< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Roerende woon- en bedrijfsruimtenbelasting. Waarde woonboot niet te hoog vastgesteld. Bij de vaststelling van de waarde is voldoende rekening gehouden met de door belanghebbende als waardedrukkend gestelde omstandigheden. Bij een object als de onderhavige zijn de ligplaatsrechten in hoge mate bepalend voor de waarde in het economische verkeer van het geheel.

Uitspraak



GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-11/00399

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer d.d. 27 december 2011

in het geding tussen:

mevrouw [X] te [Z], hierna: belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Nieuwkoop, hierna: de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 4 mei 2011, nummer AWB 11/1343 RZB, betreffende na te melden aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2010 een aanslag in de roerende woon- en bedrijfsruimtenbelasting opgelegd voor de roerende ruimte [a-weg 1] te [P] naar een heffingsmaatstaf van € 203.000.

1.2. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag afgewezen.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 111. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 30 november 2011, gehouden te ’s-Gravenhage. Beide partijen zijn ter zitting verschenen. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier een proces-verbaal opgemaakt.

Verordening

3. De raad van de gemeente Nieuwkoop heeft in zijn openbare vergadering van 17 december 2009 vastgesteld de Verordening belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten 2010 (hierna: de Verordening). Blijkens de inhoud van de gedingstukken is de Verordening op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt. De tekst van de Verordening behoort in kopie tot de stukken van het geding.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is tussen partijen als niet in geschil, dan wel door een van de partijen gesteld en door de wederpartij niet dan wel onvoldoende betwist, in hoger beroep het volgende komen vast te staan:

4.1. Belanghebbende heeft in 2010 het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de woonboot [a-weg 1] te [P] en de ligplaatsrechten (hierna te samen aangeduid als het object). Voorts heeft belanghebbende het genot krachtens eigendom van de bijbehorende grond met een oppervlakte van 110 m2, steiger en van het water met een oppervlakte van 810 m2. De woonboot is ongeveer 16 meter lang en 4 meter breed.

4.2. Aan belanghebbende is over het jaar 2010 een aanslag in de onroerende-zaakbelasting opgelegd ter zake van het genot krachtens eigendom van de grond, de steiger en het water. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de heffingsmaatstaf daarvan vastgesteld op € 36.000. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar betreffende die belasting geen beroep ingesteld.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

5.1 In geschil is de waarde van het object op de waardepeildatum.

5.2. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de waarde te hoog is vastgesteld. Zij voert daartoe aan dat te weinig rekening is gehouden met waardedrukkende factoren van de woonboot zoals:

a) de twee verrotte kozijnen;

b) de slechte staat van het bitumendak met lekkage als gevolg;

c) de slechte staat van het dakbeschot dat is verteerd;

d) de losse en gescheurde vloertegels in de douche.

De woonboot is in 2010 en 2011 bezichtigd door een taxateur van de gemeente, die heeft erkend dat deze gebreken aanwezig zijn. De ligplaats heeft geen hogere waarde dan de ligplaatsen van de referentieobjecten aan het [a-weg 2], [3] en [4] waarvan de waarde op € 148.000 is vastgesteld. De woonark zelf is € 10.000 waard. Belanghebbende stelt met een beroep op het gelijkheidsbeginsel dat de waarde van de woonark met ligplaats nooit hoger kan zijn dan de woonark van de andere eigenaren. De aanslag is willekeurig en te hoog vastgesteld. Voor het geval blijkt dat de waarde van de ark lager uitvalt, stelt de Inspecteur dat de ligplaatswaarde hoger is. Dat is niet juist. De ligplaats van belanghebbende dient lager gewaardeerd te worden dan die van de buren, omdat de ligplaats van belanghebbende slechts aan een kant is voorzien van een hardhouten damwand, terwijl de andere ligplaatsen rondom zijn afgebakend met hardhouten damwanden. De grondoppervlakte rond de ligplaats is aanzienlijk kleiner dan die van de referentieobjecten.

5.3. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de waarde van het object niet te hoog is vastgesteld. Bij de waardering is uitgegaan van gerealiseerde verkoopcijfers zoals:

[a-weg 4], een woonboot met een oppervlakte van 64 m2, op 20 juli 2005 verkocht voor € 355.000, waarvan € 35.000 voor de grond en € 320.000 voor de ark en de ligplaatsvergunning. Deze woonark was 43 jaar oud en had geen centrale verwarming. Die woonark los zou niet meer dan € 20.000 hebben opgebracht.

[a-weg 3], een woonboot van 72 m2, verkocht op 20 mei 2010 voor € 450.000 waarvan € 68.000 voor de grond en € 382.000 voor de ark en de ligplaatsvergunning.

[b-weg 1], een woonboot van 58 m2, verkocht in april 2008 voor € 205.000, welke woonboot na verkoop volledig is ontmanteld en opgeknapt.

[c-weg 1], een woonboot van 60 m2, verkocht in mei 2010 voor € 175.500 met een gehuurde ligplaats en schade aan de betonnen bak.

Genoemde twee woonboten hadden ook veel achterstallig onderhoud.

De Inspecteur bestrijdt dat de taxateur zich zou hebben uitgelaten over de waarde van de woonboot.

De Inspecteur stelt dat, mede gelet op de waarde die is gehanteerd bij verdeling van de nalatenschap van de grond, het water, de ligplaats en de boot van € 295.000, waarvan € 36.000 is toegerekend aan de grond en het water, de waarde voor de woonboot niet te hoog vastgesteld.

5.4. Voor een nadere uiteenzetting van de gronden waarop partijen hun standpunten doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

6.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot een naar een heffingsmaatstaf van € 160.000.

6.2 . De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

7. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen, waarbij voor eiser respectievelijk verweerder dient te worden gelezen belanghebbende onderscheidenlijk de Inspecteur:

”7. De waarde in het economische verkeer van de woonboot dient ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Verordening en overeenkomstig artikel 221, tweede lid, van de Gemeentewet , in verbinding met artikel 17 van de Wet waardering onroerende zaken te worden bepaald op de waarde die aan de woonboot kan worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de ruimte in de staat waarin deze zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. De prijs die een gegadigde bij de hier veronderstelde verkoop voor een woonboot met een vaste ligplaats, zal willen betalen, wordt in de regel mede bepaald door de ligplaats en de omgeving van de woonboot en de verwachtingen die deze gegadigde heeft omtrent de mogelijkheid dat de woonboot op die plaats zal kunnen blijven liggen (vgJ. HR 17 oktober 2003, nr. 38 005, LJN: AM 1462). Bij de waardebepaling dient dan ook, anders dan eiseres meent, rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat de woonboot inclusief ligplaats en ligplaatsvergunning kan worden verkocht.

8. Op verweerder rust de last om aannemelijk te maken dat hij de waarde van de woonboot niet te hoog heeft vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder, gelet op het door hem overgelegde taxatierapport en hetgeen hij overigens heeft aangevoerd, hierin geslaagd. De rechtbank overweegt daarbij het volgende.

Verweerder heeft ter onderbouwing van de door hem voorgestane waarde gewezen op de

verkoopprijzen van een aantal vergelijkingsobjecten, eveneens woonboten.

De bij de verkoop van deze vergelijkingsobjecten behaalde verkoopprijzen liggen alle boven de door verweerder vastgestelde waarde van de woonboot. Eén van de vergelijkingsobjecten met vrijwel dezelfde maten als de woonboot en een vergelijkbare ligplaats, is verkocht voor € 320.000 (exclusief grond). Een ander vergelijkingsobject dat iets groter is dan de woonboot, maar overigens goed vergelijkbaar is met de woonboot, is verkocht voor € 382,000 exclusief grond. Gelet hierop kan niet gezegd worden dat de vastgestelde waarde van de woonboot te hoog is in verhouding met de verkoopprijzen van genoemde vergelijkingsobjecten.

9. Hetgeen door of namens eiseres is aangevoerd, doet aan het hier boven gegeven oordeel niet af. De door eiseres gestelde gebreken aan de woonboot maken niet dat de waarde van de woonboot, inclusief ligplaats en ligplaatsvergunning verminderd zou moeten worden. De waarde van de woonboot wordt immers grotendeels bepaald door de waarde van de ligplaats en ligplaatsvergunning. Mede gelet op de hierboven genoemde verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten is door verweerder bij de waardebepaling voldoende rekening gehouden met de door eiser gestelde gebreken en overige waardrukkende factoren.

Dat eigenaren van een woonboot met een ligplaats/vergunning meer belasting betalen dan eigenaren van een woonboot zonder ligplaats/vergunning is inherent aan de door de wetgever gekozen heffingsmaatstaf(de waarde van de zaak). Van een schending van het gelijkheidsbeginsel is geen sprake omdat er van gelijke gevallen geen sprake is. Een woonboot zonder ligplaatsvergunning is, door het ontbreken van een ligplaats/vergunning, een wezenlijk andere roerende zaak dan een woonboot met ligplaats/vergunning.

Hetgeen voorts nog door of namens eiseres is aangevoerd kan niet leiden tot verlaging van de waarde en/of de aanslag.

10. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond verklaard.

11. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.”

Beoordeling van het hoger beroep

8.1. Het Hof hecht geloof aan hetgeen de Inspecteur heeft gesteld omtrent de vergelijkbare onderhoudstoestand van de referentieobjecten [b-weg 1] en [c-weg 1], en is van oordeel dat deze verkopen de door de Inspecteur vastgestelde waarde voldoende ondersteunen. Voorts heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat bij de vaststelling van de waarde voldoende rekening is gehouden met de door belanghebbende als waardedrukkend gestelde omstandigheden. Het Hof heeft bij zijn oordeel tevens in aanmerking genomen dat bij een object als het onderhavige de ligplaatsrechten in hoge mate bepalend zijn voor de waarde in het economische verkeer van het geheel.

8.2. Het vorenstaande brengt het Hof tot de conclusie dat het hoger beroep ongegrond is. Beslist dient te worden als volgt.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht .

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. B. van Walderveen, J.W. baron van Knobelsdorff en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y. Postema. De beslissing is op 27 december 2011 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature