artikel 8.1 van de wet voor de desbetreffende inrichting of de desbetreffende afzonderlijke inrichtingen geldende vergunning, ten hoogste 10-6 is.

2.2.3. Ingevolge artikel 5, lid A, onder 1 en a, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Industrieterrein Haven 1991" zijn de op de kaart als "Bedrijfsdoeleinden" aangewezen gronden bestemd voor bedrijven met de daarbij behorende gebouwen, andere bouwwerken en open terreinen alsmede voor wegen, voet- en fietspaden, parkeervoorzieningen en andere verkeersvoorzieningen, bermen en andere groenvoorzieningen en voor watergangen.

Ingevolge artikel 5, lid E, onder 1 en 2 kunnen reeds aanwezige dienstwoningen worden gehandhaafd en zal met betrekking tot nieuw te bouwen dienstwoningen een terughoudend beleid worden gevoerd; slechts om zeer dringende redenen kan medewerking worden verleend aan realisering van nieuwe bedrijfswoningen.

Ingevolge artikel 5, lid B1, voor zover hier van belang, mogen op de in lid A bedoelde gronden, met inachtneming van het in artikel 1 bepaalde, uitsluitend bouwwerken ten dienste van de in lid A genoemde bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat ieder bouwperceel voor ten hoogste 70% van de oppervlakte mag worden bebouwd en dat gebouwen uitsluitend mogen worden opgericht binnen de op de kaart aangegeven bebouwingsgrenzen.

2.2.4. Vast staat dat de inrichtingen van Stahl, Maiburg en DSM in het bestemmingsplan "Industrieterrein Haven 1991" de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" hebben. Stahl en DSM hebben op het industrieterrein inrichtingen, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Bevi in werking en Maiburg heeft op het industrieterrein een zogenoemde categoriale inrichting, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder h, van het Bevi , in werking.

Uit artikel 5, lid E, van de voorschriften van genoemd plan volgt dat de reeds aanwezige dienstwoningen kunnen worden gehandhaafd en dat onder voorwaarden nieuwe dienstwoningen mogelijk zijn. Verder maakt de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" bedrijven en de daarbij behorende gebouwen mogelijk. Onder bedrijf wordt verstaan een zelfstandige productie-eenheid van producten en/of diensten. Blijkens de bij dit bestemmingsplan behorende Staat van bedrijfsactiviteiten zijn ter plaatse diverse relatief arbeidsintensieve bedrijven, zoals textielfabrieken, meubelfabrieken en drukkerijen, mogelijk.

Gelet op het voorgaande heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat artikel 5, eerste en tweede lid, van het Bevi van toepassing is, dat de grenswaarde, genoemd in artikel 8, eerste lid, van het Bevi in acht moet worden genomen en dat met de richtwaarde, genoemd in artikel 8, tweede lid, van het Bevi rekening dient te worden gehouden bij de vaststelling van het plan. Er zijn immers op basis van de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" bedrijfsgebouwen mogelijk waarin doorgaans grote aantallen personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn en in zoverre is sprake van geprojecteerde kwetsbare objecten. Daarnaast voorziet genoemd bestemmingsplan in dienstwoningen van derden, die zijn aangemerkt als (geprojecteerde) beperkt kwetsbare objecten. Voor het oordeel dat er geen grondslag bestaat voor het vaststellen van PR 10-6-contouren omdat het plan niet voorziet in nieuwe beperkt kwetsbare of kwetsbare objecten, of omdat de raad in het kader van het vaststellen van een bestemmingsplan niet bevoegd zou zijn tot het vaststellen van deze contouren, bestaat dan ook geen aanleiding. In dit verband wijst de Afdeling op de Nota van Toelichting op het Bevi (Stb. 2004, 250) waarin staat dat geen onderscheid is gemaakt tussen de vaststelling van besluiten krachtens de WRO (thans: Wro) met betrekking tot geheel nieuwe, "maagdelijke" gebieden enerzijds en met betrekking tot reeds aanwezige of reeds geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten anderzijds en dat in al die gevallen sprake is van een verplichting tot toetsing aan de in artikel 8 gestelde grens- en richtwaarden. Voorts is van belang dat in deze Nota van Toelichting staat dat de vertaling van grens- en richtwaarden in bestemmingsplannen op verschillende wijzen kan plaatsvinden en dat één van de mogelijkheden hiervoor is om risicocontouren op te nemen op de bij het bestemmingsplan behorende verbeelding.

2.2.5. Ten aanzien van het betoog van DSM dat de raad onbevoegd heeft gehandeld door in strijd met artikel 14 van het Bevi de plaatsgebonden risicocontouren in het plan op te nemen, overweegt de Afdeling dat de in het plan opgenomen contouren niet zijn gebaseerd op artikel 14 van het Bevi , dat voorziet in een regeling voor het bevoegd gezag bij het verlenen van een omgevingsvergunning om in een apart besluit de contour voor het plaatsgebonden risico vast te leggen. In dit geval gaat het om een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarbij de raad bevoegd is om met toepassing van artikel 5 van het Bevi de PR 10-6-contouren vast te leggen.

2.2.6. Over het betoog van DSM en Stahl dat ten onrechte regels zijn gesteld ten aanzien van de inrichtingen zelf in plaats van de omgeving en dat ten onrechte milieukwaliteitseisen in het plan zijn opgenomen, overweegt de Afdeling dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de Wro, gelezen in samenhang met de Wet milieubeheer en het Bevi, in dit geval de grondslag biedt voor het opnemen van de contouren en de daarbij behorende regels in een door de raad vast te stellen bestemmingsplan. Dat deze contouren en de regels ook gevolgen kunnen hebben voor de gebruiksmogelijkheden van de inrichtingen zelf, maakt dat niet anders en geeft geen aanleiding voor het oordeel dat in het plan regels zijn opgenomen die geen verband houden met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij merkt de Afdeling op dat juist in het kader van de externe veiligheid aanleiding kan bestaan om de gebruiksmogelijkheden van bedrijven en het daarbij behorende risico te reguleren in een bestemmingsplan. Het betoog faalt.

Definitie van beperkt kwetsbaar object en kwetsbaar object

2.3. DSM betoogt dat de door de raad in het plan opgenomen definities van beperkt kwetsbaar object en kwetsbaar object ten onrechte afwijken van het Bevi en ten onrechte limitatief zijn. Als gevolg hiervan hanteert de raad ten onrechte beperktere definities dan in het Bevi.

2.3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het enige relevante verschil tussen de definitie van kwetsbaar object in het Bevi en die in het plan is dat in het plan een onderscheid is gemaakt tussen "kwetsbare objecten-Bevi" en "kwetsbare objecten-Brzo". Dit onderscheid is op verzoek van de provincie aangebracht. Voor zover geen restcategorie is opgenomen is dat volgens de raad gedaan met het oog op de rechtszekerheid.

2.3.2. Ingevolge artikel 2, lid 8b-1, van de planregels wordt onder kwetsbare objecten-Bevi verstaan:

a. woningen, woonschepen en woonwagens, niet zijnde woningen, woonschepen en woonwagens van derden met een dichtheid van maximaal 2 woningen, woonschepen en woonwagens per hectare of dienst- en bedrijfswoningen van derden;

b. gebouwen bestemd voor het verblijf, al dan niet gedurende een gedeelte van de dag, van minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten, te weten:

- ziekenhuizen, bejaardenhuizen en verpleeghuizen;

- scholen;

- gebouwen of gedeelten daarvan, bestemd voor dagopvang van minderjarigen;

c. kantoorgebouwen waaronder begrepen bedrijfskantoren en hotels met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1.500 m² per object;

d. complexen waarin meer dan 5 winkels zijn gevestigd en waarvan het gezamenlijk brutovloeroppervlak meer dan 1.000 m² bedraagt, en winkels met een totaal brutovloeroppervlak van meer dan 2.000 m² per winkel, voor zover in die complexen of in die winkels een supermarkt, hypermarkt of warenhuis is gevestigd; en

e. kampeer- en andere recreatieterreinen bestemd voor het verblijf van meer dan 50 personen gedurende meerdere aaneengesloten dagen.

Objecten die onderdeel uitmaken van een Bevi-inrichting maken hiervan geen onderdeel uit.

Ingevolge artikel 2, lid 8 b-2, wordt onder kwetsbare objecten - Brzo verstaan:

a. woningen, woonschepen en woonwagens, niet zijnde woningen, woonschepen en woonwagens van derden met een dichtheid van maximaal 2 woningen, woonschepen en woonwagens per hectare of dienst- en bedrijfswoningen van derden;

b. gebouwen bestemd voor het verblijf, al dan niet gedurende een gedeelte van de dag, van minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten, te weten:

- ziekenhuizen, bejaardenhuizen en verpleeghuizen;

- scholen;

- gebouwen of gedeelten daarvan, bestemd voor dagopvang van minderjarigen;

c. kantoorgebouwen waaronder begrepen bedrijfskantoren en hotels met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1.500 m² per object;

d. complexen waarin meer dan 5 winkels zijn gevestigd en waarvan het gezamenlijk brutovloeroppervlak meer dan 1.000 m² bedraagt, en winkels met een totaal brutovloeroppervlak van meer dan 2.000 m² per winkel, voor zover in die complexen of in die winkels een supermarkt, hypermarkt of warenhuis is gevestigd;

e. andere objecten waar 50 of meer personen aanwezig zijn èn waarbij de personendichtheid groter is dan 1 persoon per 100 m² en waarbij deze personen 40 uur of meer per week aanwezig zijn;

f. kampeer- en andere recreatieterreinen bestemd voor het verblijf van meer dan 50 personen gedurende meerdere aaneengesloten dagen.

Objecten die onderdeel uitmaken van een Bevi-inrichting maken hiervan geen onderdeel uit.

Ingevolge artikel 2, lid 8 c, wordt onder beperkt kwetsbare objecten verstaan:

a.

1. verspreid liggende woningen, woonschepen en woonwagens van derden met een dichtheid van maximaal 2 woningen, woonschepen en woonwagens per hectare;

2. dienst- en bedrijfswoningen van derden;

b. kantoorgebouwen, waaronder begrepen bedrijfskantoren, met een brutovloeroppervlak van maximaal 1.500 m² per object;

c. hotels met een brutovloeroppervlak van maximaal 1.500 m² per object; restaurants, waaronder begrepen bedrijfsrestaurants;

d. winkels/winkelcomplexen die niet als kwetsbaar object zijn aangemerkt;

e. sporthallen, sportterreinen, zwembaden en speeltuinen;

f. kampeerterreinen en andere terreinen bestemd voor recreatieve doeleinden, voor zover zij niet bestemd zijn voor het verblijf van meer dan 50 personen gedurende meerdere aaneengesloten dagen;

g. bedrijfsgebouwen, voor zover het niet betreft:

- kantoorgebouwen en hotels met een bruto-oppervlak van meer dan 1.500 m² per object;

- complexen, waarin meer dan 5 winkels zijn gevestigd en waarvan het gezamenlijk vloeroppervlak meer dan 1.000 m² bedraagt, en winkels met een totaal oppervlak van meer dan 2.000 m² per object, voor zover in die complexen of in die winkels een supermarkt, hypermarkt of warenhuis is gevestigd;

h. objecten met een hoge infrastructurele waarde, te weten een telefoon- of elektriciteitscentrale of een gebouw met vluchtleidingsapparatuur.

Objecten die onderdeel uitmaken van een Bevi-inrichting maken hiervan geen onderdeel uit.

Ingevolge artikel 5, lid BI , onderdeel g, is de bouw van "kwetsbare objecten-Bevi" niet toegestaan binnen de op de herzieningskaart aangegeven PR 10-6 -contouren, behorende bij r1 t/m r5, r8, r10 en r12;

Ingevolge artikel 5, lid BI , onderdeel h, is de bouw van "kwetsbare objecten-Brzo" niet toegestaan binnen de op de herzieningskaart aangegeven PR 10-6 -contouren behorende bij r6 en r7.

2.3.3. In de Nota van Toelichting bij het Bevi staat dat de opsomming van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten niet limitatief van aard is en uit onder meer de Nota van Toelichting bij een wijziging van het Bevi (Stb. 2008, 380) volgt dat er ruimte voor het bestuursorgaan is om zelf een invulling te geven aan deze begrippen. Hieruit volgt dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan een raad ervoor kan kiezen om, ter invulling van het in zoverre niet uitputtende Bevi, beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten nader te omschrijven. Daarbij mag evenwel geen beperking worden aangebracht op het door het Bevi voorgeschreven beschermingsregime.

De door de raad gekozen invulling van artikel 1, onderdeel l, onder b, van het Bevi , waarbij het woord "zoals" is vervangen door "te weten" acht de Afdeling niet, anders dan DSM heeft betoogd, in strijd met het Bevi, nog daargelaten dat dergelijke gebouwen niet mogelijk zijn op het industrieterrein.

Het gemaakte onderscheid tussen "kwetsbare objecten-Bevi" en "kwetsbare objecten-Brzo" is als zodanig evenmin onverenigbaar met het Bevi, omdat dit niet tot gevolg heeft dat het in het Bevi vervatte beschermingsregime wordt beperkt. In dit geval heeft de raad echter ten onrechte in artikel 2, lid 8b-1, van de planregels geen nadere invulling gegeven aan het begrip kwetsbaar object, maar hierop een ontoelaatbare beperking aangebracht, waardoor het plan het mogelijk maakt dat binnen de PR 10-6-contouren als bedoeld in artikel 5, lid BI, onder g, van de planregels kwetsbare objecten kunnen worden gebouwd. Door onder de in artikel 1, onderdeel l, onder c, van het Bevi bedoelde kwetsbare objecten uitsluitend de in artikel 2, lid 8 b-1, genoemde kantoren en complexen te verstaan, staat het plan er immers niet aan in de weg dat andere gebouwen, waarin doorgaans grote aantallen personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn binnen genoemde risicocontouren kunnen worden gebouwd. Dit klemt te meer, nu de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" bedrijfsgebouwen mogelijk maakt behorende bij relatief arbeidsintensieve bedrijven. In artikel 2, lid 8b-2, van de planregels heeft de raad dergelijke gebouwen overigens wel uitgesloten door in onderdeel e te bepalen dat andere objecten waar 50 of meer personen aanwezig zijn en waarbij deze personen 40 uur of meer per week aanwezig zijn als kwetsbare objecten worden aangemerkt.

2.3.4. In hetgeen DSM heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat artikel 2, lid 8b-1, van de planregels is vastgesteld in strijd met artikel 5, eerste lid, van het Bevi. Het beroep van DSM is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover het betreft artikel 2, lid 8b-1, van de planregels, voor zover daarin geen toereikende invulling is gegeven aan de categorie kwetsbare objecten, bestaande uit gebouwen, waarin doorgaans grote aantallen personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn.

2.3.5. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, onder a, en vijfde lid, van de Awb de raad op te dragen om binnen 26 weken na en met inachtneming van deze uitspraak een herzien artikel 2, lid 8b-1, van de planregels vast te stellen. Voor de periode dat voornoemde planregel wordt voorbereid, geldt er op grond van dit plan geen belemmering om binnen plaatsgebonden risicocontouren als bedoeld in artikel 5, lid BI, onderdeel g, van de planregels bedoelde gebouwen op te richten. Om deze situatie te ondervangen, ziet de Afdeling aanleiding om de voorlopige voorziening te treffen dat gedurende voormelde periode het bepaalde in artikel 1, onderdeel l, onder c, van het Bevi geldt voor dit plan. De Afdeling acht niet aannemelijk dat derde-belanghebbenden daardoor in hun belangen worden geschaad.

Vaststelling van de PR 10-6 -contour van Maiburg

2.4. Maiburg voert aan dat de PR 10-6 -contour rond haar inrichting onjuist is vastgelegd. In dit verband wijst zij er op dat bij de bepaling van deze contour niet is uitgegaan van de vergunde situatie en dat ten onrechte de vrijwillig geplaatste automatische blusinstallatie hierbij is betrokken, wat heeft geleid tot een te kleine contour. Maiburg stelt dat zij op grond van haar milieuvergunning niet verplicht is om een automatische blusinstallatie aanwezig te hebben en dat zij slechts hoeft te voldoen aan het beschermingsniveau 2 van de CPR 15-2-richtlijn.

2.4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat uit de milieuvergunning van Maiburg volgt dat zij dient te beschikken over een blusinstallatie die voldoet aan het beschermingsniveau 1 van voormelde richtlijn. Derhalve is dit beschermingsniveau aangehouden en is op basis van de Revi gekomen tot een risicocontour, die is gebaseerd op een vaste afstand van 20 m.

2.4.2. Ingevolge artikel 6.5.1 van de milieuvergunning van Maiburg van 2 december 1997 moet de constructie en de uitvoering van de opslag brandgevaarlijke lijmen inclusief de lijmproductie alsmede de bewaring van de in deze opslag aanwezige stoffen voldoen aan de richtlijn CPR 15-2, eerste druk 1991. In de opslag mag in 45 ton gevaarlijke stoffen worden opgeslagen. Op basis van bijlage 4 van de richtlijn CPR 15-2 mag een beschermingsniveau 2 worden toegepast.

Ingevolge artikel 6.5.9 van de ze milieuvergunning moet de technische installatie van HI-Ex Inside Air lichtschuim blussysteem voldoen aan de eisen voor deze installatie geldende keuringsnorm zoals genoemd in bijlage 6 van CPR 15-2, eerste druk 1991.

Op 26 november 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders een melding van Maiburg als bedoeld in het toenmalige artikel 8.19 van de Wet milieubeheer geaccepteerd, waarin onder meer stond dat in plaats van een HI-Ex Inside Air lichtschuim blussysteem in de CPR 15-2 opslagruimte een CO2-blussysteem wordt toegepast.

2.4.3. In het plan is de inrichting van Maiburg voorzien van de aanduiding "r1", die met zich brengt dat ter plaatse de vervaardiging van lijm- en plakmiddelen en een groothandel in chemische producten is toegestaan, en is een PR 10-6 -contour aangebracht die is gebaseerd op een vaste afstand van 20 m als bedoeld in bijlage 1, tabel 3, van de Revi. Daarbij is uitgegaan van beschermingsniveau 1, een oppervlakte van de opslagvoorziening van 300 tot 600 m² en de aanwezigheid van een automatische blusgasinstallatie. In de Revi worden in deze tabel voor beschermingsniveau 2 grotere afstanden voorgeschreven.

2.4.4. Niet in geschil is dat Maiburg ter plaatse een zogenoemde categoriale inrichting in werking heeft, waarvoor ter bepaling van de plaatsgebonden risicocontour op grond van het Bevi en de Revi vaste afstanden gelden. Anders dan Maiburg betoogt is artikel 8, tweede lid, van de Revi in dit geval niet van toepassing, nu dat lid geen betrekking heeft op categoriale inrichtingen. Voorts is niet in geschil dat in de inrichting een automatische blusgasinstallatie aanwezig is. De Afdeling is van oordeel dat de raad in dit geval terecht is uitgegaan van de situatie, zoals die is toegestaan na de acceptatie van de melding van 26 november 2002. In deze melding is aangegeven dat een automatische blusgasinstallatie wordt toegepast. Dat in de milieuvergunning van 2 november 1997 onder meer staat dat beschermingsniveau 2 mag worden toegepast maakt dat niet anders, nu uit dezelfde vergunning ook volgt dat een HI-Ex Inside Air lichtschuim blussysteem aanwezig moet zijn en voor beide blussystemen bij een oppervlakte van de opslagvoorziening tussen 300 en 600 m² op grond van de Revi een vaste afstand geldt van 20 m. Gelet op het voorgaande bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat de raad had moeten uitgaan van beschermingsniveau 2 en een contour van 230 meter, zoals Maiburg stelt. Het betoog faalt.

Vaststelling van de PR 10-6 -contour van DSM

2.5. DSM voert aan dat de op de verbeelding aangeduide PR 10-6 -contour voor haar inrichting afwijkt van de contour uit haar milieuvergunning. Deze contour is te klein, terwijl juist had moeten worden voorzien in een grotere contour dan die in de milieuvergunning, aangezien het industrieterrein is bedoeld voor zware bedrijvigheid en bij uitstek geschikt is voor risicovolle inrichtingen. Verder voert DSM aan dat de contour is gebaseerd op een zogenoemde kwantitatieve risicoanalyse (hierna: QRA) uit 2008 en dat deze contour niet juist in het plan is overgenomen.

2.5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat hij op grond van de artikelen 15 en 16 van het Bevi en artikel 7 van de Revi gehouden is om risicocontouren vast te stellen aan de hand van de actuele versie van de daarin genoemde rekenmethodiek. Dit brengt met zich dat een risicocontour kleiner kan zijn dan de contour die uit de milieuvergunning voortvloeit. Verder merkt de raad op dat de risicocontour is gebaseerd op de QRA van 8 december 2008 en op de meest recente rekenmethodiek uit de Revi.

2.5.2. Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bevi , voor zover van belang, draag het bevoegd gezag bij de vaststelling van een besluit als bedoeld in artikel 4, eerste tot en met vierde lid, ervoor zorg dat dat besluit steunt op een berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico, die is uitgevoerd volgens bij regeling van Onze Minister gestelde regels, indien dat besluit betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a tot en met d.

Ingevolge artikel 16 is artikel 15 van overeenkomstige toepassing op een besluit als bedoeld in artikel 5, eerste en tweede lid, dat betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk ligt binnen het invloedsgebied van een inrichting als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdelen a tot en met d.

Ingevolge artikel 7 van de Revi, voor zover hier van belang, wordt in het geval, bedoeld in artikel 16 van het besluit, het plaatsgebonden risico, onderscheidenlijk het groepsrisico, berekend met toepassing van de rekenmethodiek Bevi.

Ingevolge artikel 1, onder l, wordt onder rekenmethodiek Bevi verstaan rekenmethodiek, bestaande uit Safeti-NL en de Handleiding Risicoberekeningen Bevi.

2.5.3. In het plan is de inrichting van DSM voorzien van de aanduiding "r7", hetgeen met zich brengt dat ter plaatse het vervaardigen van kunstharsen en dergelijke is toegestaan, en is om deze inrichting een PR 10-6 -contour aangebracht.

2.5.4. Niet in geschil is dat de inrichting van DSM een inrichting is als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van het Bevi . Gelet hierop dient de plaatsgebonden risicocontour te worden berekend op basis van het bepaalde in de artikelen 15 en 16 van het Bevi en artikel 7 van de Revi. De risicocontour van DSM is berekend in de QRA van 8 december 2008 met toepassing van de voorgeschreven rekenmethode uit de Revi. In deze QRA is de vergunde situatie als uitgangspunt genomen. DSM heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze risicocontour op een zodanige wijze op de verbeelding van het plan is vastgelegd dat deze niet meer kan worden beschouwd als een weergave van de in de QRA aangeduide PR 10-6 -contour. Voorts is niet aannemelijk gemaakt dat de op de verbeelding weergegeven risicocontour in strijd met artikel 7 van de Revi en de daarin bedoelde rekenmethodiek is vastgesteld. Daarbij is van belang dat, gelet op artikel 1, onder l, gelezen in samenhang met artikel 7 van de Revi, ten tijde van belang, moet worden uitgegaan van de meest recente versie van de rekenmethodiek, die bestaat uit het programma Safeti-NL en de Handleiding Risicoberekeningen Bevi. Niet in geschil is dat de contour uit de milieuvergunning is gebaseerd op een verouderde versie van de rekenmethodiek en dat in de QRA rekening is gehouden met een recentere versie van de rekenmethodiek. Het betoog faalt.

Vaststelling van de PR 10-6 -contour van Stahl

2.6. Stahl voert aan dat de PR 10-6 -contour rond haar inrichting op de verbeelding ten onrechte kleiner is dan de contour die uit haar milieuvergunning voortvloeit.

2.6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de contour op de verbeelding is gebaseerd op de meest recente rekenmethodiek uit de Revi en dat er geen aanleiding bestaat om een grotere contour in het plan op te nemen. Verder wijst de raad er op dat bij de nieuwe omgevingsvergunning voor de inrichting van Stahl ook voormelde rekenmethodiek van toepassing zal zijn en dit niet zal leiden tot een contour met een andere omvang.

2.6.2. In het plan is de inrichting van Stahl voorzien van de aanduiding "r6", hetgeen met zich brengt dat ter plaatse het vervaardigen van verf, lak en vernis is toegestaan, en is om deze inrichting een PR 10-6 -contour aangebracht.

2.6.3. Bij besluit van 21 november 2008 is aan de milieuvergunning van Stahl een PR 10-6 -contour toegevoegd, die is gebaseerd op een QRA van 17 november 2008. Deze contour wijkt af van de contour op de verbeelding van het plan. De plaatsgebonden risicocontour op de verbeelding is gebaseerd op een QRA van 29 juli 2009, waarbij een recentere versie van de rekenmethodiek als bedoeld in de Revi is gebruikt. Gelet op artikel 7 van de Revi is de Afdeling van oordeel dat de raad terecht niet de contour uit de milieuvergunning heeft overgenomen in het plan, maar is uitgegaan van de vergunde situatie en de QRA van 29 juli 2009, waarin gebruik is gemaakt van een recentere versie van de rekenmethodiek als bedoeld in de Revi.

Het betoog faalt.

Ontheffingsbevoegdheid van artikel 5, lid BII.A, onder 1, van de planregels

2.7. DSM betoogt dat deze ontheffingsbevoegdheid onvoldoende objectief is begrensd door het gebruik van de term "gewichtige redenen". Volgens DSM is het evenmin duidelijk wat wordt bedoeld met "in elk geval aantoonbaar noodzakelijk". Uit de tekst van de regel blijkt volgens haar onvoldoende dat de belangen van Bevi-inrichtingen worden meegenomen in de afweging.

2.7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de ontheffingsbevoegdheid niet nadelig is voor DSM, omdat de contour van DSM zich alleen uitstrekt over de gronden van Bevi-inrichtingen en tot beperkt kwetsbare objecten volgens de raad niet objecten horen die onderdeel uitmaken van een Bevi-inrichting. De raad stelt voorts dat hij geen specifiekere toetsingscriteria heeft willen opnemen in het plan, omdat hij de bouw van beperkt kwetsbare objecten slechts wil toestaan indien zwaarwegende belangen daartoe aanleiding geven. Om dat te bepalen zal de aanvrager van de ontheffing moeten aantonen dat er gewichtige redenen zijn en dat het noodzakelijk is om in een PR 10-6 -contour beperkt kwetsbare objecten te bouwen.

2.7.2. Ingevolge artikel 5, lid BI, van de planregels, voor zover hier van belang, mogen de in lid A bedoelde gronden, met inachtneming van het in artikel 1 bepaalde, uitsluitend bouwwerken ten dienste van de in lid A genoemde bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat:

(…);

h. de bouw van 'kwetsbare objecten - Brzo' niet is toegestaan binnen de op de herzieningskaart aangegeven PR 10-6-contouren behorende bij r6 en r7;

i. de bouw van beperkt kwetsbare objecten niet is toegestaan binnen de op de herzieningskaart aangegeven PR 10-6-contouren, met uitzondering van de herbouw van bestaande beperkt kwetsbare objecten op dezelfde locatie.

Ingevolge artikel 5, lid BII.A, onder 1, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in lid BI, onder h, indien sprake is van gewichtige redenen en het bedrijf kan aantonen dat het PR ter plaatse niet meer dan 10-5 per jaar bedraagt. Het beperkt kwetsbare object of de uitbreiding daarvan dient in elk geval aantoonbaar noodzakelijk te zijn voor de bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf. De procedureregels zoals opgenomen in artikel 25a zijn op deze ontheffingsbevoegdheid van toepassing.

2.7.3. In de Nota van Toelichting op het Bevi staat ten aanzien van de systematiek van het besluit onder meer dat een milieukwaliteitseis in de vorm van een wettelijke richtwaarde inhoudt dat die waarde zoveel mogelijk moet zijn bereikt op het tijdstip dat in de algemene maatregel van bestuur is aangegeven en dat het bereikte niveau vervolgens zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. Een en ander houdt in dat bij de vaststelling van de in de artikelen 4 en 5 van het Bevi aangegeven besluiten op grond van de Wm en de WRO zoveel mogelijk aan de richtwaarde moet worden voldaan. Van de richtwaarde mag het bevoegd gezag slechts afwijken indien gewichtige redenen daartoe aanleiding geven. Die redenen moeten in de motivering van het besluit worden gegeven.

2.7.4. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat voormelde ontheffingsbevoegdheid onvoldoende objectief is begrensd. Hierbij is van belang dat deze bevoegdheid het onder strikte voorwaarden toestaat dat binnen PR 10-6-contouren de bouw of uitbreiding van beperkt kwetsbare objecten wordt mogelijk gemaakt. Afwijken van een richtwaarde is blijkens het bepaalde in artikel 5, tweede lid, van het Bevi en de Nota van Toelichting slechts toegestaan indien gewichtige redenen daarvoor aanleiding geven. De raad heeft toegelicht dat de aanvrager zal moeten aantonen dat gewichtige redenen aanwezig zijn voor de bouw van het beperkt kwetsbare object ter plaatse. Daarbij dient de aanvrager aan te tonen dat er een noodzaak bestaat voor het afwijken van de richtwaarde. Deze voorwaarden heeft de raad ontleend aan de Nota van Toelichting. De Afdeling acht dit niet onredelijk. Voor de vrees van DSM dat haar belangen niet worden meegenomen indien gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid bestaat geen aanleiding, omdat bij gebruikmaking van deze bevoegdheid alle betrokken belangen tegen elkaar dienen te worden afgewogen. Het betoog van DSM faalt.

2.7.5. Stahl en DSM betogen dat artikel 5, lid BII.A, onderdeel 1, van de planregels ten onrechte verwijst naar het bepaalde in lid BI, onder i. Volgens Stahl en DSM dient verwezen te worden naar het bepaalde in lid BI, onder h, van de planregels.

2.7.6. De raad heeft erkend dat de tekst van artikel 5, lid BII.A, onderdeel 1, van de planregels abusievelijk niet is aangepast, zodat daarin ten onrechte wordt verwezen naar het bepaalde in lid BI, onder h, van de planregels, dat betrekking heeft op kwetsbare objecten in plaats van het bepaalde in lid BI, onder i, dat betrekking heeft op beperkt kwetsbare objecten. Het bestreden besluit is in zoverre niet zorgvuldig voorbereid. De beroepen van Stahl en DSM zijn op dit punt gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb .

2.7.7. De Afdeling ziet in dit geval aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb , te bepalen dat "het bepaalde in lid BI, onder h", in artikel 5, lid BII.A, onderdeel 1, wordt vervan gen door "het bepaalde in lid BI, onder i", en te bepalen dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit voor zover dat is vernietigd. De Afdeling acht niet aannemelijk dat derde-belanghebbenden daardoor in hun belangen worden geschaad.

Wijzigingsbevoegdheden van artikel 24, lid 1a, van de planregels

2.8. DSM betoogt dat in het plan ten onrechte een maatbestemming is opgenomen, die is gekoppeld aan de wijzigingsbevoegdheid van artikel 24, lid 1a, onderdeel a, van de planregels die het mogelijk maakt dat de inrichting zal worden wegbestemd. Daarnaast acht zij de beperking van de wijzigingsbevoegdheid van artikel 24, lid 1 a, onderdeel b, onnodig. Volgens DSM is deze wijzigingsbevoegdheid in strijd met het uitgangspunt dat het industrieterrein Haven is aangewezen voor de vestiging van nieuwe Bevi-inrichtingen. Voorts heeft DSM bezwaren tegen de wijzigingsbevoegdheid van artikel 24, lid 1 a, onderdeel c. DSM betoogt verder dat de wijzigingsbevoegdheid van artikel 24, lid 1 a, onderdeel e, onvoldoende objectief is bepaald, omdat daaruit niet blijkt welke voorschriften en/of risicocontouren mogen worden gewijzigd.

Stahl, Maiburg en DSM richten zich met het oog op hun uitbreidingsmogelijkheden tegen de in artikel 24, lid 1a, onderdeel d, van de planregels vervatte wijzigingsbevoegdheid voor het vergroten van hun PR 10- 6-contouren. Zij betogen dat de voorwaarden voor uitbreiding ten onrechte te strikt zijn en tot gevolg hebben dat zij geen gebruik kunnen maken van de wijzigingsbevoegdheid, aangezien het onmogelijk is om aan deze voorwaarden te voldoen. Maiburg voert verder aan dat de derde voorwaarde van de wijzigingsbevoegdheid in strijd is met het Bevi, omdat hieruit een verplichting voor de verantwoording van het groepsrisico bij een wijzigingsplan volgt. DSM voert aan dat het onduidelijk is hoe het criterium "aantoonbaar noodzakelijk" wordt ingevuld.

2.8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat bewust is gekozen voor krappe maatbestemmingen in combinatie met voormelde wijzigingsbevoegdheden. De raad stelt dat het niet de bedoeling is om bij recht te voorzien in uitbreidingsmogelijkheden dan wel de vestiging van nieuwe Bevi-inrichtingen op het industrieterrein Haven. De raad stelt zich verder op het standpunt dat de wijzigingsbevoegdheid van artikel 24, lid 1a, onderdeel a, van de planregels niet is bedoeld om bestaande Bevi-inrichtingen weg te bestemmen en dat alleen van de bevoegdheid gebruik kan worden gemaakt, indien de Bevi-inrichting ter plaatse is opgeheven.

De wijzigingsbevoegdheid van artikel 24, lid 1 a, onderdeel d, is opgenomen om, onder voorwaarden, de uitbreiding van de bestaande activiteiten van de Bevi-inrichtingen op het bedrijventerrein mogelijk te maken. Volgens de raad is daarbij op een zorgvuldige wijze omgegaan met de belangen van alle op het industrieterrein gevestigde bedrijven. Daarnaast stelt de raad dat als niet kan worden voldaan aan de wijzigingsvoorwaarden, het plan kan worden herzien, als sprake is van zwaarwegende belangen voor de bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf.

2.8.2. Ingevolge artikel 24, onder 1a, van de planregels is het college van burgemeester en wethouders bevoegd overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening het plan te wijzigen, indien de wijziging betrekking heeft op:

a. het verwijderen van de aanduiding "r1" tot en met "r12", zoals genoemd in artikel 5, en de bij de betreffende Bevi-inrichting behorende PR 10- 6-contour(en) van de herzieningskaart, indien de betreffende Bevi-inrichting ter plaatse is opgeheven;

b. het toestaan van nieuwe Bevi-inrichtingen binnen de bestemming Bedrijfsdoeleinden met inachtneming van het volgende:

- het bedrijf kan aantonen dat de PR 10-6-contour(en) is/zijn gelegen:

1. binnen het bouwperceel van de Bevi-inrichting; of

2. op gronden met de bestemming Verkeersdoeleinden, Groenvoorzieningen of Water;

- in de toelichting bij het wijzigingsbesluit dient een verantwoording te worden gegeven van het GR in het invloedsgebied van de inrichting;

c. het verkleinen van de op de herzieningskaart aangegeven PR 10-6-contour(en), indien:

- een verkleinde PR 10-6-contour is opgenomen in een onherroepelijke milieuvergunning voor de betreffende Bevi-inrichting; of

- door veranderingen in wet- en regelgeving de betreffende contour kleiner is geworden;

d. het vergroten van de PR 10-6-contour(en) (en in samenhang daarmee het gebied/de gebieden binnen die PR 10-6-contour(en)), met inachtneming van het volgende:

- de wijzigingen die leiden tot de grotere contour moeten aantoonbaar noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering van de betreffende Bevi-inrichting;

- het bedrijf kan aantonen dat de PR 10-6-contour(en) - voor zover gelegen buiten het bouwperceel van de Bevi-inrichting - uitsluitend is/zijn gelegen:

1. op gronden met de bestemming Verkeersdoeleinden, Groenvoorzieningen of Water; en/of

2. op gronden van derden welke op de herzieningskaart zijn aangeduid met "r" gevolgd door een cijfer;

- in de toelichting bij het wijzigingsbesluit dient een verantwoording te worden gegeven van het GR in het invloedsgebied van de inrichting;

e. het wijzigen van de voorschriften en/of de op de herzieningskaart opgenomen PR 10-6-contour(en), indien aanpassing van de in de Revi opgenomen rekenmethode daartoe aanleiding geeft.

2.8.3. Ten aanzien van artikel 24, lid 1a, onderdeel a, van de planregels overweegt de Afdeling dat het, na wijziging van het plan, verwijderen van de aanduiding "r" op de plankaart zich alleen zal voordoen als de betreffende Bevi-inrichting is opgeheven. De raad heeft met deze wijzigingsbevoegdheid, anders dan DSM betoogt, geen uitsterfbeleid beoogd, maar slechts mogelijk willen maken dat als een bedrijf wordt opgeheven de maatbestemming van de gronden kan worden afgehaald, zodat andere bedrijven zich ter plaatse kunnen vestigen. Er bestaat derhalve geen aanleiding voor de vrees van DSM dat de Bevi-inrichting zal worden wegbestemd. Het betoog faalt.

2.8.4. Ten aanzien van artikel 24, lid 1a, onderdeel b, van de planregels is van belang dat het industrieterrein Haven, anders dan DSM betoogt, niet specifiek is aangewezen voor de vestiging van Bevi-inrichtingen. De raad heeft in dit verband willen voorkomen dat ongewenste situaties ontstaan op het gebied van externe veiligheid en heeft derhalve de vestiging van nieuwe Bevi-inrichtingen bij recht uitgesloten en voorzien in een wijzigingsbevoegdheid die onder voorwaarden de vestiging van nieuwe Bevi-inrichtingen mogelijk maakt. De Afdeling acht dit niet onredelijk.

Het betoog faalt.

2.8.5. Ten aanzien van artikel 24, lid 1a, onderdeel c, van de planregels overweegt de Afdeling dat deze wijzigingsbevoegdheid onder meer voorziet in een mogelijkheid om de in het plan opgenomen PR 10-6-contouren te verkleinen als een verandering van relevante wet- en regelgeving daartoe aanleiding geeft. Anders dan DSM betoogt, bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat een verandering van relevante wet- en regelgeving eerst zou moeten worden vertaald in een omgevingsvergunning, voordat deze verandering kan worden vertaald in een bestemmingsplan.

2.8.6. Ten aanzien van de wijzigingsbevoegdheid van artikel 24, lid 1 a, onderdeel e, is het volgende van belang. Uit deze planregel volgt dat voorschriften en/of risicocontouren gewijzigd kunnen worden, indien een aanpassing van de rekenmethode uit de Revi daartoe aanleiding geeft.

Voor zover DSM heeft gesteld dat deze wijzigingsbevoegdheid niet door voldoende objectieve normen wordt begrensd omdat deze betrekking heeft op alle voorschriften, overweegt de Afdeling dat een toereikende objectieve begrenzing van een wijzigingsbevoegdheid afhangt van de omstandigheden van het geval. Hierbij kan onder meer belang worden gehecht aan de aard van de wijziging en de aanleiding voor het opnemen van deze bevoegdheid. Anders dan DSM betoogt, betekent het feit dat deze wijzigingsbevoegdheid ziet op alle voorschriften niet reeds dat deze wijzigingsbevoegdheid onvoldoende objectief begrensd is. Nu de aanleiding voor het opnemen en de gebruikmaking van deze bevoegdheid en de vastgestelde planregel duidelijk zijn, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat een toereikende objectieve begrenzing ontbreekt. Voorts is er geen grond voor de vrees van DSM dat de bestaande bedrijfsactiviteiten in strijd zullen komen met het plan bij gewijzigde wet- en regelgeving. Voormelde wijzigingsbevoegdheid is juist bedoeld om het plan in overeenstemming te houden met gewijzigde wet- en regelgeving. Als van deze bevoegdheid geen gebruik wordt gemaakt zal DSM, bij de huidige bedrijfsvoering, niet in strijd handelen met het plan. Het betoog faalt.

2.8.7. Ten aanzien van de wijzigingsbevoegdheid van artikel 24, lid 1a, onderdeel d, van de planregels wordt het volgende overwogen. Anders dan Maiburg betoogt, staat artikel 13, eerste lid, van het Bevi , waaruit een verantwoordingsplicht van het groepsrisico volgt bij een bestemmingsplan, er niet aan in de weg dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening in een wijzigingsbevoegdheid als voorwaarde wordt gesteld dat in de toelichting een verantwoording dient te worden gegeven van het groepsrisico. Daarbij betrekt de Afdeling dat een wijzigingsplan deel gaat uitmaken van het bestemmingsplan, waarvan het een wijziging betreft.

Het betoog van Stahl, Maiburg en DSM dat de voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid van artikel 24, lid 1 a, onderdeel d, zo stringent zijn dat aan hen geen reële uitbreidingsmogelijkheden worden geboden, slaagt.

Uit deze wijzigingsbevoegdheid vloeit voort dat de PR 10-6-contouren van Bevi-inrichtingen uitsluitend kunnen worden uitgebreid op gronden met de bestemmingen "Verkeersdoeleinden", "Groenvoorzieningen" en "Water" en/of op gronden van derden welke op de herzieningskaart zijn aangeduid met "r" gevolgd door een cijfer.

Voor Stahl, Maiburg en DSM brengt dit met zich dat zij geen reële uitbreidingsruimte meer hebben, aangezien zij niet of slechts in zeer geringe mate grenzen aan gronden waarop volgens de wijzigingsvoorwaarden een grotere contour mogelijk is. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat hij niet heeft beoogd deze bedrijven geen enkele uitbreidingsruimte te bieden, maar dat voorkomen dient te worden dat (beperkt) kwetsbare objecten in risicocontouren worden mogelijk gemaakt. Op plaatsen in het plangebied waar geen (beperkt) kwetsbare objecten in de omgeving van deze inrichtingen voorkomen, bestaat er naar het oordeel van de Afdeling, gelet op het belang van de Bevi-inrichtingen, geen aanleiding voor de wijzigingsvoorwaarde dat PR 10-6-contouren uitsluitend kunnen worden uitgebreid op gronden met de bestemmingen "Verkeersdoeleinden", "Groenvoorzieningen" en "Water" of gronden van derden die reeds zijn aangemerkt als risicocontour. Immers, na een zorgvuldige afweging van de belangen, kan bij wijziging worden uitgesloten dat dergelijke objecten in een uitgebreide contour zijn toegestaan. De raad heeft niet inzichtelijk gemaakt dat een dergelijke bevoegdheid geen toereikende objectieve begrenzing kan bevatten en geen ruimte kan bieden voor een zorgvuldige afweging van zowel de belangen van de Bevi-inrichtingen als de belangen van de omliggende bedrijven, waarbij gemeentelijk beleid, zoals de "Beleidsvisie Externe Veiligheid Gemeente Waalwijk", kan worden betrokken. Anders dan de raad betoogt, kan uit de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2011, in zaak nr. 200909754/1/R1, niet worden afgeleid dat in dit geval niet door middel van een wijzigingsbevoegdheid onder voorwaarden op een zorgvuldige wijze kan worden voorzien in enige uitbreidingsmogelijkheden voor Bevi-inrichtingen. Daarbij betrekt de Afdeling dat juist dit industrieterrein volgens de raad voor Bevi-inrichtingen de meest geschikte locatie is.

2.8.8. In hetgeen Stahl, Maiburg en DSM hebben aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. De beroepen van Stahl, Maiburg en DSM zijn op dit punt gegrond. Het bestreden besluit dient, voor zover het betreft artikel 24, lid 1a, onderdeel d, van de planregels, wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd. Met toepassing van

artikel 8:72, vierde lid, onder a, van de Awb draagt de Afdeling de raad op binnen 26 weken na verzending van deze uitspraak in zoverre een nieuw besluit te nemen.

Gebruiksbepaling van artikel 5, lid C, van de planregels

2.9. DSM betoogt dat in artikel 5, lid C, van de planregels ten onrechte een verwijzing is opgenomen naar de rekenmethode zoals deze geldt op het tijdstip van de vaststelling van de onderhavige herziening. Dit heeft tot gevolg dat indien de rekenmethode wordt gewijzigd DSM automatisch in strijd handelt met het bestemmingsplan, als deze wijziging tot gevolg heeft dat de plaatsgebonden risicocontour kleiner wordt.

2.9.1. De raad voert aan dat de vrees van DSM ongegrond is, nu de wijzigingsbevoegdheid van artikel 24, lid 1a, onderdeel e, van de planregels met zich brengt dat artikel 5, lid C, van de planregels, indien noodzakelijk, gewijzigd kan worden.

2.9.2. Ingevolge artikel 5, lid C, van de planregels zijn Bevi-inrichtingen zoals genoemd in tabel 1, lid A, onder 1, uitsluitend toegestaan voor zover de feitelijke PR 10-6-contour(en) berekend volgens de rekenmethode uit de Revi zoals deze geldt op het tijdstip van de vaststelling van de onderhavige herziening is/zijn gelegen:

- binnen het bouwperceel van de betreffende Bevi-inrichting; of

- op of binnen de op de herzieningskaart aangegeven PR 10-6-contour(en) van de betreffende Bevi-inrichting.

2.9.3. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de wijzigingsbevoegdheid van artikel 24, lid 1a, onderdeel e, van de planregels tevens betrekking heeft op artikel 5, lid C, van de planregels. Dit brengt met zich dat, indien na wijziging van de rekenmethode als bedoeld in de Revi de PR 10-6-contouren door middel van een wijzigingsplan moeten worden aangepast een dergelijk plan tevens zal moeten voorzien in een wijziging van artikel 5, lid C, van de planregels. De raad heeft dit ter zitting desgevraagd bevestigd. Overigens merkt de Afdeling op dat tegen een dergelijk wijzigingsplan te zijner tijd rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. Het betoog van DSM faalt.

Overgangsrecht

2.10. Maiburg betoogt dat in strijd met artikel 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) in het plan geen gebruiksovergangsrecht is opgenomen en dat geen beroep kan worden gedaan op het gebruiksovergangsrecht uit het bestemmingsplan "Industrieterrein Haven 1991". Dit kan volgens haar grote gevolgen hebben voor de inrichting van Maiburg.

2.10.1. De raad voert in dit verband aan dat het plan niet zal voorzien in nieuwe overgangsrechtelijke situaties en dat de planregel over het gebruiksovergangsrecht uit het ontwerp van het bestemmingsplan terecht bij de vaststelling is komen te vervallen.

2.10.2. Ingevolge artikel 3.2.2 van het Bro , voor zover hier van belang, worden in een bestemmingsplan de volgende regels van overgangsrecht ten aanzien van gebruik opgenomen:

1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

2. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

2.10.3. Uit de Nota van Toelichting behorende bij het Bro (Stb. 2008, 145) volgt dat bij de opzet van paragraaf 3.2 van het Bro is gekozen voor standaardbepalingen die, behoudens expliciet toegelaten afwijkingen, in elk bestemmingsplan of de herziening daarvan moeten worden opgenomen en dat het niet of het niet juist overnemen van deze standaardbepalingen in een bestemmingsplan tot gevolg heeft dat er aan het plan een gebrek kleeft dat in rechte kan worden aangevochten wegens strijd met het recht.

2.10.4. De Afdeling stelt vast dat het plan niet voorziet in gebruiksovergangsrecht en dat, mede gelet op de Nota van Toelichting, elk bestemmingsplan dient te voorzien in de in artikel 3.2.2 van het Bro vervatte overgangsrechtelijke regels. Het plan is dan ook in zoverre in strijd met artikel 3.2.2 van het Bro vastgesteld. Er is in het Bro niet voorzien in een expliciete afwijkingsmogelijkheid voor bestemmingsplannen die geen veranderingen in het bestaande gebruik met zich brengen, nog daargelaten het feit dat dit zich hier niet voordoet, nu het plan met zich brengt dat voor een aantal bedrijven de gebruiksmogelijkheden die de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" bood, zijn beperkt door het toekennen van een maatbestemming. Derhalve kan de raad niet worden gevolgd in zijn stelling dat in dit geval niet hoefde te worden voorzien in gebruiksovergangsrecht.

2.10.5. In hetgeen Maiburg heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan op dit punt is vastgesteld in strijd met artikel 3.2.2 van het Bro. Het beroep van Maiburg is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover daarin geen regels als bedoeld in artikel 3.2.2 van het Bro zijn opgenomen.

2.10.6. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, onder a, en vijfde lid, van de Awb de raad op te dragen om binnen 26 weken na en met inachtneming van deze uitspraak planregels vast te stellen als bedoeld in artikel 3.2.2 van het Bro .

Voor de periode dat voornoemde planregels worden voorbereid, geldt er op grond van dit plan geen gebruiksovergangsrecht. Om deze situatie te ondervangen, ziet de Afdeling aanleiding om de voorlopige voorziening te treffen dat gedurende deze periode artikel 3.2.2 van het Bro geldt voor dit plan. De Afdeling acht niet aannemelijk dat derde-belanghebbenden in bedoelde periode daardoor in hun belangen worden geschaad.

Overige bezwaren

2.11. In de overige door DSM, Stahl en Maiburg aangevoerde bezwaren, zoals strijd met de plantoelichting, ziet de Afdeling geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit.

Proceskosten

2.12. De raad dient ten aanzien van de beroepen van Stahl, Maiburg en DSM op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Stahl Europe B.V., het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Maiburg Lijmen B.V. en anderen en het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DSM NeoResins B.V. gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Waalwijk van 28 januari 2010 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen en Bevi", voor zover het betreft;

a. artikel 2, lid 8b-1, van de planregels, voor zover daarin geen toereikende invulling is gegeven aan de categorie kwetsbare objecten, bestaande uit gebouwen, waarin doorgaans grote aantallen personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn;

b. artikel 5, lid BII.A, onderdeel 1, van de planregels;

c. artikel 24, lid 1a, onderdeel d, van de planregels;

d. het ontbreken van regels als bedoeld in artikel 3.2.2 van het Bro ;

III. bepaalt dat de zinsnede "het bepaalde in lid BI, onder h" in artikel 5, lid BII.A wordt vervan gen door "het bepaalde in lid BI, onder i";

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, voor zover het betreft de vernietiging onder II.b;

V. draagt de raad van de gemeente Waalwijk op om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen, voor zover dit is vernietigd onder II.a, II.c en II.d en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

VI. treft de voorlopige voorziening dat gedurende de periode dat geen nieuw besluit is bekendgemaakt en in werking getreden in aanvulling op artikel 2, lid 8b-1, van de planregels het bepaalde in artikel 1, onderdeel l, onder c, van het Bevi als planregel geldt;

VII. treft de voorlopige voorziening dat gedurende de periode dat geen nieuw besluit is bekendgemaakt en in werking getreden artikel 3.2.2 van het Bro als planregel geldt;

VIII. verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

IX. veroordeelt de raad van de gemeente Waalwijk tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Stahl Europe B.V., de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Maiburg Lijmen B.V. en anderen en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DSM NeoResins B.V. in verband met de behandeling van hun beroepen opgekomen proceskosten, (€ 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Stahl Europe B.V., € 1147,20 (zegge: elfhonderdzevenenveertig euro en twintig cent) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Maiburg Lijmen B.V. en anderen, met dien verstande dat betaling aan de één bevrijdend werkt voor de ander, en € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DSM NeoResins B.V.);

X. gelast dat de raad van de gemeente Waalwijk aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Stahl Europe B.V., de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Maiburg Lijmen B.V. en anderen en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DSM NeoResins B.V. het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht vergoedt (€ 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) voor ieder van hen, met dien verstande dat de betaling aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Maiburg Lijmen B.V. bevrijdend werkt voor de andere in dat beroep genoemde partijen).

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en drs. W.J. Deetman en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Kegge, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Kegge

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2012

459-662.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature