< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Meststoffenwet. Boetes vanwege overschrijding gebruiksnorm dierlijke mest en fosfaatgebruiksnorm. Voorwaarden derogatie. Berekening percentage grasland. Gecombineerde opgave. Artikel 8:72a van de Awb . Zelf in de zaak voorzien.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/876

uitspraak van de meervoudige kamer van 29 september 2011 in de zaak tussen

Maatschap [eiseres], te [woonplaats], eiseres,

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 november 2010 heeft verweerder aan eiseres vanwege overtreding van artikel 7 van de Meststoffenwet (hierna: Mw) boetes opgelegd van in totaal € 29.951.

Bij besluit van 31 januari 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen door eiseres gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit van 11 november 2010 gehandhaafd.

Tegen het bestreden besluit heeft eiseres beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2011. Eiseres is vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2], bijgestaan door P. Overeem. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.S. Feenstra-Cooke, werkzaam bij het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, team Recht en rechtsbescherming Dienst Regelingen.

Overwegingen

1. Eiseres exploiteert een agrarisch bedrijf te [woonplaats].

2. Tussen partijen is in geschil of eiseres in 2009 heeft voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in de artikelen 25, 27 en 27a van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet , op grond waarvan zij in aanmerking komt voor een hogere gebruiksnorm van dierlijke meststoffen van 250 (in plaats van 170) kilogram stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond (derogatie). Partijen verschillen van mening over de vraag of eiseres in 2009 gedurende de periode van 15 mei tot en met 15 september ten minste zeventig procent van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond onafgebroken heeft beteeld met gras dat is bestemd om te worden gebruikt als ruwvoer.

3. Eiseres stelt dat verweerder in het kader van de derogatie bij de berekening van het percentage grasland een onjuiste oppervlakte grasland heeft gehanteerd. Volgens eiseres heeft zij bij het invullen van de Gecombineerde opgave 2009 ten onrechte vermeld dat perceel 19 een oppervlakte heeft van 3,53 hectare bouwland en voorts dat perceel 21 een oppervlakte van 1,77 hectare grasland heeft. Eiseres stelt dat dit 1,53 respectievelijk 3,77 hectare moet zijn. Daarnaast stelt eiseres dat geen rekening is gehouden met een bij deze percelen gelegen beek. Deze beek, aldus eiseres, is van invloed op de perceelsgrootte.

4. Op basis van de door eiseres ingevulde Gecombineerde opgave 2009 (p. 21) stelt de rechtbank vast dat eiseres heeft opgegeven dat de totale oppervlakte van haar bedrijf 37,69 hectare bedraagt, dit is exclusief 1,40 hectare oppervlakte overige grond (bijvoorbeeld erf, gebouwen, sloten). Blijkens het bij deze opgave behorende Overzicht gewaspercelen heeft eiseres voorts opgegeven dat zij daarvan op de peildatum (15 mei 2009) 24,39 hectare als (blijvend en tijdelijk) grasland in gebruik had. Uit de bij het primaire besluit van 11 november 2010 gevoegde Berekening gebruik meststoffen 2009 blijkt dat verweerder de tot het bedrijf van eiseres behorende oppervlakte landbouwgrond heeft berekend op 37,54 hectare, waarvan 24,24 hectare grasland. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat vanwege de aanwezigheid van zogenaamde landschapselementen – onder andere de hiervoor genoemde beek – op grond van artikel 1, derde lid, van de Mw een correctie van 0,15 hectare op de door eiseres opgegeven oppervlakte landbouwgrond respectievelijk grasland is toegepast.

5. De rechtbank overweegt dat bij de berekening van het graslandpercentage – in het kader van de derogatie – verweerder in beginsel mag uitgaan van de door eiseres zelf ingevulde Gecombineerde opgave 2009, tenzij eiseres voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat deze opgave (op onderdelen) niet correct is. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres daarin geslaagd. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

6. De rechtbank is van oordeel dat op basis van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting voldoende is vast komen te staan dat op perceel 21 in 2008 snijmaïs is beteeld en dat daarop in 2009 met een oppervlakte van 3,77 hectare – wettelijk verplichte – volgteelt (Italiaans raaigras) heeft plaatsgevonden. Anders dan verweerder stelt, is niet gebleken dat in de peilperiode sprake is geweest van een (niet toegestane) tussentijdse wijziging van bouw- naar grasland. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder het standpunt van eiseres dat in het in januari 2009 opgestelde Bemestingsplan rekening is gehouden met een graslandpercentage van 70, niet heeft weersproken. Voorts heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank aan de hand van ter zitting getoonde foto’s voldoende aannemelijk gemaakt dat de bewuste beek in de (droge) zomerperiode door jongvee wordt beweid. De stelling van eiseres dat deze beweiding door het Gelders Landschap als verpachter verplicht is gesteld, is door verweerder evenmin betwist. De rechtbank is van oordeel dat de beek daarmee voldoet aan de definitie van landbouwgrond zoals opgenomen in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, van de Mw : grond waarop daadwerkelijk enige vorm van landbouw wordt uitgeoefend. Derhalve heeft verweerder het in het kader van de derogatie berekende graslandpercentage van afgerond 64,6 (24,24 : 37,54 x 100%), onjuist berekend. Uit het voorgaande volgt immers dat dit percentage afgerond 70 (24,24 + 2 + 0,15 : 37,69 x 100%) bedraagt, zodat eiseres aan de in artikel 6, eerste lid, van de Beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 8 december 2005 (2005/880/EEG) in verbinding gelezen met artikel 9, tweede lid, van de Mw en de artikelen 24, eerste lid, en 25, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet gestelde eis voldoet om in aanmerking te komen voor de ruimere gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat niet is gebleken van andere landschapselementen dan de beek waarvoor de correctie van 0,15 hectare is toegepast.

7. Het voorafgaande brengt mee dat verweerder de aan eiseres opgelegde boetes onjuist heeft vastgesteld. Het beroep is daarom gegrond. Het bestreden besluit komt vanwege strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank zal, gelet op artikel 8:72 a Awb, zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit van 11 november 2010 in zoverre te herroepen dat aan eiseres boetes worden opgelegd tot in totaal

€ 8.424,25. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

8. In 2009 is de gebruiksnorm dierlijke mest voor eiseres 37,69 hectare x 250 kg = 9.422,50 kg, terwijl het gebruik dierlijke meststoffen 10.151 kg was. Dit betekent een overschrijding van de norm met 728,50 kg. Dit levert een boete op van 728,50 x € 7 = € 5.099,50. Ten aanzien van de fosfaatgebruiksnorm overweegt de rechtbank dat in 2009 deze norm voor eiseres ten aanzien van het grasland 26,39 hectare x 100 kg = 2.639 kg is en voor het bouwland 11,3 hectare x 85 kg = 960,5 kg. Het gebruik was 4.204 kg, hetgeen een overschrijding van de norm oplevert met 604,50 kg. Dit levert een boete op van 604,5 kg x € 5,50 = € 3.324,75. Derhalve bedraagt de boete totaal € 8.424,25.

9. De rechtbank is niet gebleken van door eiseres gemaakte proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

10. Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb , tot de volgende beslissing.

Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

herroept het primaire besluit van 11 november 2010 in zoverre dat aan eiseres boetes worden opgelegd tot in totaal € 8.424,50 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 302 aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, voorzitter, en mr. J.A. van Schagen en mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P. van der Stroom, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 29 september 2011.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb , binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, postbus 20021, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op:


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature