Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Belanghebbende is woonachtig in Nederland en heeft de Nederlandse nationaliteit. Tweemaal is door de douane geconstateerd dat belanghebbende in Nederland gebruik maakte van de openbare weg met een auto met een Belgisch kenteken. De betreffende auto werd geleased bij een in België gevestigde leasemaatschappij. De inspecteur heeft vervolgens een naheffingsaanslag BPM opgelegd met boete en heffingsrente. Het Hof is het met belanghebbende eens dat de naheffingsaanslag in strijd is met artikel 49 EG-verdrag (oud) en verwijst daarbij naar de beschikking van het Hof van Justitie van de EU van 29 september 2010, C-91/10 VAV-Autovermietung GmbH. De gewijzigde wet BPM voorziet niet in een heffing waarbij voor of tijdens het gebruik van de openbare weg in Nederland rekening gehouden wordt met de duur van de huurovereenkomst of met het gebruik in Nederland. Het Hof verwijst vervolgens naar het arrest van de Hoge Raad van 14 november 2008, nr. 40597bis, LJN: BG4211 en concludeert dat de rechter de naheffingsaanslag niet in overeenstemming kan brengen met het gebruik. De naheffingsaanslag moet worden vernietigd omdat deze in strijd is met het communautaire evenredigheidsbeginsel. Hoger beroep van belanghebbende gegrond.

Uitspraak



GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Derde meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 10/00409

Uitspraak op het hoger beroep van

de heer X,

wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 12 april 2010, nummer AWB 09/4515, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Douane Noord van de rijksbelastingdienst,

hierna (evenals de directeur van het onderdeel Belastingregio Belastingdienst/Zuidwest van die dienst, die met ingang van 1 januari 2011 te dezen bevoegd is, aan te duiden als): de Inspecteur,

betreffende na te noemen naheffingsaanslag belasting personenauto's en motorrijwielen, de daarbij gegeven boetebeschikking en beschikking heffingsrente.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is met dagtekening 28 mei 2009 onder aanslagnummer 0000.00.000/00.0.0000 een naheffingsaanslag belasting personenauto's en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd naar een bedrag van € 17.030. Tegelijkertijd zijn, in één geschrift verenigd met de naheffingsaanslag, bij voor bezwaar vatbare beschikkingen een vergrijpboete opgelegd van € 8.515 (hierna: de boetebeschikking) en een heffingsrente van € 324 (hierna: de beschikking heffingsrente). Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag en - naar het Hof verstaat - de boetebeschikking en de beschikking heffingsrente bezwaar gemaakt. Bij in één geschrift verenigde uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de bezwaren ongegrond verklaard.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 150. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze laatste uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 224. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 11 februari 2011 te 's-Hertogenbosch. Aldaar is toen verschenen en gehoord de Inspecteur.

De gemachtigde van belanghebbende heeft het Hof bij brief van 8 februari 2011 bericht dat hij, noch belanghebbende ter zitting aanwezig zullen zijn.

1.5. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

1.6. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1. Belanghebbende is woonachtig in Nederland en heeft de Nederlandse nationaliteit.

2.2. Op 11 december 2007 is door de Douane geconstateerd dat belanghebbende gebruik maakte van de openbare weg in Nederland met een auto met Belgisch kenteken. Dit was een personenauto van het merk Mercedes, type --------, met het chassisnummer ------- met het Belgische kenteken XXX000 (hierna: de personenauto). Voor de personenauto is geen (aangifte voor de) BPM voldaan. De personenauto werd in december 2007 gehuurd van de Belgische leasemaatschappij genaamd A NV te B (hierna: A).

2.3. Op 11 december 2007 is aan belanghebbende een zogenoemd informatieformulier buitenlandse kentekens uitgereikt.

2.4. Op 19 oktober 2008 is door de Douane andermaal geconstateerd dat belanghebbende met de personenauto gebruik maakte van de openbare weg in Nederland. Ook bij die constatering is aan belanghebbende een informatieformulier buitenlandse kentekens uitgereikt. Ten tijde van de controle heeft de Douane een huurcontract gezien van A op naam van C, de zoon van belanghebbende. Dat contract liep van 1 september 2008 tot 1 december 2008. De Inspecteur heeft geen kopie van dit contract, omdat de douane bij een controle op de weg geen mogelijkheid heeft dit stuk te kopiëren en belanghebbende niet heeft voldaan aan de verzoeken van de Inspecteur om informatie.

2.5. Na de controle van 19 oktober 2008 is een onderzoek ingesteld naar het verleden van belanghebbende in relatie tot het rijden in de personenauto. Van dit onderzoek is door de ambtenaren D en E op 9 december 2008 een rapport van bevindingen opgemaakt.

2.6. De Inspecteur heeft ter zitting van 11 februari 2011 verklaard niet te betwisten dat de personenauto voor een periode van ten minste 30 maanden werd gehuurd van A.

2.7. De Inspecteur heeft de onderhavige naheffingsaanslag, boetebeschikking en beschikking heffingsrente opgelegd in verband met het onder 2.2 vermelde gebruik van de openbare weg.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Dient de naheffingsaanslag te worden vernietigd in verband met strijdigheid met artikel 49 van het EG-verdrag (nu: artikel 56 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie)?

II. Is de boete terecht en tot de juiste hoogte opgelegd?

III. Is de heffingsrente terecht en tot de juiste hoogte vastgesteld?

Belanghebbende beantwoordt vraag I bevestigend en vraag II en vraag III ontkennend. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun vorenvermelde standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen de Inspecteur hieraan ter zitting heeft toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot gegrondverklaring van het bij de Rechtbank ingestelde beroep, tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar, tot vernietiging van de naheffingsaanslag, alsmede de boetebeschikking en de beschikking heffingsrente. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

Vraag I

4.1. Tussen partijen is niet in geschil, dat beoordeeld naar nationaal recht de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Nu niet is gebleken dat partijen daarbij zijn uitgegaan van een onjuist juridisch uitgangspunt zal het Hof partijen hierin volgen.

4.2. Belanghebbende heeft in de motivering van zijn hoger beroep - overeenkomstig zijn standpunt op 11 december 2007 en nadien - gesteld, dat de personenauto werd gehuurd in het buitenland. In het verweerschrift heeft de Inspecteur deze stelling niet bestreden. Voorts heeft de Inspecteur tijdens het onderzoek ter zitting er weliswaar op gewezen dat het leasecontract, ondanks dat de Inspecteur daarom heeft verzocht, niet is overgelegd, maar heeft hij tevens verklaard niet te willen bestrijden dat de personenauto voor een periode van 30 maanden werd gehuurd.

4.3. Belanghebbende heeft gesteld dat de naheffingsaanslag vernietigd moet worden, omdat de heffing van BPM in de onderhavige situatie in strijd is met het vrij verkeer van diensten als bedoeld in artikel 49 van het EG-verdrag.

4.4. De onder 4.3 vermelde stelling van belanghebbende is juist. In de beschikking van het Hof van Justitie van de Europese Unie te Luxemburg (hierna: HvJ EU) van 29 september 2010, C-91/10, VAV-Autovermietung GmbH, oordeelde het HvJ EU dat de Wet op de belasting personenauto's en motorrijwielen (hierna: Wet BPM) die in Nederland wonende of gevestigde personen die hoofdzakelijk in Nederland een in een andere lidstaat geregistreerd en gehuurd voertuig gebruiken, verplicht, vanaf de aanvang van het gebruik van een motorvoertuig op het Nederlandse wegennet, tot betaling van het volledige bedrag van de betrokken belasting zonder rekening te houden met de duur van de huurovereenkomst van het betrokken voertuig en met het gebruik ervan op het Nederlandse wegennet een wettelijke regeling is waarbij een belasting wordt geheven die niet evenredig is aan de gebruiksduur van genoemd voertuig in Nederland. Het HvJ EU overweegt voorts dat hieraan niet af doet dat uit de Wet BPM volgt dat het restbedrag, dat wordt berekend aan de hand van de gebruiksduur van dit voertuig op dit wegennet, na einde van dit gebruik zonder rente wordt terugbetaald. Aldus is de Wet BPM in betreffende situatie in strijd met een vrij verkeer van diensten als bedoeld in de artikelen 49 tot en met 55 EG-verdrag.

4.5. De (per 1 februari 2007 gewijzigde) Wet BPM voorziet niet in een heffing van BPM, waarbij vóór of ten tijde van de aanvang van het gebruik van de openbare weg in Nederland rekening wordt gehouden met de duur van de huurovereenkomst van het betrokken voertuig of met het gebruik ervan op het Nederlandse wegennet. De Inspecteur heeft bovendien betoogd dat dit ook uitvoeringstechnisch onhaalbaar is. Alsdan moet gelet op het arrest van de Hoge Raad van 14 november 2008, 40597bis, LJN: BG4211 de conclusie zijn dat de belastingrechter de naheffingsaanslag niet in overeenstemming kan brengen met eerder bedoeld gebruik of duur. Hieruit volgt dat in verband met schending van het communautaire evenredigheidsbeginsel de naheffingsaanslag moet worden vernietigd. Het is aan de wetgever om te voorzien in een heffing van de BPM, die strookt met het communautaire evenredigheidsbeginsel.

4.6. De Inspecteur heeft ter zitting nog aangevoerd dat relevant is dat de auto door de zoon van belanghebbende is gehuurd, en niet door belanghebbende zelf. Voor zover de Inspecteur daarmee bedoelt aan te voeren dat als gevolg van het feit dat de zoon huurt geen sprake is van strijd met het vrij verkeer van diensten als bedoeld in artikel 49 van het EG-verdrag, faalt het. Immers, door BPM na te heffen in het geval dat belanghebbende gebruik maakt van de openbare weg in Nederland met een in een andere lidstaat geregistreerde auto welke door de zoon wordt gehuurd, terwijl een dergelijke heffing achterwege blijft indien belanghebbende gebruik maakt van de openbare weg in Nederland met een door de zoon gehuurde auto die in Nederland is geregistreerd, wordt een onderscheid gemaakt dat zich niet verdraagt met een vrij verkeer van diensten als bedoeld in de artikelen 49 tot en met 55 EG-verdrag.

4.7. Vraag I moet bevestigend worden beantwoord.

Vraag II en vraag III

4.8. Gelet op de bevestigende beantwoording van vraag I ontvalt aan de boete en de heffingsrente de grondslag en moet zowel de boetebeschikking als de beschikking heffingsrente worden vernietigd.

Slot

4.9. Het gelijk is aan de zijde van belanghebbende. De uitspraak van de Rechtbank, de uitspraken op bezwaar van de Inspecteur, alsmede de naheffingsaanslag, de boetebeschikking en de beschikking heffingsrente moeten worden vernietigd.

Ten aanzien van de proceskosten

4.10. Nu de uitspraken van de Rechtbank en die van de Inspecteur worden vernietigd, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

Het Hof stelt de vergoeding voor de kosten van het beroep, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op € 437 (waarde per punt) x 1 (punten) x 1 (gewicht van de zaak) = € 437.

Het Hof stelt de vergoeding voor de kosten van het hoger beroep, eveneens mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op € 437 (waarde per punt) x 1 (punten) x 1 (gewicht van de zaak) = € 437.

Het Hof acht geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar bij de Inspecteur heeft moeten maken. Belanghebbende heeft te dier zake namelijk niet, zoals artikel 7:15, lid 3, van de Algemene wet bestuursrecht als voorwaarde stelt, reeds in bezwaar verzocht om vergoeding van de kosten van die procedure.

Ten aanzien van het griffierecht

4.11. Nu de uitspraak van de Rechtbank en die van de Inspecteur worden vernietigd, dient aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 150 respectievelijk € 224 te worden vergoed.

5. Beslissing

Het Hof:

* vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

* verklaart het bij de Rechtbank tegen de uitspraken van de Inspecteur ingestelde beroep gegrond,

* vernietigt de uitspraken van de Inspecteur,

* vernietigt de naheffingsaanslag,

* vernietigt de boetebeschikking,

* vernietigt de beschikking heffingsrente,

* gelast dat de Staat aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 374 vergoedt,

* veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij de Rechtbank aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 437,

* veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 437 en bepaalt dat deze proceskosten op de voet van artikel 27j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen , in samenhang met artikel 8:75, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 243 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, moeten worden voldaan aan de griffier van het Hof.

Aldus gedaan op: 14 juli 2011 door P. Fortuin, voorzitter, V.M. van Daalen-Mannaerts en P.A.M. Pijnenburg, in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature