< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 14 april 2010 heeft het college aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd wegens het zonder vergunning in werking hebben van een paardenhouderij op de locatie [locatie] te Heemskerk.

Uitspraak



201106530/1/H4 en 201106530/2/H4.

Datum uitspraak: 30 september 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellant], wonend te Heemskerk,

appellant,

en

het college van burgemeester en wethouders van Heemskerk,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 april 2010 heeft het college aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd wegens het zonder vergunning in werking hebben van een paardenhouderij op de locatie [locatie] te Heemskerk.

Bij besluit van 3 mei 2011, verzonden op 4 mei 2011, heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, wat betreft de omschrijving van de last, en dat bezwaar voor het overige ongegrond verklaard. Het college heeft bij het besluit van 3 mei 2011 het besluit van 14 april 2010 herroepen en een nieuwe last onder dwangsom opgelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 juni 2011, beroep ingesteld.

Bij deze brief heeft [appellant] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 29 juni 2011.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 27 juli 2011, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Dur en H. Tegelaar, zijn verschenen.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.6, eerste lid, van de Invoeringswet Wabo , volgt dat wanneer v óór 1 oktober 2010 met betrekking tot een activiteit als bedoeld in de Wabo een beschikking tot toepassing van handhavingsmiddelen is gegeven, of een daartoe strekkende aanvraag is afgewezen, op de verdere besluitvorming en de bezwaar- en beroepsprocedures het recht zoals dat vóór 1 oktober 2010 luidde van toepassing blijft. Voor de toepassing van dit artikel is, voor zover hier van belang, de datum waarop het eerste primaire besluit over de handhaving wordt genomen, bepalend. Dit brengt mee dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat het besluit van 14 april 2010, vóór de inwerkingtreding van de Wabo is genomen.

In deze uitspraak worden gelet op het vorenstaande de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

2.3. [appellant] betoogt dat het college hem ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld om bezwaar te maken tegen het besluit van 3 mei 2011 in zoverre hem daarbij een last onder dwangsom is opgelegd.

2.3.1. Bij het besluit van 3 mei 2011 heeft het college naar aanleiding van het bezwaar de formulering van de last onder dwangsom aangescherpt en de motivering uitgebreid die aan de oplegging daarvan ten grondslag was gelegd. De bij het besluit van 3 mei 2011 opgelegde last onder dwangsom is geen nieuw primair besluit waartegen bezwaar openstond. De oplegging van die last maakt deel uit van de in overeenstemming met artikel 7:11 van de Awb genomen beslissing (hierna: het bestreden besluit) op het tegen het besluit van 14 april 2010 gemaakte bezwaar.

De beroepsgrond faalt.

2.4. Het geschil is voor het overige beperkt tot de vraag of het college zich bij het bestreden besluit terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] in strijd met artikel 8.1 van de Wet milieubeheer heeft gehandeld door op de locatie [locatie] zeven paarden te houden zonder dat daarvoor een milieuvergunning is verleend. [appellant] betoogt dat de paardenhouderij al was opgericht vóór 1 januari 2002 en dat derhalve het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het houden van deze paarden vergunningplichtig is. Hij stelt daartoe, onder overlegging van een stallijst over het jaar 2001, dat in dat jaar 13 paarden werden gehouden op de desbetreffende locatie.

2.4.1. Voor zover het college bij het bestreden besluit wederom een last onder dwangsom heeft opgelegd begrijpt de voorzitter dit besluit aldus dat het college zich daartoe op dezelfde juridische grondslag heeft gebaseerd als waarop het besluit van 14 april 2010 is gebaseerd. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting hebben partijen dat ook zo begrepen.

2.4.2. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellant] in strijd heeft gehandeld met artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, in samenhang gelezen met het tweede lid van de Wet milieubeheer door zonder daartoe verleende milieuvergunning zeven paarden te houden op de [locatie]. Volgens het college betreft het houden van deze paarden het in werking hebben van een landbouwinrichting als bedoeld in bijlage 1, aanhef en onder c, bij het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: Barim) en is daarvoor een milieuvergunning vereist. Volgens het college betreft het een inrichting waarop ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit landbouw milieubeheer (hierna: het Besluit landbouw) dat besluit niet van toepassing is.

2.4.3. Ingevolge artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet milieubeheer , voor zover hier van belang, is het verboden zonder daartoe verleende vergunning een inrichting waartoe een gpbv-installatie behoort op te richten en in werking te hebben.

Ingevolge artikel 8.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer kunnen bij algemene maatregel van bestuur andere categorie ën van inrichtingen worden aangewezen, waarvoor de in het eerste lid bedoelde verboden gelden.

Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer dient onder inrichting te worden verstaan: elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht.

Ingevolge bijlage 1, aanhef en onder c, bij het Barim gelden de in artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer opgenomen verboden voor landbouwinrichtingen waarop het Besluit landbouw op grond van artikel 3 of artikel 4 van het besluit niet van toepassing is.

Onder landbouwinrichting moet ingevolge artikel 1 van het Barim worden verstaan: een inrichting als bedoeld in artikel 2 van het Besluit landbouw.

In artikel 2 van het Besluit landbouw, voor zover hier van belang, is bepaald dat dat besluit van toepassing is op een paardenhouderij.

In artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit landbouw is bepaald dat dit besluit niet van toepassing is op een inrichting waar landbouwhuisdieren worden gehouden die is opgericht op of na 1 januari 2002 en waarvan een tot de inrichting behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in een zeer kwetsbaar gebied in de zin van de Wet ammoniak en veehouderij of in een zone van 250 meter rondom een zodanig gebied.

2.4.4. Tussen partijen is niet in geschil dat ten tijde van het bestreden besluit zeven paarden op de desbetreffende locatie werden gehouden en dat deze bedrijvigheid een inrichting behelst in de zin van artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer . Evenmin is in geschil dat dit een landbouwinrichting betreft als bedoeld in artikel 2 van het Besluit landbouw en dat de tot deze inrichting behorende dierenverblijven geheel of gedeeltelijk zijn gelegen in een zone van 250 meter rondom een zeer kwetsbaar gebied.

2.4.5. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de paardenhouderij na 1 januari 2002 is opgericht. Uit controles is gebleken dat niet eerder dan op 19 november 2009 paarden werden gehouden op de desbetreffende locatie, in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is, aldus het college. Wat betreft de door [appellant] overgelegde stallijst heeft het college aangevoerd dat niet duidelijk is wanneer deze is ingevuld. Mogelijk is deze eerst na een in 2009 uitgevoerde controle door [appellant] ingevuld. Derhalve is met die lijst niet aannemelijk gemaakt dat in 2001 op de desbetreffende locatie het door [appellant] gestelde aantal paarden werd gehouden, aldus het college.

2.4.6. Voormelde stallijst is niet van een datum en ook niet van een ondertekening voorzien, zodat niet kan worden vastgesteld door wie en wanneer deze is opgesteld. Voorts is op de stallijst niet vermeld om welke inrichting het gaat; op de lijst staan in zoverre slechts de woorden "[appellant]". [appellant] heeft met de overlegging van deze stallijst niet aannemelijk gemaakt dat op de desbetreffende locatie vóór 1 januari 2002 paarden werden gehouden. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd is dan ook geen grond gelegen voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de inrichting na 1 januari 2002 is opgericht.

2.4.7. Uit het voorgaande vloeit voort dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het Besluit landbouw ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, niet van toepassing is op onderhavige inrichting. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat onderhavige inrichting een landbouwinrichting is als bedoeld in bijlage 1, aanhef en onder c, bij het Barim, waarvoor de in artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer opgenomen verboden ten tijde in geding golden. Door zeven paarden te houden op de desbetreffende locatie, zonder dat de daarvoor vereiste milieuvergunning is verleend, heeft [appellant] in strijd gehandeld met artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet milieubeheer . Het college was derhalve bevoegd tot het opleggen van een last onder dwangsom.

2.4.8. De beroepsgrond faalt.

2.5. Het beroep is ongegrond.

2.6. De voorzitter merkt nog op dat ter zitting door partijen is meegedeeld dat er tot dan toe nog geen invorderingsbesluiten waren genomen. Tevens heeft het college te kennen gegeven dat het niet tot het invorderen van dwangsommen zal overgaan totdat uitspraak is gedaan op het beroep.

2.7. Gelet op het vorenstaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep ongegrond;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van der Zijpp

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2011

402.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature