Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Wmo. Eigen bijdrage in verband met het gebruik van een scootmobiel.

Uitspraak



RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 11/1869

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 8 september 2011.

inzake

[Eiser], eiser,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. drs. P. Breedveld,

tegen

het college van burgemeester en wethouders gemeente Ede, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 5 april 2011.

2. Procesverloop

2.1. Bij besluit van 1 november 2010 heeft verweerder aan eiser een eigen bijdrage opgelegd in verband met het gebruik van zijn scootmobiel.

2.2. Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

2.3. Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

2.4. Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 17 augustus 2011. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. drs. Breedveld. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door A. Brouwer, werkzaam bij verweerders gemeente.

3. Overwegingen

3.1. Bij besluit van 23 december 2009 heeft verweerder aan eiser een vervoersvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) toegekend in de vorm van een scootmobiel. Ter zake van deze scootmobiel heeft eiser een overeenkomst van bruikleen gesloten met de leverancier, Emcart Nederland B.V. (hierna: Emcart). Bij brief van 30 juni 2010 heeft verweerder aan de gebruikers van voorzieningen op grond van de Wmo laten weten dat voor alle Wmo voorzieningen vanaf 1 januari 2011 een eigen bijdrage zal worden geheven. Verweerder heeft hierbij verwezen naar de wijziging van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Ede 2010 (hierna: de Verordening) per 1 juli 2010.

3.2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit -kort samengevat- ten grondslag gelegd dat hij op grond van de gewijzigde Verordening bevoegd is ook voor belanghebbenden met een bestaande voorziening een eigen bijdrage op te leggen.

3.3. Eiser heeft het besluit van verweerder gemotiveerd bestreden. Op zijn stellingen zal hieronder, voor zover nodig, nader worden ingegaan.

3.4.1. Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Wmo kan de gemeenteraad bij verordening bepalen dat een persoon van 18 jaren of ouder aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend, voor zover die ondersteuning bestaat uit het verlenen van een individuele voorziening in natura of een persoonsgebonden budget waaronder de vergoeding voor een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 en niet bestaat uit een aan hem verleende financiële tegemoetkoming, een eigen bijdrage is verschuldigd. In het tweede lid is bepaald dat de hoogte van de eigen bijdrage voor de verschillende soorten van maatschappelijke ondersteuning verschillend kan worden vastgesteld en mede afhankelijk gesteld kan worden van het inkomen van degene aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend en van zijn echtgenoot. Ingevolge het derde lid kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld met betrekking tot de eigen bijdrage.

3.4.2. In artikel 7, eerste en tweede lid, van de Verordening is -voor zover hier van belang- bepaald dat bij het verstrekken van individuele voorzieningen op grond van de wet de aanvrager een eigen bijdrage verschuldigd is afgestemd op het (verzamel)inkomen van betrokkene en diens partner.

3.4.3. In artikel 9, derde lid, van de Verordening is bepaald dat voor een voorziening die bestaat uit het in bruikleen geven van een roerende zaak, per periode van vier weken een eigen bijdrage in rekening wordt gebracht zolang de bruikleen duurt. De eigen bijdrage per periode kan niet meer bedragen dan de totale kosten die de gemeente in die periode voor de voorziening draagt.

3.4.4. Artikel 47 van de Verordening bepaalt -voor zover hier van belang- dat de gebruiker van een individuele Wmo-voorziening, die is toegekend op grond van voorgaande Verordeningen voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Ede en derhalve geen eigen aandeel of eigen bijdrage is verschuldigd, dit evenmin in 2010 is verschuldigd. Per 1 januari 2011 is in dat geval ook een eigen aandeel of eigen bijdrage verschuldigd en is deze verordening onverkort van kracht.

3.5. De rechtbank ziet zich allereerst, ambtshalve, voor de vraag gesteld of de beslissing van 1 november 2010 waarbij aan eiser een eigen bijdrage is opgelegd, een besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb . De rechtbank overweegt dat de beslissing van verweerder om een eigen bijdrage op te leggen wijziging brengt in de rechtsverhouding met eiser. Immers, door die beslissing staat vast dat eiser vanaf 1 januari 2011 een eigen bijdrage verschuldigd zal zijn. Om die reden is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een besluit bedoeld in vorenbedoelde zin. Daaraan doet niet af dat omtrent de hoogte en duur van de eigen bijdrage nog nadere besluitvorming door het Centraal Administratie Kantoor moet plaatsvinden.

3.6. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder niet bevoegd is een eigen bijdrage op te leggen in gevallen waarin reeds een voorziening op grond van de Wmo is toegekend. Volgens eiser vloeit uit de tekst van artikel 7, eerste lid, van de Verordening voort dat verweerder slechts bevoegd is bij het verstrekken van de voorziening een eigen bijdrage op te leggen. Een beperking als door eiser gesteld volgt naar het oordeel van de rechtbank niet uit de hiervoor genoemde bepaling en de toelichting daarop. In de toelichting op artikel 7 wordt, onder meer, verwezen naar artikel 15 van de Wmo . Aangenomen wordt daarom dat verweerder in de Verordening niet heeft beoogd af te wijken van deze bepaling.

Uit de tekst noch de toelichting van artikel 15 van de Wmo volgt dat het opleggen van een eigen bijdrage is beperkt in die zin dat die bijdrage slechts bij de toekenning van de voorziening kan worden opgelegd. Blijkens de toelichting op artikel 15 van de Wmo is het de bedoeling van de wetgever dat de vormgeving van het Wmo-beleid dient plaats te vinden op lokaal niveau in de plaatselijke democratie. Daarvoor moet de gemeente voldoende vrijheid en een adequaat instrumentarium hebben. Het kunnen voeren van een eigenbijdragebeleid maakt daarvan deel uit. De gemeente dient voldoende vrijheid te krijgen om een eigen bijdrage vast te stellen (TK 2004-2005, 30 131, nr. 3, blz. 34-35). In de toelichting op het Besluit maatschappelijke ondersteuning (Bmo) staat in dit verband nog het volgende vermeld: “Gemeenten hebben een grote mate van vrijheid bij de uitvoering van de Wmo. Dit geldt onder andere voor de eigen bijdrage die kan worden gevraagd van inwoners aan wie maatschappelijke ondersteuning wordt verleend. Gemeenten zijn bevoegd zelf te bepalen of er een eigen bijdrage zal zijn” (Stb. 2006, 450, blz. 18-19) en [….] “Zoals in het algemene deel van de toelichting is aangegeven, is de gemeenteraad vrij om wel of niet voor een eigenbijdragesysteem te kiezen en om dat zelf vorm te geven.”(Stb. 2006, 450, blz. 23-24). Naar het oordeel van de rechtbank past het in dit systeem dat verweerder flexibel gebruik moet kunnen maken van zijn bevoegdheid een eigen bijdrage op te leggen. Aangenomen moet dan ook worden dat ook aan belanghebbenden zoals eiser aan wie eerder een voorziening is toegekend, alsnog een eigen bijdrage kan worden opgelegd. Dit brengt tevens mee dat het opleggen van een eigen bijdrage in het geval van eiser niet in strijd komt met het vertrouwensbeginsel. De rechtbank acht in dit verband tevens van belang dat verweerder eiser tijdig in kennis heeft gesteld van het voornemen een eigen bijdrage op te leggen en een ruime overgangstermijn in acht heeft genomen.

3.7. Dat de eigen bijdrage niet geldt voor (elektrische) rolstoelen brengt naar het oordeel van de rechtbank niet mee dat er sprake is van een (verboden) onderscheid tussen gebruikers van (elektrische) rolstoelen en gebruikers van scootmobielen. In artikel 4.1, zesde lid, van het Bmo is immers bepaald dat de eigen bijdrage niet verschuldigd is voor een rolstoel. De keuze van verweerder om een eigen bijdrage op te leggen voor het gebruik van een scootmobiel berust derhalve op dit reeds door de wetgever gemaakte onderscheid.

3.8. Anders dan door eiser wordt gesteld is de periode waarover een eigen bijdrage kan worden geheven in het geval van eiser niet beperkt tot 39 weken. Immers, eiser heeft de scootmobiel in bruikleen gekregen zodat artikel 9, eerste lid, van de Verordening niet van toepassing is. Voor zover eiser beoogt te stellen dat verweerder geen eigen bijdrage kan opleggen omdat de scootmobiel al gedeeltelijk is afgeschreven, kan de rechtbank eiser niet volgen. In artikel 9, derde lid, van de Verordening kan de verschuldigde eigen bijdrage maximaal de kostprijs van de voorziening bedragen. Uitgangspunt bij het opleggen en vaststellen van de eigen bijdrage is dus deze kostprijs waarbij niet bepalend is dat de voorziening, als gevolg van gebruik in het verleden, wellicht al gedeeltelijk is afgeschreven.

3.9. De rechtbank overweegt verder dat de stelling dat verweerder verzuimd heeft om eiser, alvorens tot opleggen van een eigen bijdrage over te gaan, de mogelijkheid te bieden de voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) voort te zetten, niet gevolgd kan worden. Dit reeds niet vanwege het feit dat eiser ter zitting te kennen heeft gegeven dat hij, na zich door het Wmo-loket uitvoerig te hebben laten voorlichten over de keuze tussen een voorziening in natura en een pgb, uitdrukkelijk heeft gekozen voor voortzetting van de voorziening in natura. Aangenomen moet dan ook worden dat verweerder hiermee heeft voldaan aan de uit de artikelen 6 en 6a van de Wmo voortvloeiende verplichting om eiser de keuze te bieden tussen een voorziening in natura en een pgb.

3.10. De rechtbank overweegt tot slot dat er evenmin grond is om aan te nemen dat verweerder niet bevoegd is een eigen bijdrage op te leggen, omdat de scootmobiel in bruikleen is verstrekt en bruikleen ingevolge artikel 7a:1777 van het Burgerlijk Wetboek plaatsvindt om niet. De rechtbank acht hiervoor doorslaggevend dat de rechtsverhouding tussen eiser en verweerder wordt beheerst door de bepalingen van de Wmo en de Verordening. Op grond daarvan is verweerder bevoegd een eigen bijdrage op te leggen wanneer een voorziening verstrekt is of wordt verstrekt. Hiervan staat los de feitelijke uitvoering van de verstrekking van de voorziening. Wanneer deze, zoals hier het geval is, plaatsvindt in de vorm van een bruikleenovereenkomst, worden daarin slechts de verplichtingen geregeld die voortvloeien uit het feitelijk gebruik van de scootmobiel. Deze bruikleenovereenkomst bindt daarom enkel de bruikleengever en de bruiklener. De overeenkomst tussen Emcart en eiser regardeert verweerder niet en vormt dan ook geen beletsel voor het opleggen van een eigen bijdrage voor de op grond van de Wmo en de Verordening toegekende voorziening. Aan het bepaalde in artikel 4.1, vijfde lid, van het Bmo kan evenmin een verbod op het opleggen van een eigen bijdrage worden gelezen, nu daarin slechts is bepaald dat bij het verstrekken van een voorziening in eigendom gedurende maximaal negenendertig perioden van vier weken een eigen bijdrage kan worden geheven. Genoemde bepaling sluit daarmee niet het opleggen van een eigen bijdrage uit voor voorzieningen die -door de leverancier- in bruikleen zijn verstrekt.

3.11. Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de stellingen van eiser tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

3.12. De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb .

3.13. Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, voorzitter, en mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg en mr. T.A. Willems-Dijkstra rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Azmi, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 8 september 2011.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb , binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 8 september 2011.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature