< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Betreft een man die in 2009 vermoeid, ziek en onder invloed van alcohol door de pui van een tankstation aan de A15 reed

Uitspraak



RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Promis II

Parketnummer : 05/507053-09

Data zittingen : 7 oktober 2011 en 23 december 2011

Datum uitspraak : 6 januari 2012

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum],

adres : [adres].

Raadsvrouw : mr. I.J.K van der Meer, advocaat te Amsterdam.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

1. hij op of omstreeks 09 juni 2009, in de gemeente Neder-Betuwe, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto) daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de rijksweg A15 en/of de uitrijstrook van de rijksweg A15 ter hoogte van hectometerpaal 143.6, roekeloos, althans zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en/of onachtzaam heeft gereden,

terwijl hij onder invloed verkeerde van (een aanzienlijke hoeveelheid) alcohol en/of (hard)drugs (te weten: cocaïne) en/of medicijnen, althans na het gebruik van een (niet onaanzienlijke) hoeveelheid alcohol(houdende drank) en/of drugs en/of

medicijnen, en/of

terwijl hij (in ernstige mate) vermoeid was,

en met een snelheid van ongeveer 100 kilometer per uur, althans een snelheid van ongeveer 80 kilometer per uur, in elk geval met een, gezien de situatie ter plaatse (veel) te hoge snelheid die uitvoegstrook van de rijksweg A15, gelegen ter hoogte van hectometerpaal 143.6, is opgereden, in de richting van het aldaar gelegen tankstation,

(daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem gelegen gedeelte van die rijksweg A15 en/of die uitvoegstrook en/of het overige verkeer heeft gelet en/of is blijven letten en/of

(daarbij) zijn snelheid niet, althans in onvoldoende mate en/of te laat heeft verminderd en/of aangepast aan het overige verkeer, en/of

(daarbij) in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet in staat is geweest zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, en/of

(vervolgens), om een botsing/aanrijding met een aldaar rijdende personenauto (kenteken [x]) te voorkomen, naar links heeft gestuurd, waardoor hij in de berm van die uitvoegstrook terecht is gekomen, en/of

(vervolgens) (met nagenoeg onverminderde snelheid en/of zonder (sterk) te remmen en/of zonder in aanzienlijke mate zijn snelheid te minderen) is gebotst tegen en/of in aanrijding is gekomen met een bij dat tankstation stilstaande personenauto (kenteken [x]) en/of de muur/pui van de bij dat tankstation behorende winkel, en/of

(vervolgens/daarbij) dat tankstation is ingereden en/of

(vervolgens is gebotst tegen en/of in aanrijding is gekomen met een zich in die winkel bevindende persoon ([slachtoffer]),

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ([slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht,

terwijl het een ongeval betrof waardoor een ander lichamelijk letsel werd toegebracht en verdachte verkeerde in de toestand bedoeld in artikel 8 lid 2 van de Wegenverkeerswet 1994 ,

aangezien verdachte toen dat motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes adem bij een onderzoek 240 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 09 juni 2009 in de gemeente Neder-Betuwe, in elk geval in Nederland,

als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto), daarmee rijdende op de weg, de rijksweg A15,

terwijl hij onder invloed verkeerde van (een aanzienlijke hoeveelheid) alcohol en/of drugs en/of medicijnen, althans na het gebruik van een (niet onaanzienlijke) hoeveelheid alcohol(houdende drank) en/of drugs en/of medicijnen, en/of terwijl hij (in ernstige mate) vermoeid was,

met een snelheid van ongeveer 100 kilometer per uur, althans een snelheid van ongeveer 80 kilometer per uur, in elk geval met een, gezien de situatie ter plaatse (veel) te hoge snelheid die uitvoegstrook van de rijksweg A15, gelegen ter hoogte van hectometerpaal 143.6, is opgereden, in de richting van het aldaar gelegen tankstation,

(daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem gelegen gedeelte van die rijksweg A15 en/of die uitvoegstrook en/of het overige verkeer heeft gelet en/of is blijven letten en/of

(daarbij) zijn snelheid niet, althans in onvoldoende mate en/of te laat heeft verminderd en/of aangepast aan het overige verkeer, en/of

(daarbij) in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet in staat is geweest zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, en/of

(vervolgens), om een botsing/aanrijding met een aldaar rijdende personenauto (kenteken [x]) te voorkomen, naar links heeft gestuurd, waardoor hij in de berm van die uitvoegstrook terecht is gekomen, en/of

(vervolgens) (met nagenoeg onverminderde snelheid en/of zonder (sterk) te remmen en/of zonder in aanzienlijke mate zijn snelheid te minderen) is gebotst tegen en/of in aanrijding is gekomen met een bij dat tankstation stilstaande personenauto (kenteken [x]) en/of de muur/pui van de bij dat tankstation behorende winkel, en/of

(vervolgens/daarbij) dat tankstation is ingereden en/of

(vervolgens is gebotst tegen en/of in aanrijding is gekomen met een zich in die winkel bevindende persoon ([slachtoffer]),

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

2. hij op of omstreeks 9 juni 2009 in de gemeente Neder-Betuwe, in elk geval in Nederland, een voertuig (bedrijfsauto) heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen na zodanig gebruik van alcohol(houdende drank) dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek 240 microgram, in elk geval hoger bleek te zijn dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht.

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 23 december 2011 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. I.J.K van der Meer, advocaat te Amsterdam.

De officier van justitie, mr. A. van Veen, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsvrouw hebben het woord ter verdediging gevoerd.

Ter terechtzitting zijn tevens verschenen [slachtoffer], hierna te noemen: het slachtoffer, en [getuige-deskundige] als getuige-deskundige.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. De rechtbank heeft omwille van de leesbaarheid in het onder 1 tenlastegelegde na het woord “roekeloos” de woorden “heeft gereden” ingevoegd en de laatste zin van het onder 2 tenlastegelegde aangevuld met de woorden “bleek te zijn.”

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 9 juni 2009 reed verdachte in de gemeente Neder-Betuwe als bestuurder van een bedrijfsauto over de rijksweg A15 en over een uitrijstrook van die rijksweg, ter hoogte van hectometerpaal 143.6, in de richting van een tankstation. Al rijdende over die uitrijstrook, zag verdachte ineens een wagen voor zich rijden. Hij heeft naar links gestuurd om een personenauto, kenteken [x], te ontwijken, waardoor hij in de berm terecht is gekomen. Vervolgens is verdachte in botsing gekomen met een bij dat tankstation stilstaande auto (kenteken [x]). Daarna is verdachte de winkel van dat tankstation ingereden. Binnen de winkel van dat tankstation is verdachte in botsing gekomen met het slachtoffer, [slachtoffer], die bekneld raakte tussen de door verdachte bestuurde bestelbus en een koelvitrine. Verdachte was gedurende deze rit onder invloed van zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem 240 microgram per liter uitgeademde lucht bleek te zijn. Door dit ongeval is het slachtoffer een breuk van het kniegewrichtoppervlak van het scheenbeen toegebracht. Hieraan is hij geopereerd, waarbij een plaat en schroeven in zijn knie zijn aangebracht. De gevolgen voor de rechterknie van [slachtoffer] betroffen matige beperkingen ten aanzien van staan, lopen en traplopen en sterke tot volledige beperkingen ten aanzien van hurken, knielen, klimmen, klauteren en kruipen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair en het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Daartoe is aangevoerd dat verdachte roekeloos heeft gereden waarbij verdachte een tankstation is binnengereden. Aan dat ongeval heeft het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel overgehouden.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 . De getuigenverklaringen zijn niet ondertekend. Deze kunnen dan ook niet als zodanig tot bewijs worden gebruikt. Er is onvoldoende bewijs voor het onder 1 primair tenlastegelegde. Er kan geen verband worden gelegd tussen het gebruik van cocaïne en het ongeval. Verder was er geen sprake van een onaanzienlijke hoeveelheid alcohol, nu voor de gemeten hoeveelheid alcohol doorgaans een boete wordt opgelegd van € 250. De verdediging heeft voor vrijspraak van het onder 1 primair en voor partiële vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde gepleit.

De beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

Allereerst overweegt de rechtbank met betrekking tot de getuigenverklaringen als volgt. De getuigenverklaringen in het dossier zijn niet door de betreffende getuigen ondertekend. Deze verklaringen zijn echter opgetekend in op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Voorts zijn zij onderling niet tegenstrijdig en zijn zij in lijn met de overige bewijsmiddelen, waaronder de verklaringen van verdachte bij de politie en ter terechtzitting. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding deze verklaringen van bewijs uit te sluiten.

Ter beoordeling van het primair tenlastegelegde ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld welke feitelijke gedragingen die ten laste zijn gelegd kunnen worden bewezen en of de bewezen geachte feitelijke gedragingen schuld aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 opleveren. Daarbij komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij in de periode voorafgaand aan het ongeval veel privéproblemen en een groot drankprobleem had. Hij kon niet functioneren zonder alcohol. Vanaf het weekend voor het ongeval wilde hij stoppen met drinken. Op de maandag voor het ongeval is hij naar zijn werk gegaan, maar hij werd doodziek en moest naar huis. Op de (dins)dag van het ongeval ging hij wederom werken. Door het stoppen met alcoholgebruik kreeg verdachte die dag afkickverschijnselen. Hij was daardoor erg moe en ziek. Hij regelde een vervanger op zijn werk, meldde zich ziek en vertrok in zijn auto. Nadat hij eerst wat had gegeten, dronk hij een blikje bier om zich beter te voelen en reed hij richting huis. In de auto heeft hij vervolgens een tweede blikje bier gedronken. Voorafgaand aan het ongeluk was verdachte tijdens het besturen van de bestelbus verschillende keren ingedommeld, waarbij hij één keer met zijn auto op de vluchtstrook terecht kwam.

De rechtbank is van oordeel dat de door verdachte beschreven toestand, waarin hij afkickverschijnselen had, zeer vermoeid, ziek en onder invloed van alcohol was, dusdanig was dat hij geenszins in staat was een motorvoertuig te besturen. Door de toestand waarin verdachte zich bevond, en waarin hij naar het oordeel van de rechtbank niet aan het verkeer had mogen deelnemen, heeft het ongeval plaatsgevonden. Verdachte is zonder af te remmen vanaf de snelweg met (te) hoge snelheid de uitrijstrook opgereden, “scheurde” met hoge snelheid links langs de door [betrokkene] bestuurde auto en is in de berm geraakt. Vervolgens is hij met (nagenoeg) onverminderde snelheid op het tankeiland afgereden en heeft daar een personenauto met kenteken [x] geraakt. De bestuurder van die auto, die stond te tanken, moest wegspringen om ook niet geraakt te worden. Aansluitend is verdachte tegen de voorpui van het tankstation gebotst en de winkel van het tankstation ingereden, waarbij een persoon bekneld is geraakt tussen de door verdachte bestuurde bestelauto en een koelvitrine.

Het rijgedrag van verdachte is als roekeloos te kwalificeren omdat hij is gaan rijden en is blijven rijden, terwijl hij, gezien zijn lichamelijke en geestelijke gesteldheid, naar het oordeel van de rechtbank daartoe absoluut niet in staat was. Hierdoor heeft verdachte voormelde verkeersfouten gemaakt en ongelukken veroorzaakt.

De rechtbank kwalificeert het letsel van [slachtoffer] als zwaar lichamelijk letsel nu operatief ingrijpen noodzakelijk was en hij na anderhalf jaar nog beperkingen ondervond.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 09 juni 2009, in de gemeente Neder-Betuwe, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto) daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de rijksweg A15 en de uitrijstrook van de rijksweg A15 ter hoogte van hectometerpaal 143.6, roekeloos heeft gereden, terwijl hij onder invloed verkeerde van alcohol en terwijl hij in ernstige mate vermoeid was,

en met een gezien de situatie ter plaatse veel te hoge snelheid die uitvoegstrook van de rijksweg A15, gelegen ter hoogte van hectometerpaal 143.6, is opgereden, in de richting van het aldaar gelegen tankstation, daarbij in onvoldoende mate op het voor hem gelegen gedeelte van die uitvoegstrook en het overige verkeer heeft gelet en is blijven letten en

(daarbij) zijn snelheid niet heeft verminderd en/of aangepast aan het overige verkeer, en

(daarbij) in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet in staat is geweest zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, en

(vervolgens), om een botsing/aanrijding met een aldaar rijdende personenauto (kenteken [x]) te voorkomen, naar links heeft gestuurd, waardoor hij in de berm van die uitvoegstrook terecht is gekomen, en

vervolgens met nagenoeg onverminderde snelheid is gebotst tegen een bij dat tankstation stilstaande personenauto (kenteken [x]) en de muur/pui van de bij dat tankstation behorende winkel, en(vervolgens) dat tankstation is ingereden en

(vervolgens) is gebotst tegen een zich in die winkel bevindende persoon ([slachtoffer]),

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ([slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht,

terwijl het een ongeval betrof waardoor een ander lichamelijk letsel werd toegebracht en verdachte verkeerde in de toestand bedoeld in artikel 8 lid 2 van de Wegenverkeerswet 1994 ,

aangezien verdachte toen dat motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes adem bij een onderzoek 240 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank stelt voorts vast dat sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt, voor dit feit, volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

? Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant], van de politie Gelderland-zuid opgemaakte proces-verbaal van bedienaar ademanalyse-apparaat, proces-verbaalnummer 2009015877-2, blad 2, en

? de verklaringen van verdachte ter terechtzitting d.d. 23 december 2011.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 9 juni 2009 in de gemeente Neder-Betuwe, in elk geval in Nederland, een voertuig (bedrijfsauto) heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcohol(houdende drank) dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek 240 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feiten 1 en 2:

De eendaadse samenloop van

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 , terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994

en

overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 .

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen vervangende hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twaalf maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

Het standpunt verdediging

De verdediging heeft voor vrijspraak van het primair tenlastegelegde gepleit. Subsidiair heeft de verdediging gepleit voor een lagere taakstraf dan geëist door de officier van justitie. Volgens de verdediging dient een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid beperkt te blijven tot de tijd dat verdachte zijn rijbewijs was ontnomen.

De beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 2 december 2011; en

• de toelichting gegeven door [getuige-deskundige], behandelaar verslavingszorg, zoals afgelegd ter terechtzitting d.d. 23 december 2011.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte is gaan autorijden terwijl hij daartoe totaal niet in staat was. Hij was zeer vermoeid en ziek, had afkickverschijnselen en was onder invloed van alcohol. Door in een dergelijke toestand aan het verkeer deel te nemen en verkeersfouten te maken, heeft hij roekeloos gereden. Dit heeft zich verwezenlijkt in een dollemansrit die is geëindigd doordat verdachte de winkel van een tankstation is ingereden. Dit had niet alleen grote materiële schade tot gevolg, maar ook ernstig lichamelijk letsel bij de heer [slachtoffer].

Van iedere verkeersdeelnemer mag worden verwacht dat hij de verkeersveiligheid van anderen voorop stelt. In plaats hiervan is verdachte in een dergelijke toestand gaan rijden en heeft hij daarbij het leven van anderen op het spel gezet. Dit rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.

Door dit roekeloze rijgedrag van verdachte is het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toegebracht. Hij heeft zeer veel problemen met zijn knie gehad en zal er blijvend hinder van ondervinden. Tevens had het ongeval psychische problemen bij het slachtoffer tot gevolg.

Voor dergelijke feiten is in beginsel richtinggevend een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor drie jaar.

In de omstandigheid dat sprake is van een dusdanig tijdsverloop tussen het ongeval en de uiteindelijke behandeling ter terechtzitting, dat sprake is van schending van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM, waarvoor de officier van justitie geen duidelijke reden heeft kunnen geven, ziet de rechtbank aanleiding om thans geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden meer op te leggen. De rechtbank heeft hierbij tevens rekening gehouden met de positieve wending, die sindsdien in verdachte’s leven is opgetreden en die ter terechtzitting door deskundige [getuige-deskundige] is verduidelijkt.

Gezien de ernst van het feit, de gevolgen voor het slachtoffer en de geldende richtlijnen acht de rechtbank de oplegging van een hogere werkstraf en een hogere ontzegging van de rijbevoegdheid dan gevorderd door de officier van justitie, passend en geboden.

Verdachte heeft aangegeven een periode zeel veel problemen te hebben gekend en dusdanig aan de drank verslaafd te zijn geweest (per dag 18 halve liters bier dronk) dat hij zonder alcohol niet kon functioneren. Het onderhavige feit is mede voort gekomen uit deze problematiek. Aangegeven is dat verdachte pas vanaf mei 2011 geen alcohol meer drinkt en behandeld wordt voor diverse problemen, waaronder zijn alcoholverslaving. In het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding verdachte tevens een voorwaardelijke straf op te leggen als stok achter de deur.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 55, 63 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 6, 8, 175, 176, 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 .

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

- Een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf niet tenuitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

- het verrichten van een werkstraf gedurende 180 ( hondertachtig) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen één (1) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 90 (negentig) dagen.

- Ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen, bromfietsen daaronder begrepen, voor de duur van 18 (achttien) maanden,

met aftrek overeenkomstig artikel 179, lid 6, van de Wegenverkeerswet 1994 .

Bepaalt dat van deze ontzegging 6 (zes) maanden niet tenuitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Aldus gewezen door mr. P.C. Quak, als voorzitter, mr. J.J.H. van Laethem, en mr. L.M. Moerings, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C. Aalders, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 januari 2012.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature