Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Verdachte heeft in strijd gehandeld met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. Verdachte heeft 28 gram hennep in een pand aanwezig gehad. Het hof bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd, gelet op de (zeer) geringe hoeveelheid hennep die de verdachte aanwezigheid heeft gehad alsmede op hetgeen in dit arrest ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie is overwogen. Conform de Opiumrichtlijn leende het ten laste gelegde zich in beginsel voor afdoening bij het openbaar ministerie (d.m.v. een transactie).

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



Rolnummer: 22-005811-09

Parketnummer: 15-700275-08

Datum uitspraak: 15 september 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te Amsterdam

meervoudige kamer voor strafzaken

zitting houdende te 's-Gravenhage

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 25 maart 2009 in de strafzaak tegen de verdachte:

[Verdachte],

geboren [geboorteplaats] (Ierland) op [geboortedag] 1973, [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van

6 september 2010 en 1 september 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep, en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde vrijgesproken, ter zake van het onder

1 subsidiair ten laste gelegde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 500,-, subsidiair 10 dagen hechtenis, en ter zake van het onder 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 20.000,-, subsidiair 135 dagen hechtenis, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met een proeftijd van twee jaren. Voorts is in eerste aanleg ten aanzien van feit 2 de personenauto, vermeld op de beslaglijst onder 9, alsmede het onder verdachte in beslaggenomen geldbedrag van € 8.500,-, vermeld op de beslaglijst onder 5, verbeurdverklaard.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

PRIMAIR:

hij op of omstreeks 08 april 2008 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [straatnaam] te Hoofddorp) een hoeveelheid van 46 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

SUBSIDAIR:

hij op of omstreeks 08 april 2008 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [straatnaam] te Hoofddorp) een hoeveelheid van 28 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

2.

hij in of omstreeks de periode van 24 september 2007 tot en met 8 april 2008, te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Amstelveen, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, (een) voorwerp(en), te weten (op 8 april 2008) een geldbedrag van 5.210,00 euro en/of een geldbedrag van 8.500,00 euro, althans (een) geldbedrag(en) en/of (in de periode van 24 september 2007 tot en met 8 april 2008) een auto (merk: Mercedes, kenteken 80-XS-TX), althans een geldbedrag ter aanschaf van deze auto,

heeft/hebben verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten voornoemd(e) geldbedrag(en) en/of de voornoemde personenauto, gebruik heeft/hebben gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte, mede overeenkomstig zijn aan het proces-verbaal van de terechtzitting gehechte pleitnota, betoogd dat het openbaar ministerie ten aanzien van feit 1 niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte dient te worden verklaard.

De raadsman heeft ter adstructie van zijn betoog –kort gezegd- aangevoerd;

- dat conform de Bos Polaris richtlijnen van het openbaar

ministerie ter zake van het in bezit hebben van 28 gram hennep de verdachte een transactie had moeten worden aangeboden in plaats van hem te dagvaarden, en dat de omstandigheid dat zulks niet is gebeurd, in strijd is met het vertrouwensbeginsel en een verzuim oplevert dat in beginsel tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dient te leiden;

- dat de verdachte een rechtmatig belang heeft bij het

behoud van de mogelijkheid om een Verklaring Omtrent het

Gedrag te verkrijgen en dat hij door oplegging van een

geldboete overeenkomstig de eis van de advocaat-generaal

niet kan worden geacht in het geschonden belang te zijn

gecompenseerd, zodat in zijn geval het openbaar

ministerie ook daadwerkelijk niet-ontvankelijk dient te

worden verklaard.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof stelt voorop dat hetgeen door de raadsman is aangevoerd niet ziet op het onder feit 1 primair ten laste gelegde. Ook overigens is er geen grond tot niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte terzake van feit 1 primair.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

Het hof stelt voorop dat het gaat om de toepassing van de Richtlijn Opiumwet, softdrugs, artikel 3 in verband met artikel 11 Opiumwet (hierna: de richtlijn). Deze Richtlijn is een op artikel 130, vierde lid van de Wet op de Rechterlijke Organisatie (hierna Wet R.O.) gebaseerde algemene aanwijzing betreffende de uitoefening van taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie, in casu de vervolging, welke zich ertoe leent jegens derden als recht te worden toegepast. Genoemde richtlijn is gepubliceerd en vormt geldend recht in de zin van artikel 79 (artikel 99 oud) van de Wet R.O..

Het hof stelt vast dat, gelet op de richtlijn, het subsidiair ten laste gelegde zich in beginsel leende voor afdoening bij door het openbaar ministerie aan te bieden transactie, bestaande in betaling van een geldbedrag.

In het onderhavige geval behoefde echter aan de verdachte, gelet op het hem primair ten laste gelegde, geen transactieaanbod te worden gedaan.

Overigens behoeft volgens de geldende jurisprudentie het rauwelijks dagvaarden van de verdachte evenmin zonder meer te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging, omdat in voorkomend geval het geschonden belang voldoende kan worden gecompenseerd doordat ter terechtzitting door het openbaar ministerie een straf wordt gevorderd die feitelijk in overeenstemming is met het transactieaanbod dat aan de verdachte overeenkomstig de richtlijn zou hebben moeten zijn gedaan en de rechter bij zijn beslissing omtrent de strafoplegging ervan doet blijken vorenbedoeld verzuim in zijn beoordeling te hebben betrokken (HR 8 oktober 2002, NJ 2003, 65).

Voor niet-ontvankelijkheid verklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van feit 1 bestaat, gelet op het vorenoverwogene, geen grond.

Vrijspraak

Feit 1 primair

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal behoort te worden vrijgesproken.

Feit 2

Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat op basis van de zich in het dossier bevindende stukken en het herhandelde ter terechtzitting in hoger beroep niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen zoals hem onder 2 is ten laste gelegd.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De politie is op 8 april 2008 de woning aan [straatnaam] te Hoofddorp binnengetreden ter inbeslagname van een vermoedelijke hennepkwekerij. In de onderhavige woning is geen hennepkwekerij aangetroffen, doch slechts een (zeer) geringe hoeveelheid hennep.

De rechter-commissaris heeft tijdens een daarop volgende doorzoeking op basis van de verdenking dat in de woning meer dan de aangetroffen hoeveelheid hennep aanwezig was

een bedrag ad € 8.500,- alsmede de sleutels van een auto, type Mercedes, in beslag genomen. De verdachte bleek bij nader onderzoek geen bekende bron van inkomsten te hebben waarna vervolgens bij de politie het vermoeden van witwassen is gerezen.

Het hof is van oordeel dat gelet op het vermoeden van witwassen en de daarbij in aanmerking genomen omstandigheden, van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld en de auto. De verdachte heeft dit van meet af aan gedaan. Tijdens het nadere onderzoek door de politie heeft de verdachte immers verklaard dat hij in de handel van horloges zat. Voorts heeft hij verklaard dat zijn zus in de ten laste gelegde periode over een aanzienlijke hoeveelheid geld beschikte en hem meermalen grote geldbedragen heeft geschonken. De zus van de verdachte heeft deze lezing bij de rechter-commissaris bevestigd.

Voorts zijn er bij de verdachte waardevolle horloges aangetroffen en heeft de getuige M. bij de rechter-commissaris bevestigd dat de verdachte in exclusieve, dure, horloges handelde. Aldus zijn er omstandigheden aan te wijzen die het bij verdachte aangetroffen geldbedrag en de auto kunnen verklaren. De auto bleek de verdachte op naam van een ander te hebben aangeschaft, hetgeen eveneens als verdacht mocht worden beschouwd. In eerste aanleg heeft de verdachte daarover echter verklaard dat hij problemen had bij het afsluiten van een betaalbare autoverzekering in verband met een eerder aan hem opgelegde rijontzegging. Deze verklaring van de verdachte vindt steun in de bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring van de getuige W.

De verdachte heeft naar ’s hofs oordeel en anders dan de rechtbank oordeelde, aldus een alternatieve, en niet onwaarschijnlijke, verklaring voor een legale herkomst van het geld en de auto gegeven.

Nu niet met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de gelden een legale herkomst hebben en een criminele herkomst niet als enig aanvaardbare verklaring van de onder de verdachte in beslaggenomen vermogensbestanddelen kan gelden, is naar het oordeel van het hof niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 08 april 2008 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, aanwezig heeft gehad in een pand aan de [straatnaam] te Hoofddorp een hoeveelheid van 28 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

Handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft, zoals hiervoor al vermeld, gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Geen straf of maatregel

Het hof ziet, gelet op de (zeer) geringe hoeveelheid hennep die de verdachte aanwezigheid heeft gehad alsmede op hetgeen hierboven ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie is overwogen, aanleiding om ten aanzien van feit 1 subsidiair op de voet van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel op te leggen.

Beslag

Ten aanzien van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven geldbedrag van € 8.500,-, zoals vermeld op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder 5, en de personenauto, zoals vermeld onder 9 van die lijst, zal het hof de teruggave aan de verdachte gelasten, gelet op de vrijspraak van feit 2.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

de personenauto, vermeld op de beslaglijst onder 9, alsmede het onder verdachte in beslaggenomen geldbedrag van € 8.500,-, vermeld op de beslaglijst onder 5.

Dit arrest is gewezen door mr. S. van Dissel,

mr. C.M. le Clercq-Meijer en mr. P.A. Offers, in bijzijn van de griffier mr. R.W. van Zanten.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 15 september 2011.

Mr. S. van Dissel en mr. P.A. Offers zijn buiten staat dit arrest mede te onderte


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature