< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Zorgvuldig onderzoek verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts. Geen sprake van verlies van verdiencapaciteit gezien het feit dat appellante bij aanvang van de verzekering op 1 maart 2007 voor 20 uur per week belastbaar was als samensteller en dit per einde wachttijd nog steeds het geval was.

Uitspraak



10/3945 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 juni 2010, 10/154 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 september 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.J. Nomen, advocaat te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Nomen. Het Uwv heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. M.J.F. Bär.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is per 2 maart 2005 in het kader van een traject vanuit de Wet werk en bijstand (WWB) met behoud van haar bijstandsuitkering gaan werken bij [naam bedrijf] te [plaatsnaam], aanvankelijk in een urenomvang van 16 uur per week (twee dagen van 8 uur) en vervolgens voor halve dagen (20 uur).

1.2. Op 1 maart 2007 is appellante op eigen verzoek in dienst getreden bij [naam bedrijf] als samensteller voor 36 uur per week. Zij heeft zich op 4 juni 2007 ziekgemeld wegens psychische en lichamelijke klachten. Vanaf oktober 2007 is appellante haar werkzaamheden geleidelijk gaan hervatten, tot werkzaamheden gedurende 20 uur per week (maximaal vijf dagen van 4 uur per dag). Vervolgens is het arbeidscontract per 1 maart 2008 hiermee in overeenstemming gebracht.

1.3. In het kader van de beoordeling van de aanvraag van appellante voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft verzekeringsarts I. Daoud-Oskamp op 23 maart 2009 een medisch onderzoek verricht en hierover een rapport uitgebracht van dezelfde datum. Blijkens dit rapport heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat de ingetreden arbeidsongeschiktheid in juni 2007, gezien de gezondheidstoestand van appellante, reeds bij aanvang van de verzekering in 2007 was te voorzien omdat zij fulltime ging werken terwijl zij maar voor 20 uur per week belastbaar was. Uit de beschikbare informatie blijkt dat de psychische problematiek reeds in 1995 is begonnen. De verzekeringsarts heeft de beperkingen weergegeven in twee Functionele Mogelijkheden Lijsten (FML’en) van 24 maart 2009, één FML met de beperkingen zoals die van toepassing waren bij aanvang van de verzekering en één per einde wachttijd. In de FML bij aanvang van de verzekering wordt appellante wegens klachten op psychisch vlak en wegens klachten van de rug, nek armen en handen beperkt geacht op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren, aanpassingen aan fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen, statische houdingen en wordt een urenbeperking van 20 uur per week aangenomen en gemiddeld 4 uur per dag. Per einde wachttijd zijn de beperkingen ten aanzien van de nek, armen en handen toegenomen. In de FML per einde wachttijd worden verdergaande beperkingen aangenomen op het gebied van dynamisch handelen en statische houdingen. Gelet op de door de verzekeringsarts vastgestelde urenbeperking van 20 uur per week bij aanvang van de verzekering, heeft de arbeidsdeskundige O. Jurelevicius in haar rapport van 25 juni 2009 de omvang van de maatgevende arbeid van appellante gemaximeerd op 20 uur per week en vastgesteld dat appellante geschikt is voor de maatmanfunctie van samensteller. Vervolgens heeft de areidsdeskundige het arbeidsongeschiktheidspercentage berekend op 9,76%, hetgeen leidt tot indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse minder dan 35%. Dientengevolge heeft het Uwv bij besluit van 2 juli 2009 geweigerd aan appellante per 1 juni 2009 een WIA-uitkering toe te kennen.

1.4. Het tegen dit besluit door appellante gemaakte bezwaar heeft het Uwv ongegrond verklaard bij besluit van 8 december 2009. Aan dit laatste besluit ligt een rapportage ten grondslag van de bezwaarverzekeringsarts R. Blanker van 4 november 2011 en van de bezwaararbeidsdeskundige R.J.C. Hogeveen van 7 december 2009.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid of de volledigheid van de rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts heeft vastgesteld dat het optreden van de arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering te verwachten was, omdat appellante fulltime ging werken, terwijl zij maar voor 20 uur per week belastbaar was. De rechtbank overweegt verder dat uit de verzuimregistratie in de periode van maart 2005 tot maart 2007 blijkt dat appellante al veelvuldig heeft verzuimd wegens ziekte. Uit de beschikbare (medische) informatie blijkt dat 20 uur per week de maximale inzetbaarheid van appellante is en was.

3. In hoger beroep zijn de eerder aangevoerde gronden herhaald.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Bij het bestreden besluit heeft het Uwv toepassing gegeven aan artikel 46, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet WIA . Dit artikelonderdeel luidde tot en met 31 december 2010:

"Bij de vaststelling van het maatmaninkomen worden buiten aanmerking gelaten verdiensten die meer bedragen dan gelet op de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid kan worden verdiend door de verzekerde die:

a. gedeeltelijk arbeidsongeschikt, doch niet volledig arbeidsongeschikt is op het tijdstip van aanvang van de verzekering of op het moment van eindiging van de in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde periode."

4.3. Blijkens de parlementaire geschiedenis van dit wetsartikel wordt daarmee beoogd dat deze beoordeling op grond van de Wet WIA niet op een andere wijze zal geschieden dan op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Dit brengt naar het oordeel van de Raad mee dat de door hem gevormde jurisprudentie in het kader van de toepassing van het vergelijkbare artikel 18, tweede lid, van de WAO haar gelding blijft behouden. In zijn uitspraak van

2 juli 2007, LJN BA8937, heeft de Raad in dat verband onder meer overwogen dat in het Functie Informatie Systeem een FIS-scoreformulier (FIS) wordt opgesteld met de beperkingen bij aanvang van de verzekering en een FIS waarop de beperkingen bij einde wachttijd worden weergegeven. Vervolgens moet aan de hand van het FIS voor beide data worden bepaald welke functies betrokkene kan verrichten en wat hij daarmee kan verdienen. De verdiensten bij aanvang van de verzekering moeten dan worden vergeleken met de verdiensten per einde wachttijd om de mate van arbeidsongeschiktheid te bepalen.

4.4. De Raad stelt vast dat de primaire verzekeringsarts een FML heeft opgesteld geldend zowel per datum aanvang verzekering als per datum einde wachttijd.

4.5. Ten aanzien van het verrichte medisch onderzoek ziet de Raad, met de rechtbank, geen aanleiding om het medisch onderzoek van de verzekeringsarts en/of het dossieronderzoek van de bezwaarverzekeringsarts onzorgvuldig te achten. Voorts hebben zowel de verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts bij hun onderzoeken uitvoerig medische informatie van zowel de behandelend sector als van de werkgever betrokken.

4.6. Bezwaarverzekeringsarts Blanker heeft in zijn rapport van 4 november 2011 voldoende gemotiveerd waarom hij in de beschikbare (medische) informatie geen aanleiding ziet om de door de verzekeringsarts vastgestelde FML per datum aanvang verzekering bij te stellen. De bezwaarverzekeringsarts heeft zich achter de conclusie van de verzekeringsarts gesteld om bij aanvang van de verzekering een belastbaarheid van circa 20 uur per week aan te nemen. Uit de rapportage van de (bezwaar)verzekeringsarts blijkt een zorgvuldig uitgevoerd en voldoende uitgebreid (medisch) onderzoek. Bij de oordeelsvorming is tevens informatie betrokken van behandelaars waaronder Centrum ’45, de huisarts Nikkels alsmede neuroloog Dalman. Daarbij is ook de voorgeschiedenis van appellante prominent onderdeel van het onderzoek geweest alsmede de anamnestische gegevens. Daaruit blijkt dat appellante reeds tijdens haar werkzaamheden in het kader van het traject vanuit de WWB vanaf maart 2005 tot 1 maart 2007 na haar werkzaamheden van 5 keer 4 uur per dag de hele verdere dag naar bed ging tot de volgende ochtend. Appellante is sinds jaren bekend met zowel psychische als lichamelijke klachten. Voorts blijkt uit informatie van werkgever [naam werkgever] dat appellante op eigen verzoek per 1 maart 2007 voltijds is gaan werken in plaats van 20 uur per week, zonder dat uit enige informatie blijkt dat sprake is geweest van een stapsgewijze urenuitbreiding. Per 4 juni 2007 is zij uitgevallen in verband met psychische en lichamelijke klachten. Vanaf oktober 2007 heeft appellante haar werkzaamheden hervat tot uiteindelijk 5 keer 4 uur per dag. Vervolgens is haar arbeidsovereenkomst per 1 maart 2008 omgezet naar een arbeidsovereenkomst voor 20 uur per week (5 keer 4 uur). De Raad volgt appellante niet in haar stelling dat uit de rapportage indicatie Wet sociale werkvoorziening (WSW-indicatie) van 22 februari 2006 blijkt dat van een urenbeperking nooit sprake is geweest. Betreffende rapportage bevestigt, noch sluit deze stelling uit. Bovendien heeft het onderzoek in het kader van de WSW plaatsgevonden ver voor de datum in geding. Aan de WSW-indicatie kan derhalve niet de waarde worden toegekend die appellante beoogt.

4.7. De Raad kan de rechtbank volgen in haar oordeel dat de in het dossier aanwezige (medische) gegevens voldoende aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat ten aanzien van appellante voldoende overtuigend en gemotiveerd is aangegeven dat bij aanvang van de verzekering sprake was van een belastbaarheid van circa 20 uur per week. De Raad heeft, uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid, geen aanknopingspunten gevonden voor de stelling van appellante dat sprake is van verlies van verdiencapaciteit gezien het feit dat appellante bij aanvang van de verzekering op 1 maart 2007 voor 20 uur per week belastbaar was als samensteller en dit per einde wachttijd nog steeds het geval was.

4.8. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en E.E.V. Lenos en N.J.E.G. Cremers als leden, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2011.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) H.L. Schoor.

IvR


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature