Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Het hof veroordeelt de verdachte wegens poging tot moord en illegaal wapenbezit tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren en 6 maanden.

De verdachte heeft aangever met de auto gevolgd vanaf de rechtbank - waar aangever had terechtgestaan op de verdenking dat hij verdachte had beroofd - naar de straat waar zowel verdachte als aangever op dat moment wonen. Hierna heeft de verdachte de aangever op klaarlichte dag voor diens woning op de openbare weg beschoten. Zowel de echtgenote als de twee kleine kinderen van de aangever waren getuige van deze schietpartij.

Uitspraak



Rolnummer: 22-005187-09

Parketnummer: 10-690092-09

Datum uitspraak: 25 mei 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 6 oktober 2009 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Dominicaanse Republiek) op [geboortedag] 1973,

zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rijnmond - Gevangenis De IJssel te Krimpen aan den IJssel.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 11 mei 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar, met aftrek van voorarrest. Voorts is ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij beslist als nader in het vonnis omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraak.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 19 februari 2009 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, een persoon genaamd [aangever] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet, met een vuurwapen één of meer kogel(s) heeft afgevuurd op die [aangever], daarbij/daarmee treffend en/of verwondend die [aangever] in een arm en/of het bovenlichaam, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

3.

hij op of omstreeks 19 februari 2009 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie , te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die wet in de vorm van een pistool, met de daarbij behorende munitie, voorhanden heeft gehad.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet in alle opzichten verenigt.

Voor zover het hof zich wel verenigt met het vonnis, waarvan beroep, zal het hof in het navolgende aansluiting zoeken bij de bewoordingen van het vonnis.

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat wettig en overtuigend kan worden bewezen hetgeen aan verdachte onder 1 en 3 is tenlastegelegd.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken ter zake van het onder 1 en 3 tenlastegelegde, op gronden zoals nader weergegeven in de ter terechtzitting in hoger beroep overlegde pleitnota.

Het oordeel van het hof

Ten aanzien van het onder 1 en 3 ten laste gelegde wordt van de volgende feiten en omstandigheden uitgegaan.

Op 19 februari 2009 heeft de verdachte aangever [aangever] met de auto achtervolgd vanaf de rechtbank te Rotterdam - waar [aangever] had terechtgestaan op de verdenking dat hij de verdachte had beroofd - naar de [straat A] te Rotterdam, waar zowel [aangever] als de verdachte op dat moment wonen. [aangever] stopt op de [straat A] voor zijn huis en ziet dat een blauwe Honda Accord, die hij herkent als de auto van de verdachte, komt aanrijden. Zowel [aangever] als zijn echtgenote ([getuige A]) zien dat deze auto door de verdachte wordt bestuurd. [aangever] ziet dat deze auto in volle vaart op hem afrijdt. [aangever] stapt uit de auto, evenals de verdachte. [aangever] ziet dat de verdachte een pistool in zijn hand heeft en dat pistool op hem richt. Tegelijkertijd hoort de echtgenote van [aangever] de verdachte in de Dominicaanse taal zeggen: 'Ik maak je dood', of woorden van gelijke strekking. Direct hierna begint de verdachte te schieten. [aangever] draait zich om en rent terug naar zijn auto. De verdachte rent achter hem aan en blijft schieten. [aangever] glijdt uit en komt ten val. De verdachte schiet weer op hem, maar mist. [aangever] glijdt weer uit, de verdachte houdt dan het pistool vlak voor het hoofd van [aangever] en haalt de trekker twee keer over. [aangever] hoorde dat de verdachte geen kogels meer had. De verdachte begeeft zich naar zijn auto en rijdt weg in zijn blauwe Honda.1 2 [aangever] loopt een schampschot op de borstkas links en een in- en uitschotverwonding aan de linkerarm op.3

Ter plaatse en nog op dezelfde dag worden twee hulzen afkomstig van patronen van het kaliber 9 x 19 mm4 en een gedeformeerd projectiel5 aangetroffen. Die hulzen zijn met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid met één en hetzelfde vuurwapen verschoten, te weten vermoedelijk een semi-automatisch pistool van het kaliber 9 mm Parabellum.6

Het hof overweegt vervolgens:

Het hof neemt aan dat deze hulzen, nu deze ter plaatse zijn aangetroffen, afkomstig zijn uit het wapen waarmee de verdachte op [aangever] heeft geschoten. Het gaat daarbij dan om een wapen als bedoeld artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie , te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die wet in de vorm van een pistool, met de daarbij behorende munitie.7

De verdachte heeft verklaard dat hij op dezelfde galerij woont als [aangever]8 maar hij ontkent op het slachtoffer te hebben geschoten omdat hij op het moment van de schietpartij niet op de [straat A] aanwezig kan zijn geweest. De verdachte heeft daarbij verklaard dat hij na afloop van de rechtszaak op 19 februari 2009 eerst kabeljauw is gaan kopen, daarna zijn vrouw op de [straat A] en daarna zijn kennis [betrokkene A] op de Persoonshaven heeft afgezet, waarna hij naar het centraal station van Rotterdam is gereden.

Hieromtrent wordt als volgt overwogen. Getuigen zijn kort na het schietincident ter plaatse afzonderlijk van elkaar door de politie gehoord. De getuige [getuige B] verklaart dat zij aan het werk was aan de [straat A, nummer X]. Zij hoorde drie à vier knallen en is vervolgens op het balkon gaan staan. Zij zag dat een man met een pistool in zijn handen in een blauwkleurige auto met kenteken [kenteken X] stapte en wegreed.9 [getuige B] heeft bij de rechter-commissaris nog nader verklaard dat zij meteen na haar waarneming van het kenteken [kenteken X] een briefje heeft gepakt waarop zij dit kenteken heeft geschreven.10 Verder heeft de verdachte zowel ter terechtzitting in eerste aanleg als ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij die dag de blauwe Honda Accord met het kenteken [kenteken X] heeft bestuurd, alsmede dat hij de enige is geweest die deze auto op 19 februari 2009 heeft bestuurd.11

Gezien het bovenstaande wordt buiten twijfel geacht dat de verdachte op 19 februari 2009 te Rotterdam, gelet op de wijze waarop hij is opgetreden, na kalm beraad en rustig overleg heeft gehandeld door kogels af te vuren op [aangever] en ook dat hij een vuurwapen met bijbehorende munitie als bedoeld in de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad.

Bewezenverklaring

Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 19 februari 2009 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, een persoon genaamd [aangever] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een vuurwapen kogels heeft afgevuurd op die [aangever], daarbij treffend en verwondend die [aangever] in een arm en het bovenlichaam, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

3.

hij op 19 februari 2009 te Rotterdam een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1° van de Wetwapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die wet in de vorm van een pistool, met de daarbij behorende munitie, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

Poging tot moord.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie .

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, met aftrek van voorarrest en de tijd die de verdachte in uitleveringsdetentie heeft gezeten. Voorts heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot de hoogte van EUR 1.500,- met oplegging van de schadevergoedings-maatregel en tot niet-ontvankelijkverklaring voor het overige.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft een poging tot moord gepleegd op de wijze zoals is bewezenverklaard. Hij heeft daarbij een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het is niet aan de verdachte te danken dat het slachtoffer niet is overleden en het letsel bij het slachtoffer beperkt is gebleven tot een schotwond in de arm en een schampverwonding op de borstkas. Voor het slachtoffer moet het een schokkende ervaring zijn geweest om van zo dichtbij te zijn beschoten. De ervaring leert dat slachtoffers hiervan naast fysiek letsel ook psychisch nadelige gevolgen kunnen ondervinden. Ook rekent het hof de verdachte zwaar aan dat de schietpartij voor de ogen van de vrouw van het slachtoffer en hun twee kleine kinderen heeft plaatsgevonden. De verdachte heeft met deze poging tot moord, waarbij hij het slachtoffer op klaarlichte dag voor diens woning op de openbare weg heeft beschoten, de maatschappelijke gevoelens van onveiligheid en onrust versterkt.

Het feit toont bovendien aan tot welke ernstige gevolgen illegaal wapenbezit kan leiden. Het kennelijke gemak waarmee de verdachte in deze zaak is omgegaan met het bezit en gebruik van een vuurwapen wordt uitermate zorgwekkend geacht.

Blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 29 april 2011 is de verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof is alles overwegende, mede met het oog op speciale en generale preventie, van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur, welke gelet op de ernst van het feit hoger is dan de door de rechtbank opgelegde straf, een passende en geboden reactie vormt.

Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn, in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, nu sedert het instellen van het appel en de uitspraak in hoger beroep ruim 19 maanden zijn verstreken.

Naar het oordeel van het hof is deze overschrijding deels verklaarbaar uit onvermijdelijk tijdsverloop, nu de inhoudelijke behandeling van de zaak eerst kon worden gepland na binnenkomst van de resultaten van de zijdens de verdediging gedane verzoeken tot het doen horen van getuigen bij de rechter-commissaris. Het hof zal niettemin de passend en geboden geachte, geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeven jaren, gelet op het bovenstaande, met zes maanden matigen.

Vordering tot schadevergoeding [aangever]

In het onderhavige strafproces heeft [aangever] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde, tot een bedrag van EUR 4.098,-, welke vordering ter terechtzitting in eerste aanleg is verminderd tot een bedrag van EUR 4.000,- wegens geleden immateriële schade.

In hoger beroep heeft de benadeelde partij deze vordering verhoogd met de kosten voor rechtsbijstand tot een bedrag van EUR 4.848,-. Nu de vordering in hoger beroep niet kan worden verhoogd, is deze vordering thans aan de orde tot het in eerste aanleg gevorderde bedrag van EUR 4.000,- en kan de benadeelde partij in de vordering voor zover het meerdere betreffende niet worden ontvangen.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezenverklaarde. De benadeelde partij komt derhalve een schadevergoeding toe, welke vergoeding naar maatstaven van billijkheid door het hof wordt vastgesteld op een bedrag van EUR 2.000,-. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is niet gebleken dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden die naar billijkheid een hogere vergoeding dan genoemd bedrag van EUR. 2.000,- rechtvaardigt. Het meergevorderde zal derhalve worden afgewezen.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [aangever]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van EUR 2.000,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [aangever].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24c, 36f, 45, 62, 63 en 289 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie , zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor overwogen.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren en 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, en /of artikel 27a Sr bedoelde vorm van voorarrest en in uitleveringsdetentie is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde [aangever] terzake van immateriële schade als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde tot een bedrag van EUR 2.000,- (tweeduizend euro) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van immateriële schade voor het overige af.

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering voor zover deze in hoger beroep is vermeerderd.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangever], een bedrag te betalen van EUR 2.000,- (tweeduizend euro) terzake van immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. L.F. Gerretsen-Visser, mr. H.M.A. de Groot en mr. I.P.A. van Engelen, in bijzijn van de griffier mr. R.T. Poort. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 25 mei 2011.

1 Een ambtsedig proces-verbaal van politie Rotterdam-Rijnmond d.d. 19 februari 2009, proces-verbaalnummer 20092059872-1, opgemaakt en ondertekend door de opsporingsambtenaar, inhoudende de aangifte van [aangever], pagina 29 en 30.

2 Een ambtsedig proces-verbaal van politie Rotterdam-Rijnmond d.d. 19 februari 2009, proces-verbaalnummer 20092059872-6, opgemaakt en ondertekend door de opsporingsambtenaar, inhoudende de verklaring van de getuige [getuige A], pagina 38, 39 en 40;

3 Een ander geschrift, te weten geneeskundige verklaring van de FARR d.d. 23 juli 2009, betreffende [aangever], opgemaakt door de forensisch arts L.C. Los.

4 Een ambtsedig proces-verbaal van politie Rotterdam-Rijnmond d.d. 23 februari 2009, Xpolnummer 20092059872-11, opgemaakt en ondertekend door de opsporingsambtenaren, pagina 6.

5 Een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen van politie Rotterdam-Rijnmond d.d. 19 februari 2009, procesverbaalnummer 20092059872-9, opgemaakt en ondertekend door de opsporingsambtenaren, pagina 25.

6 Een deskundigenrapport van het NFI d.d. 21 april 2009, opgemaakt door ING. R. Hermsen.

7 Een aanvullend proces-verbaal Wet Wapens en Munitie, d.d. 21 september 2009, proces-verbaalnummer 20092059872.

8 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte, pagina 117.

9 Een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen van politie Rotterdam-Rijnmond d.d. 19 februari 2009, proces-verbaalnummer 20092059872-3, opgemaakt en ondertekend door de opsporingsambtenaar, inhoudende de verklaring van de getuige [getuige B], pagina 1; Een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen van politie Rotterdam-Rijnmond d.d. 19 februari 2009, proces-verbaalnummer 20092059872-46, opgemaakt en ondertekend door de opsporingsambtenaar, inhoudende de verklaring van de getuige [getuige B], pagina 132; Een ambtsedig proces-verbaal van politie Rotterdam-Rijnmond d.d. 8 juli 2009, proces-verbaalnummer 20092059872-45, opgemaakt en ondertekend door de opsporingsambtenaar, inhoudende de verklaring van de getuige [getuige B], pagina 133;

10 Verklaring getuige [getuige B] bij de rechter-commissaris te Rotterdam d.d. 10 mei 2011 .

11 Verklaring verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 22 september 2009 en ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 11 mei 2011.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature