< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Op grond van de hiervoor weergegeven bepalingen en mede gelet op hetgeen ter zake namens eiseres is gesteld, is de rechtbank, in navolging van de jurisprudentie van de rechtbank Den Haag, gepubliceerd onder LJN BM5637 en BM5568 en van de Hoge Raad 19 september 2003 (NTFR 2003/1591), van oordeel dat in de periode tussen het moment dat een rechtspersoon is opgehouden te bestaan en het moment van heropening van de vereffening op naam van die rechtspersoon rechtsgeldig (bezwaar en) beroep kan worden ingesteld. In casu is niet gebleken dat heropening van de vereffening niet mogelijk zou zijn.

In casu is de rechtbank van oordeel dat niet gesteld kan worden dat eiseres een aanvraag in de zin van voornoemd artikel heeft ingediend. Uit de bijlagen die bij de subsidieaanvraag zijn gevoegd en die onder de “feiten” bij deze uitspraak zijn opgenomen, blijkt naar het oordeel van de rechtbank ondubbelzinnig dat de aanvraag is ingediend door DOPT BV; het uittreksel uit het handelsregister staat op naam van DOPT BV, het ondernemingsprofiel heeft betrekking op DOPT BV, de financiële cijfers (winst- en verliescijfers) hebben betrekking op DOPT BV en ook in alle overige stukken wordt DOPT BV als aanvrager genoemd.

Uitspraak



RECHTBANK GRONINGEN

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 08-427 BESLU SCH

Uitspraak in het geschil tussen

Developing Opportunities for Plasmatechnology Beheer BV, gevestigd te Hilvarenbeek, eiseres,

gemachtigde mr. J.J.J. de Rooij,

en

het dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland, verweerder, gemachtigde mr. W.J.T. Bustin.

1. Onderwerp van geschil

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 19 maart 2008.

In dit (bestreden) besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit

van 23 oktober 2007 ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit is de verleningsbeschikking, waarbij bij wijze van voorschot subsidie respectievelijk premie is verleend op grond van de Investeringspremieregeling regionale projecten Noord Nederland 2000 (IPR 2000, versie 2003), ingetrokken en de bij wijze van voorschot verleende premie tot een bedrag van € 65.384 teruggevorderd. Verweerder vordert die premie van zowel eiseres als van Developing Opportunities for Photovoltaïc Technology BV (hierna DOPT BV) terug.

2. Zitting

Het geschil is behandeld op de zitting van 17 mei 2011.

Eiseres is niet verschenen.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door:

a. mr. W.J.T. Bustin, advocaat te Groningen en

b. mw. mr. S. van der Heijde, juridisch medewerkster bij verweerder.

3. Beoordeling van het geschil

Feiten

Op 19 december 2003 is bij verweerder een pro forma subsidie aanvraag ingediend in het kader van de Investeringspremieregeling Noord-Nederland 2000 (hierna: IPR 2000).

Naar aanleiding hiervan heeft verweerder (middels mevrouw P.T.W. Vos, waarnemend senior medewerker productgroep Subsidieregeling) bij brief van 7 januari 2004 aan “Dopt BV, t.a.v. [betrokkene]” Europalaan 20 te Den Bosch, bericht dat op 19 december 2003 een pro forma aanvraag is ingediend en dat de aanvraag het volledig ingevulde aanvraagformulier en de benodigde bijlagen dient te bevatten. Verzocht wordt de gevraagde bescheiden binnen vier weken na dagtekening van de brief in te leveren.

Bij brief van 4 februari 2004 heeft [betrokkene], inzake de “pro forma IPR 2000 aanvraag DOPT BV” verzocht om uitstel van de termijn voor indiening van de stukken te verlenen.

Bij brief van 13 februari 2004, eveneens gericht aan Dopt BV t.a.v. [betrokkene] op voornoemd adres, heeft verweerder het verzoek van 7 januari 2004 herhaald.

Op 12 maart 2004 heeft [betrokkene] die deze machtiging als [betrokkene] DOPT BV tekende, schriftelijk machtiging verstrekt aan NOM NV te Groningen, contactpersoon [betrokkene], om “voor DOPT BV subsidie aan te vragen betreffende de IPR en andere mogelijk van toepassing zijnde regelingen. Een en ander in het kader van de geplande vestiging van DOPT BV te Joure.”

Op 12 maart 2004 heeft [betrokkene] voornoemd, aan SNN de aanvullende stukken gezonden waarom in de brieven van 7 januari en 4 februari werd gevraagd. Zij schrijft in haar begeleidende brief: “In antwoord op uw brief van 13 februari 2004 (…) ontvangt u hierbij de aanvullende informatie voor de IPR 2000 aanvraag van DOPT BV.” De brief is in afschrift aan DOPT BV, t.a.v. [betrokkene], op het adres Europalaan 20 te Den Bosch gezonden.

Op het aanvraagformulier “Investeringspremieregeling Noord-Nederland 2000” staat met betrekking tot de gegevens van de aanvrager het volgende vermeld: “Naam onderneming (voluit en incl. rechtsvorm): Developing Opportunities for Plasmatechnology (Dopt) BV”, gevestigd op het adres Europalaan 20 te Den Bosch, waarbij [betrokkene] als contactpersoon en [betrokkene] de aanvragende onderneming genoemd wordt.

Voorts wordt bij vraag 5a van het aanvraagformulier aangegeven dat de onderneming deel uit maakt van een “groep”.

Bij vraag 7a “Beknopte omschrijving van de huidige ondernemingsactiviteiten” staat vermeld dat die “advies, handel en productie in fotovoltaische technologie” betreffen.

In het aanvraagformulier staat bij vraag 8a “verplaatsing bedrijfsactiviteiten en realisatie van een productielocatie voor Zonnepanelen te Joure.” Het project wordt blijkens het aanvraagformulier gerealiseerd aan de “Madame Curieweg 4 te Joure”.

Bij het aanvraagformulier waren diverse bijlagen als aanvullende informatie gevoegd, te weten: Bijlage A.I Uittreksel inschrijving kamer van Koophandel, Bijlage A.II Statuten of Samenwerkingsovereenkomst, Bijlage A.III juridische organisatiestructuur, Bijlage A.V Ondernemingsprofiel of ondernemingsbrochure, Bijlage B.I Beschrijving van het project, Bijlage B.II Specificatie investeringsbegroting, Bijlage B. III Bouwtekeningen of Bouwplattegronden, Bijlage B.X+XI Bouw en/of Milieuvergunning, Bijlage B.XII Specificatie theoretische capaciteiten, Bijlage C.I geconsolideerd jaarverslag voorafgaand boekjaar, Bijlage C.I Gespecificeerde balans- en resultaat prognoses, Bijlage C.III Specificatie financieringsmiddelen.

Bijlage A.I betreft een kopie van het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel d.d. 8 maart 2004 van de rechtspersoon “Developing opportunities for photovoltaic technoloy BV” (hierna: DOPT BV). Als bedrijfsomschrijving van deze onderneming staat in voornoemd uittreksel genoemd “Advisering in mogelijkheden foto-voltaische technology, produceren en handel drijven in zonnepanelen”. Als alleen en zelfstandig bevoegd bestuurder van deze vennootschap staat in het uittreksel genoemd “[de man]”. Als enig aandeelhouder staat genoemd “Developing Opportunities for Plasmatechnology Beheer BV” (hierna: eiseres).

Bijlage A.II betreft de statuten van de besloten vennootschap “Developing opportunities for photovoltaic technology BV” (DOPT BV), welke vennootschap blijkens de akte op 27 augustus 2002 is opgericht.

Bijlage A.III betreft een organogram van de juridische organisatiestructuur van dat moment en van de verwachte nieuwe situatie in de loop van 2004. In het organogram staat dat eiseres ten tijde van de aanvraag 100% aandeelhouder was van de aandelen van DOPT BV.

In bijlage A.V betreffende het “ondernemingsprofiel of ondernemingsbrochure”, staat ondermeer het volgende vermeld:

“1. Bedrijfsinformatie

Dopt bv staat voor Developing Opportunities for Photovoltaic Technology. Dopt heeft als doelstelling om producten met betrekking tot duurzame energie te produceren en te verhandelen. (…) Momenteel is Dopt Beheer bv (Developing Opportunities for Plasmatechnology) 100% eigenaar en tevens bestuurder van Dopt.

Dopt Beheer bv op haar beurt is in eigendom bij:

• Squall Holding bv, ingeschreven in Eindhoven en gevestigd in Geldrop.

• Jan Amos Comenius bv, ingeschreven in Tilburg en gevestigd in Hilvarenbeek.

Squall Holding wordt bestuurd door [de man]

Jan Amos Comenius bv wordt bestuurd door [de man]

(…)

Aangezien Dopt de intentie heeft om een belangrijke speler te worden in Nederland op het gebied van zonne-energie, heeft Dopt besloten om een productiefaciliteit op te richten in Joure, gevestigd aan de madame Curieweg 4. (…)”

In bijlage B.I betreffende de beschrijving van het project, staat dat “Dopt” aan de Madame Curieweg 4 te Joure een ideaal bedrijfspand heeft gevonden.

In bijlage B.X+XI betreffende de bouw- en/of milieuvergunning, staat dat de “drijver” van de inrichting is “Dopt BV” aan de Madame Curieweg 4 te Joure.

Voorts is bij de subsidieaanvraag overgelegd als bijlage C.I het “geconsolideerd jaarverslag voorafgaand boekjaar”. Daarbij is de winst- en verliesrekening van “Developing Opportunities for Photovoltaic Technologies” overgelegd, alsmede de balans van voornoemde onderneming.

Bij beschikking van 12 mei 2004, gericht aan zowel eiseres als DOPT BV t.a.v. [betrokkene] op adres Europalaan 20 te den Bosch, heeft verweerder besloten onder voorwaarden een premie te verlenen van maximaal € 154.846,-. Daarbij is aangegeven dat het gepresenteerde investeringsproject aanpassingen omvat in een bedrijfspand en investeringen en duurzame bedrijfsuitrusting ten behoeve van de vestiging van een productielocatie van zonnepanelen te Joure. Daarnaast wordt de reeds bestaande advies- en handelsonderneming in fotovoltaïsche technologie overgebracht van Den Bosch naar Joure.

In de beschikking staat vermeld dat bij de vaststelling van de premie voldaan zal moeten worden aan de in de regeling en in de brief opgenomen voorwaarden. Voorzover van belang staat daarin het volgende opgenomen: “In het bijzonder attenderen wij u op de navolgende voorwaarde:

1. Developing Opportunities for Photovoltaic Technology BV dient te voldoen aan de voorwaarden met betrekking tot een stuwende onderneming, zoals gesteld in artikel 1 sub b van de regeling. ” (…) “Indien blijkt dat niet aan de voorwaarden is voldaan of zal worden voldaan, kan deze verleningsbeschikking worden ingetrokken of gewijzigd.”

In de beschikking is er voorts op gewezen dat bij een betalingsverzoek onder meer stukken moeten worden bijgevoegd in de vorm van een definitieve jaarrekening 2003 van DOPT BV en de definitieve geconsolideerde jaarrekening 2003 van eiseres.

Op 28 oktober 2004 (door verweerder ontvangen in april 2005) heeft DOPT BV, middels haar directeur L[betrokkene] verweerder verzocht om een voorschot, door middel van de inzending van een IPR 2000 declaratieformulier. Dat verzoek is bij brief van DOPT BV van 21 april 2005 aangevuld met de overlegging van aanvullende stukken.

Naar aanleiding van dat verzoek is er tussen verweerder en DOPT BV nader ( email )contact geweest. In de emails die zijdens DOPT BV zijn verzonden, staat onder meer vermeld dat alle aandelen van DOPT BV ten name zijn gesteld van eiseres, die als houdster op treedt en niet als economisch eigenaar en dat DOPT BV economisch eigendom is van [betrokkene] (voor 55%), [de man] (voor 25%) en eiseres (voor 20%), waarbij aangegeven is dat binnen eiseres geen investeringen worden geactiveerd, “alles zit binnen DOPT BV”.

Bij besluit van 29 juni 2005, gericht aan eiseres en DOPT BV (beiden t.a.v. [betrokkene]), heeft verweerder besloten ten behoeve van het project met nummer 30116 een voorschot te verstrekken van € 65.384,-. Dit voorschot is uitbetaald op rekening van DOPT BV.

DOPT BV heeft, in de persoon van [betrokkene], verweerder tot twee maal, namelijk bij brieven van 13 oktober 2005 en 20 december 2006, verzocht om uitstel van de realisatietermijn van het project.

Op die verzoeken is door verweerder beslist bij besluiten van respectievelijk 21 november 2005 en 15 januari 2007. Beide besluiten waren geadresseerd aan zowel eiseres als DOPT BV, t.a.v. [betrokkene]. Bij het eerste besluit is de realisatietermijn van het project verlengd met 12 maanden, tot vóór 12 november 2006. Bij het tweede besluit is het verzoek in verband met overschrijding van de maximale realisatietermijn van drie jaar afgewezen en is aan betrokkenen verzocht binnen vier weken een verzoek om premievaststelling in te dienen.

In verband met het uitblijven van een reactie zijn eiseres en DOPT BV bij brief van verweerder van 21 februari 2007 gerappelleerd.

Op 19 maart 2007 (ontvangen door verweerder op 27 maart) is namens DOPT BV door de toenmalig [de man] verzocht om vaststelling van de premie. Daarbij is tevens aangegeven dat het project inmiddels is gerealiseerd.

Bij brief van 5 april 2007 heeft verweerder aan de provincie Friesland, het team Interne Controle en Accountancy, verzocht een verificatieonderzoek te verrichten bij zowel eiseres als DOPT BV.

Eiseres en DOPT BV zijn door verweerder bij brief van eveneens 5 april 2007 van dat verificatieonderzoek in kennis gesteld.

Bij brief van 4 september 2007 heeft de provincie Friesland het verzoek tot het verrichten van een verificatieonderzoek geretourneerd aan verweerder met de mededeling dat het niet is gelukt met DOPT BV een afspraak te maken. Daarnaast is een uittreksel van het handelsregister aan verweerder overgelegd, waaruit blijkt dat DOPT BV als rechtspersoon bij rechterlijke uitspraak van 1 augustus 2007 in staat van faillissement is verklaard.

Bij besluit van 23 oktober 2007, gericht aan eiseres en DOPT BV, heeft verweerder het verleningsbesluit van 12 mei 2004 ingetrokken. Het feitelijk aan DOPT BV uitbetaalde voorschot ad € 65.384,- is van laatstgenoemde BV teruggevorderd met het verzoek aan de curator de vordering op te nemen in de lijst van concurrerende vorderingen.

Voorts is door verweerder overwogen dat de premie destijds aan zowel DOPT BV als eiseres is verleend, evenals het betaalbaar gestelde voorschot, reden waarom het uitbetaalde voorschot eveneens van eiseres wordt teruggevorderd.

De curator, [de man] heeft verweerder bij brief van 24 oktober 2007 kenbaar gemaakt dat de vordering op DOPT BV is bijgeschreven op de lijst van voorlopig erkende concurrent schuldeisers.

Eiseres heeft op 31 oktober 2007 een bezwaarschrift ingediend tegen het besluit van verweerder van 23 oktober 2007. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij nimmer een aanvraag om investeringspremie heeft ingediend en zij daarover ook nimmer een beslissing of betaling heeft ontvangen. De omstandigheid dat verweerder aan DOPT BV premie heeft verleend doet daaraan niet af, nu eiseres daarbij nimmer betrokken is geweest.

Eiseres is in de gelegenheid gesteld in verband met het bezwaar op 25 januari 2008 te worden gehoord, van welke gelegenheid geen gebruik is gemaakt.

De externe adviescommissie voor behandeling van bezwaren tegen beschikkingen uitgaande van het Samenwerkingsverband Noord Nederland (hierna: de commissie) heeft in januari 2008 advies uitgebracht, waarin is geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren. In dat advies staat vermeld dat “Developing Opportunities for Plasmatechnology” op 12 maart 2004 een aanvraag heeft gedaan voor een subsidie in het kader van IPR 2000. Uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel blijkt dat dit eiseres is. Uit de overgelegde gegevens blijkt dat de subsidie is aangevraagd voor activiteiten van DOPT BV, welke onderneming zich gaat vestigen in Joure. DOPT BV was ten tijde van de aanvraag een 100% dochter van eiseres. Tevens was eiseres bestuurder van DOPT BV. Zowel de verleningsbeschikking, als de verstrekking van het voorschot staan op naam van eiseres en van DOPT BV. Tegen deze besluiten zijn door eiseres geen rechtsmiddelen aangewend. Beide rechtspersonen hebben hetzelfde adres, te weten Europalaan 20 te ’s-Hertogenbosch, zodat er van uitgegaan moet worden dat de besluiten eiseres hebben bereikt. Eiseres kan derhalve ook als aanvrager van de subsidie worden beschouwd. Dat de feitelijke uitbetaling op de bankrekening van DOPT BV heeft plaats gevonden maakt niet dat eiseres niet aansprakelijk is voor de terugvordering. Verweerder heeft conform het bepaalde in artikel 19 lid 4 en artikel 20 lid 1 van de IPR 2000 en artikel 15 van de Kaderverordening 2000 en artikel 4:48 Awb de verleningsbeschikking van eiseres ingetrokken, aangezien DOPT BV niet meer kon voldoen aan haar verplichtingen.

Bij het thans bestreden besluit van 19 maart 2008 heeft verweerder overeenkomstig dat advies beslist.

Tegen dat besluit heeft eiseres op 25 april 2008 beroep ingesteld, aangevuld op 11 juni 2008 en nader toegelicht bij stukken van 16 september 2010 en 30 september 2010. Eiseres handhaaft haar in bezwaar ingenomen standpunt. Daartoe heeft zij onder meer aangevoerd dat eiseres nooit een aanvraag om subsidie heeft gedaan en dat zij bij deze aanvraag ook geen belanghebbende was. De bemoeienis van eiseres met DOPT BV was flinterdun. Zij hield zich louter bezig met het beheer van de aandelen DOPT BV om dat zij juridisch aandeelhouder was van deze vennootschap. Het economisch eigendom lag bij Brouwer die tevens bestuurder was van DOPT BV. Eiseres hield zich niet bezig met de onder de IPR regeling vallende activiteiten, het betrof hier activiteiten van DOPT BV, en is niet gevestigd in de in artikel 6 van de IPR regeling genoemde gebieden. In alle overige stukken is van de zijde van de aanvrager uitsluitend DOPT BV als aanvragende partij genoemd. Eiseres kon ten tijde van de aanvraag niet als bestuurder van DOPT BV worden aangemerkt. Brouwer was in die tijd bestuurder van DOPT BV. Brouwer was niet vertegenwoordigingsbevoegd ten aanzien van eiseres. Eiseres heeft de beschikkingen die aan haar geadresseerd waren nooit ontvangen om redenen die in de stukken uiteen zijn gezet. Eiseres acht zich ook op grond van de omstandigheid dat verweerder de verleningsbeschikking mede op haar naam heeft afgegeven niet aansprakelijk voor de terugbetaling van het aan DOPT BV betaalde voorschot. Gelet op artikel 4:29 AWb is er geen sprake van een aan eiseres toegekende subsidie. Nu eiseres niet als subsidieontvanger kan worden aangemerkt, kunnen de gronden die genoemd zijn in artikel 4:48 Awb zich niet jegens haar voordoen. Verweerder heeft subsidie verstrekt aan een insolvabele vennootschap en kan de daaruit voortvloeiende consequenties niet op eiseres afwentelen. Eiseres vordert, nu zij in een onnodige procedure is betrokken, veroordeling van verweerder tot vergoeding van de door haar gemaakte kosten.

Verweerder heeft op 29 juli 2008 een verweerschrift ingediend, waarbij het bestreden besluit nader is toegelicht en gehandhaafd.

Op 15 juni 2009 is van de zijde van verweerder een uittreksel van de Kamer van Koophandel d.d. 15 juni 2009, overgelegd waarin staat vermeld dat de onderneming van eiseres is opgeheven met ingang van 11 december 2007. Op 29 januari 2008 is geregistreerd dat de ontbonden rechtspersoon is opgehouden te bestaan omdat er geen bekende baten meer aanwezig zijn met ingang van 11 december 2007.

Naar aanleiding van de omstandigheid dat eiseres als rechtspersoon voorafgaand aan het ingestelde beroep is ontbonden en geliquideerd, heeft eiseres zich bij brief van 24 juni 2009 op het standpunt gesteld dat de rechtspersoon nog voort bestaat waardoor nog restbelang bestaat bij voortzetting van het beroep.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres, nu zij ten tijde van het beroep reeds als rechtspersoon was opgeheven, niet ontvankelijk dient te worden verklaard in het beroep en dat zij, dan wel haar voormalig gemachtigde, wegens kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht dient te worden veroordeeld in de door verweerder gemaakte kosten.

Met betrekking tot de ontvankelijkheid.

Uit de gedingstukken blijkt, en de rechtbank neemt als vaststaand aan, dat Dopt BV op 1 augustus 2007 in staat van faillissement is verklaard en dat bij die gelegenheid [de man] als curator is benoemd.

Tevens blijkt ten aanzien van eiseres uit de gedingstukken, en met name uit een uittrekstel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel voor Brabant van 15 juni 2009, dat:

-op 29 januari 2008 is geregistreerd dat (eiseres als) ontbonden rechtspersoon is opgehouden te bestaan, omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn met ingang van 11 december 2007;

- op 29 januari 2008 is geregistreerd dat (eiseres als) onderneming is opgeheven met ingang van 11 december 2007.

Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat zij, ondanks haar ontbinding en liquidatie, als rechtspersoon voort bestaat en er in het kader van het beroep nog sprake is van een restbelang. Eiseres verwijst in dit verband naar artikel 19, lid 5, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW), dat onder meer bepaalt dat de rechtspersoon na ontbinding blijft voortbestaan voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is.

Dat is zelfs het geval na liquidatie (artikel 23c van Boek 2 van het BW). Hieruit volgt – aldus eiseres – dat een rechtspersoon kan herleven: a. op verzoek en b. met een bepaald doel.

Verweerder kan zich niet met dat standpunt verenigen. Eiseres is als rechtspersoon al op 11 december 2007 opgeheven en was derhalve niet gerechtigd – op 25 april 2008 – beroep in te stellen. Ook indien eiseres daartoe wel gerechtigd zou zijn geweest, omdat dit voor de vereffening nodig zou zijn, had zij aan haar naam ”in liquidatie” moeten toevoegen, hetgeen niet is gebeurd. Verweerder is van oordeel dat het beroep van eiseres niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Voorts stelt verweerder dat er sprake is van een kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht en dat de voormalig gemachtigde van eiseres, [de man] in beginsel dient te worden veroordeeld tot vergoeding van de integrale (en bovenforfaitaire) kosten van verweerder.

Het wettelijk beoordelingskader

Artikel 19 Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek luidt als volgt:

1. Een rechtspersoon wordt ontbonden:

a. door een besluit van de algemene vergadering of, indien de rechtspersoon een stichting is, door een besluit van het bestuur tenzij in de statuten anders is voorzien;

b. bij het intreden van een gebeurtenis die volgens de statuten de ontbinding tot gevolg heeft, en die niet een besluit of een op ontbinding gerichte handeling is;

c. na faillietverklaring door hetzij opheffing van het faillissement wegens de toestand van de boedel, hetzij door insolventie;

d. door het geheel ontbreken van leden, indien de rechtspersoon een vereniging, een coöperatie of een onderlinge waarborgmaatschappij is;

e. door een beschikking van de Kamer van Koophandel en Fabrieken als bedoeld in artikel 19 a;

f. door de rechter in de gevallen die de wet bepaalt.

2. De rechtbank verklaart op verzoek van het bestuur, een belanghebbende of het openbaar ministerie, of en op welk tijdstip de rechtspersoon is ontbonden in een geval als bedoeld in lid 1 onder b of d. De beschikking is voor een ieder bindend. Is de rechtspersoon in een register ingeschreven, dan wordt de in kracht van gewijsde gegane uitspraak, inhoudende de verklaring, door de zorg van de griffier aldaar ingeschreven.

3. Aan de registers waar de rechtspersoon is ingeschreven wordt van de ontbinding opgaaf gedaan: in de gevallen als bedoeld in lid 1, onder a, b en d door de vereffenaar, indien deze er is en anders door het bestuur, in het geval als bedoeld in lid 1, onder c door de faillissementscurator, in het geval als bedoeld in lid 1, onder e door de Kamer van Koophandel en Fabrieken en in het geval als bedoeld in lid 1 onder f door de griffier van het betrokken gerecht.

4. Indien de rechtspersoon op het tijdstip van zijn ontbinding geen baten meer heeft, houdt hij alsdan op te bestaan. In dat geval doet het bestuur of, bij toepassing van artikel 19a, de Kamer van Koophandel en Fabrieken, daarvan opgaaf aan de registers waar de rechtspersoon is ingeschreven.

5. De rechtspersoon blijft na ontbinding voortbestaan voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is. In stukken en aankondigingen die van hem uitgaan, moet aan zijn naam worden toegevoegd: in liquidatie.

6. De rechtspersoon houdt in geval van vereffening op te bestaan op het tijdstip waarop de vereffening eindigt. De vereffenaar of de faillissementscurator doet aan de registers waar de rechtspersoon is ingeschreven, daarvan opgaaf.

7. De gegevens die omtrent de rechtspersoon in de registers zijn opgenomen op het tijdstip waarop hij ophoudt te bestaan, blijven daar gedurende tien jaren na dat tijdstip bewaard.

Artikel 23c van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek luidt als volgt:

1. Indien na het tijdstip waarop de rechtspersoon is opgehouden te bestaan nog een schuldeiser of gerechtigde tot het saldo opkomt of van het bestaan van een bate blijkt, kan de rechtbank op verzoek van een belanghebbende de vereffening heropenen en zo nodig een vereffenaar benoemen. In dat geval herleeft de rechtspersoon, doch uitsluitend ter afwikkeling van de heropende vereffening. De vereffenaar is bevoegd van elk der gerechtigden terug te vorderen hetgeen deze te veel uit het overschot heeft ontvangen.

2. Gedurende het tijdvak waarin de rechtspersoon had opgehouden te bestaan, is er een verlengingsgrond als bedoeld in artikel 320 van Boek 3 ten aanzien van de verjaring van rechtsvorderingen van of tegen de rechtspersoon.

De overwegingen met betrekking tot de ontvankelijkheid

De rechtbank stelt vast dat het beroep van eiseres zich richt tegen de intrekking van de beschikking waarbij subsidie is verleend en tegen de terugvordering van de bij wijze van voorschot betaalde premie ad € 65.384,-.

Het bij het bestreden besluit gehandhaafde primaire besluit van verweerder dateert van 23 oktober 2007, het inleidend bezwaar van eiseres van 31 oktober 2007, de ontbinding respectievelijk de opheffing van eiseres als rechtspersoon in verband met het ontbreken van bekende baten vond plaats op 11 december 2007, hetgeen door de Kamer van Koophandel is geregistreerd op 29 januari 2008, terwijl verweerder het thans bestreden besluit op bezwaar heeft genomen op 19 maart 2008.

Op grond van de hiervoor gereleveerde omstandigheden stelt de rechtbank vast, dat het primaire besluit, evenals het inleidend bezwaarschrift, dateert van vóór de opheffing van eiseres als rechtspersoon. Dat kan niet worden gezegd van het thans bestreden besluit op bezwaar, dat eerst tot stand kwam nadat de ontbinding en de registratie daarvan bij de Kamer van Koophandel had plaats gevonden. Dit laatste geldt overigens ook voor het inleidend beroep, dat op 25 april 2008 door eiseres is ingediend. In geschil is derhalve primair of eiseres in haar beroep ontvankelijk is. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

Ingevolge voornoemd artikel 2:19, lid 1, onder a, van het BW wordt – voor zover hier van belang – een rechtspersoon ontbonden door een besluit van de algemene vergadering.

Ingevolge het vierde lid van die bepaling houdt de rechtspersoon op te bestaan, indien hij op het tijdstip van ontbinding geen baten meer heeft.

Het vijfde lid van dat artikel bepaalt dat de rechtspersoon na ontbinding blijft voortbestaan voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is.

De rechtbank leidt voorts uit het bepaalde in voornoemd artikel 2:23c BW af, dat de rechtspersoon, na het tijdstip waarop hij is opgehouden te bestaan, kan herleven, zij het uitsluitend ter afwikkeling van de vereffening.

Op grond van de hiervoor weergegeven bepalingen en mede gelet op hetgeen ter zake namens eiseres is gesteld, is de rechtbank, in navolging van de jurisprudentie van de rechtbank Den Haag, gepubliceerd onder LJN BM5637 en BM5568 en van de Hoge Raad 19 september 2003 (NTFR 2003/1591), van oordeel dat in de periode tussen het moment dat een rechtspersoon is opgehouden te bestaan en het moment van heropening van de vereffening op naam van die rechtspersoon rechtsgeldig (bezwaar en) beroep kan worden ingesteld. In casu is niet gebleken dat heropening van de vereffening niet mogelijk zou zijn.

Hieruit volgt dat eiseres ontvankelijk dient te worden geacht in haar beroep. Dat houdt tevens in dat aan de argumentatie van verweerder, waaronder het argument dat eiseres aan haar naam niet heeft toegevoegd “in liquidatie”, niet dat gewicht kan worden toegekend dat verweerder heeft beoogd, nog daargelaten het feit dat zonder meer duidelijk was wie als appellerende partij moest worden aangemerkt. Daaruit volgt tevens dat er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende termen aanwezig zijn voor onderschrijving van het standpunt van verweerder, dat eiseres, althans haar voormalig gemachtigde, zich schuldig heeft gemaakt aan kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht en daarmee aan verweerder schadeplichtig is geworden.

Met betrekking tot de intrekking van de subsidieverlening

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt, dat eiseres in haar beroep tegen het besluit op bezwaar van 19 maart 2008 kan worden ontvangen. De rechtbank merkt daarbij op dat de omstandigheid dat eiseres ten tijde van dat besluit als rechtspersoon is opgehouden te bestaan op zich niet redengevend is om dat besluit om die reden niet in stand te laten. Nu ook overigens niet is gebleken van beletselen op grond waarvan eiseres in haar beroep kan worden ontvangen, staat nog aan de rechtbank ter beoordeling de vraag of het bestreden besluit in rechte stand houdt.

Tussen partijen is in de eerste plaats in geschil of ten opzichte van eiseres kan worden overgegaan tot intrekking van het besluit waarbij subsidie is verstrekt in het kader van de IPR 2000. De rechtbank zal zich beperken tot dit punt van geschil.

In artikel 4:48 Awb is de intrekking van de beschikking tot subsidieverlening geregeld. In dat artikel staat, voorzover van belang, het volgende vermeld:

Zolang de subsidie niet is vastgesteld kan het bestuursorgaan de subsidieverlening intrekken of ten nadele van de subsidie-ontvanger wijzigen, indien:

a. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden;

b. de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;

c. de subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid;

d. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidieverlener dit wist of behoorde te weten, of

e. met toepassing van artikel 4:34, vijfde lid, een beroep wordt gedaan op de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld.

Uit het voorgaande volgt dat subsidie alleen kan worden ingetrokken van de subsidie-ontvanger. Mitsdien is de vraag aan de orde of eiseres in casu als subsidie-ontvanger in de zin van de Awb kan worden aangemerkt. Partijen zijn verdeeld over het antwoord op deze vraag. Voor de beantwoording van deze vraag acht de rechtbank van belang hetgeen in artikel 4:29 Awb is geregeld. In dat artikel staat vermeld dat “tenzij bij wettelijk voorschrift anders bepaald is, voorafgaand aan een subsidievaststelling een beschikking omtrent subsidieverlening kan worden gegeven, indien een aanvraag daartoe is ingediend voor de afloop van de activiteit of het tijdvak waarvoor subsidie is gevraagd”.

De rechtbank overweegt op grond van het vorenstaande dat uitgangspunt is dat aan subsidieverlening een aanvraag ten grondslag ligt. Hiervoor gelden de algemene regels van afdeling 4.1.1 Awb. Onder een aanvraag verstaat de Awb blijkens het bepaalde in artikel 1:3 lid 3: een verzoek van een belanghebbende een besluit te nemen.

In casu is de rechtbank van oordeel dat niet gesteld kan worden dat eiseres een aanvraag in de zin van voornoemd artikel heeft ingediend. Uit de bijlagen die bij de subsidieaanvraag zijn gevoegd en die onder de “feiten” bij deze uitspraak zijn opgenomen, blijkt naar het oordeel van de rechtbank ondubbelzinnig dat de aanvraag is ingediend door DOPT BV; het uittreksel uit het handelsregister staat op naam van DOPT BV, het ondernemingsprofiel heeft betrekking op DOPT BV, de financiële cijfers (winst- en verliescijfers) hebben betrekking op DOPT BV en ook in alle overige stukken wordt DOPT BV als aanvrager genoemd.

Het feit dat op het aanvraagformulier “Developing Opportunities for Plasmatechnology (Dopt) BV” staat genoemd moet in het licht van de overige bij de aanvraag gevoegde stukken als een vergissing worden beschouwd, temeer ook nu de naam die daar genoemd is, ook niet de naam is van eiseres.

Daarnaast overweegt de rechtbank dat de activiteiten waarvoor subsidie werd verzocht, activiteiten van DOPT BV betroffen, die haar onderneming naar Joure wilde overbrengen; nergens blijkt dat het hier activiteiten van eiseres zou betreffen of dat eiseres gevestigd is of zou worden in de in artikel 6 van de IPR 2000 genoemde gebieden. Voorts overweegt de rechtbank dat de verplichting die in de beschikking van 23 oktober 2007 aan de subsidie verbonden is, en die in deze uitspraak onder de feiten is opgenomen, is opgelegd aan DOPT BV en niet aan eiseres.

Het vorenstaande brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat er geen sprake is van een aanvraag die door eiseres is gedaan en dat eiseres mitsdien ook niet als subsidie-ontvanger in de zin van de Awb kan worden aangemerkt. Derhalve is er ten aanzien van eiseres dan ook geen sprake van een subsidie-verlening. Dat wordt niet anders doordat verweerder de beschikking van 23 oktober 2007, de voorschotbeschikking en de beslissing op bezwaar tevens ten name van eiseres heeft gesteld en daartegen door eiseres geen rechtsmiddel is ingesteld.

De stelling van verweerder dat eiseres in het licht van het vorenstaande toch als subsidie-ontvanger moet worden aangemerkt nu zij volgens verweerder de moedermaatschappij van DOPT BV is en zij het bestuur over deze vennootschap had, kan niet slagen. Deze stelling verhoudt zich niet tot de subsidiesystematiek van de Awb zoals die hiervoor is neergelegd. Uitgaande van de uittreksels van de Kamer van Koophandel is het overigens onjuist dat eiseres het bestuur over DOPT BV voerde. Het bestuur over DOPT BV werd blijkens het uittreksel ten tijde van de aanvraag door Brouwer gevoerd, die in de correspondentie met verweerder ook steeds als [betrokkene] DOPT BV getekend heeft.

Voorzover verweerder nog heeft aangevoerd dat er sprake is van bestendig beleid bij verweerder dat een subsidievoorschot ook teruggevorderd kan worden van een partij als eiseres die onderdeel uitmaakt van de groep waartoe DOPT BV behoort en dat er – zoals verweerder ter zitting heeft aangegeven – in wezen sprake is van een “hoofdelijke aansprakelijkheid” van eiseres voor het verleende voorschot, overweegt de rechtbank dat op grond van dit beleid niet tot intrekking van de subsidie-verlening kan worden overgegaan, nu dit beleid niet ziet op een van de gronden van artikel 4:48 Awb . Voorzover dit beleid ruimere mogelijkheden tot intrekking zou cre ëren dan welke in artikel 4:48 Awb staan genoemd, dient dit beleid wegens strijd met de wet buiten toepassing te blijven en kan dit niet aan het besluit tot intrekking ten grondslag gelegd worden.

Voorts merkt de rechtbank op dat in de beschikking waarbij de subsidie aan DOPT BV is verleend niet het voorschrift is verbonden is dat eiseres zekerheid stelt ten behoeve van de subsidieverlening aan DOPT BV.

Voorzover verweerder bedoeld heeft met een beroep op dit beleid in deze procedure rechtstreeks over te gaan tot terugvordering bij eiseres van hetgeen bij wijze van voorschot aan DOPT BV is uitgekeerd, overweegt de rechtbank dat deze stelling evenmin kan slagen. Ingevolge artikel 4:57 Awb dient aan het terugvorderingsbesluit een expliciet besluit tot intrekking van de subsidie-verlening vooraf te gaan. Zoals hiervoor is overwogen, kan eiseres niet als subsidie-ontvanger worden beschouwd, zodat er ten hare aanzien geen sprake is van een besluit tot subsidie-verlening, laat staan van een besluit tot intrekking daarvan.

Het vorenstaande brengt mee dat het bestreden besluit – evenals het daarbij gehandhaafde primaire besluit van 23 oktober 2007, voor zover beide besluiten althans betrekking hebben op de aanspraken en verplichtingen van eiseres – wegens strijd met de bepalingen van de Awb en de subsidiesystematiek niet in stand kan worden gelaten en het beroep gegrond dient te worden verklaard met vernietiging van het bestreden besluit en herroeping van het primaire besluit.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, houdt de uitspraak, gelet op artikel 8:74, eerste lid, Awb , tevens in dat het door eiseres betaalde griffierecht ad € 288,- door verweerder aan eiseres dient te worden vergoed.

De rechtbank acht verder termen aanwezig verweerder op de voet van artikel 8:75 , lid 1, Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van zowel het bezwaar als het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken en wijst verweerder aan als de rechtspersoon die die kosten moet vergoeden.

Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt de rechtbank deze kosten (met inachtneming van een score van 1 punt in bezwaar en 3 punten in beroep) op

€ 1748,-, zoals nader aangegeven op een bij de uitspraak gevoegde bijlage.

Beslist moet worden als volgt.

4. Beslissing

De Rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 19 maart 2008 en herroept het primaire besluit van 23 oktober 2007;

- bepaalt voor zover nodig dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ad € 288,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres in bezwaar en beroep, welke zijn vastgesteld op € 1748,- en bepaalt dat verweerder eiseres deze kosten dient te betalen;

- wijst het anders of meer gevorderde af.

Deze uitspraak is gedaan door mw. mr. D.M. Schuiling, in aanwezigheid van G. Rammeloo als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 september 2011.

De griffier, De rechter,

De rechtbank wijst er op dat partijen en andere belanghebbenden binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA in Den Haag.

Afschrift verzonden op:

typ: GR


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature