< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

'Het CAK heeft betrokkene terecht niet in aanmerking gebrachtr voor vrijstelling van de eigen buijdrage voor zorg met verblijf omdat niet is voldaan aan de voorwaarde dat sprake is van een rechtstreeks verband tussen de AWBZ-zorg en het ongeval.

Uit de uitspraak van de CRvB van 8 september 20067 (LJN: AY8221) kan de rechtbank niet afleiden dat deze voorwaarde als zodanig niet mag worden gesteld. Toewijzing van het verzoek om vergoeding van frustatieschade aan erven."

Uitspraak



RECHTBANK MAASTRICHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/542

uitspraak van de meervoudige kamer van 7 september 2011 in de zaak tussen

[de erven] laatst gewoond hebbende te Eygelshoven, de erven

(gemachtigde: mr. S.V.A.Y. Dassen-Vranken),

en

Centraal Administratie Kantoor (CAK), verweerder

(gemachtigde: mr. M.A.H. Gatzen).

Procesverloop

Bij besluit van 15 mei 2009 heeft verweerder de eigen bijdrage voor zorg met verblijf voor [naam] (betrokkene) vastgesteld.

Bij besluit van 7 oktober 2009 heeft verweerder eveneens de eigen bijdrage voor zorg met verblijf voor betrokkene vastgesteld.

Bij besluit van 11 maart 2010 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van betrokkene voor zover gericht tegen het besluit van 15 mei 2009 niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar voor zover gericht tegen het besluit van 7 oktober 2009 ongegrond verklaard.

Betrokkene heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Op 13 september 2010 is betrokkene overleden. De erven hebben de procedure voortgezet.

Partijen hebben hierna nog nadere stukken ingediend. Verweerder heeft op 8 juni 2011 het bestreden besluit ingetrokken en een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2011. Partijen hebben zich doen vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Betrokkene was in 1947, in de uitoefening van zijn functie als soldaat, gewond geraakt aan zijn rechteronderbeen. In 1951 was hij ontslagen omdat hij aan deze verwonding een stijf been had overhouden. Hij ontving sedertdien een militair invaliditeitspensioen.

In 2008 heeft betrokkene op 84-jarige leeftijd ten gevolge van een val in zijn woning een heup gebroken. Over de periode van 20 mei 2008 tot aan zijn overlijden heeft betrokkene in een instelling als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) verbleven.

Het bestreden besluit gaat over de hoogte van de eigen bijdrage voor het verblijf in de zorginstelling.

Erven voeren primair aan dat verweerder betrokkene ten onrechte niet heeft vrijgesteld van de eigen bijdrage. Volgens erven hing de opname in de zorginstelling rechtstreeks samen met het betrokkene in 1947 overkomen ongeval. Zij vragen zich af of er wel sprake moet zijn van een rechtstreeks verband tussen het dienstongeval en de opname in de zorginstelling en wijzen daarbij op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 8 september 2006, waaruit erven niet opmaken dat een rechtstreeks verband tussen het ongeval en de opname is vereist.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat sprake moet zijn van een rechtstreeks verband tussen het arbeidsongeval en de AWBZ-zorg. Verweerder geeft voorts aan dat het College voor zorgverzekeringen voorwaarden heeft gesteld aan het verlenen van een vrijstelling.

Vaststaat dat het College voor zorgverzekeringen naar aanleiding van de uitspraak van de CRvB van 8 september 2006 (LJN: AY8221) een aantal voorwaarden heeft gesteld voor het verlenen van vrijstelling, waaronder de volgende twee. Het niet verschuldigd zijn van de eigen bijdrage geldt alleen voor diegenen die werknemer waren op het moment van het arbeidsongeval dan wel de beroepsziekte als werknemer hebben opgelopen. Verder dient de AWBZ-zorg rechtstreeks verband te houden met het arbeidsongeval of de beroepsziekte.

De rechtbank stelt verder vast dat in de zaak die aan de orde was in de uitspraak van

8 september 2006 beide partijen er op grond van een psychiatrisch rapport (al) vanuit gingen dat het psychische ziektebeeld van appellant een rechtstreeks gevolg was van het hem, terwijl hij werkzaamheden in loondienst verrichtte, overkomen dienstongeval. De CRvB heeft dit rechtstreekse gevolg zonder meer als vaststaand aangenomen en hiervan uitgaande enkel zijn oordeel gegeven over de vraag die partijen verdeeld hield, te weten of artikel 2, eerste lid, van het Bijdragebesluit zorg in het geval van appellant buiten toepassing moest worden gelaten wegens strijd met de Europese Code of met het IAO-Verdrag. Ook uit de overwegingen in dit kader kan de rechtbank niet afleiden dat de CRvB van oordeel is dat een rechtstreeks verband niet mag worden vereist. De rechtbank verwerpt deze beroepsgrond.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen rechtstreeks verband bestaat tussen het dienstongeval en de opname in de zorginstelling. Verweerder maakt dit op uit het feit dat betrokkene ondanks de tijdens zijn diensttijd opgelopen verwonding altijd zelfstandig heeft kunnen wonen. Eerst nadat betrokkene in mei 2008 en dus zeker 50 jaar na het dienstongeval op hogere leeftijd (betrokkene was toen 84 jaar) ten val is gekomen, is betrokkene zodanig hulpafhankelijk geworden dat hij in een zorginstelling moest gaan wonen. De rechtbank is van oordeel dat deze motivering toereikend is om het standpunt van verweerder dat een rechtstreeks verband ontbreekt tussen dienstongeval en opname te kunnen dragen. Erven hebben hier onvoldoende tegenin gebracht. De rechtbank verwerpt dan ook de beroepsgrond dat betrokkene ten onrechte niet zou zijn vrijgesteld.

Erven voeren aan dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door de voorgeschreven procedure niet te volgen.

De rechtbank stelt vast dat verweerder in dit geval niet, zoals voorgeschreven, bij de ziektekostenverzekeraar de nodige informatie heeft opgevraagd. Er is evenwel niet gebleken dat erven hierdoor in hun belangen zijn geschaad. Zij zijn in de gelegenheid gesteld om met stukken te komen. De ingebrachte verklaring van de huisarts heeft verweerder betrokken bij de besluitvorming. Erven hebben geen (nadere) stukken ingebracht waaruit een rechtstreeks verband blijkt. Gesteld noch gebleken is dat het voor erven niet mogelijk zou zijn geweest om informatie op te vragen bij de ziektekostenverzekeraar. De verklaring van drs. R. Kuijpers, huisarts van betrokkene, alsmede de in beroep nog overgelegde brief van C.J.C.M. Kooijman, arts, gericht aan de huisarts, die in die brief de klachten van betrokkene benoemd en daarbij in het kader van de relevante medische voorgeschiedenis de schotwond vermeldt, zijn onvoldoende om het rechtstreeks verband aan te nemen. De rechtbank verwerpt deze beroepsgrond.

Erven voeren subsidiair aan dat het invaliditeitspensioen buiten de berekening van de eigen bijdrage diende te blijven. Erven beroepen zich op een (al dan niet analoge) toepassing van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde, van het Bijdragebesluit zorg .

Ter zitting stellen erven nog dat verweerder niet heeft onderzocht of de situatie van betrokkene niet kon worden geschaard onder het bepaalde in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van het Bijdragebesluit zorg.

In artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bijdragebesluit zorg is - kort gezegd - bepaald dat het bijdrageplichtig inkomen wordt berekend door het inkomen over het peiljaar te verminderen met de verschuldigde of ingehouden belasting.

Artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste en ten derde, van het Bijdragebesluit zorg bepaalt, voor zover hier van belang, dat op het met toepassing van onderdeel a berekende bedrag in mindering worden gebracht:

1. 15% van een loon- of salarisdoorbetaling wegens ziekte;

2. (…)

3. de uitkering op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945.

Voor wat betreft het beroep op sub 3 stelt de rechtbank vast dat betrokkene geen uitkering op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 ontving. Het Bijdragebesluit zorg is een wettelijk voorschrift van dwingendrechtelijke aard. Artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, geeft een limitatieve opsomming van hetgeen in mindering wordt gebracht. Voor een analoge toepassing is geen ruimte. Daarbij merkt de rechtbank op dat betrokkene ook niet behoorde tot de in artikel 2 van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 genoemde groepen, eenvoudigweg omdat betrokkene niet als burger het letsel heeft opgelopen. Uit de stukken blijkt dat betrokkene, weliswaar als oorlogsvrijwilliger, in dienst was van defensie toen hij de betreffende schotwond aan zijn been heeft opgelopen. De rechtbank verwerpt deze beroepsgrond.

Aangaande sub 1 deelt de rechtbank het standpunt van verweerder ter zitting dat van een verplichte loondoorbetaling door de werkgever wegens ziekte geen sprake was. In dit geval werd het invaliditeitspensioen toegekend door het Pensioenfonds. Er is sprake van een werkgeversrelatie noch van een beroepsziekte. De situatie van betrokkene kon derhalve evenmin onder het bepaalde in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, worden geschaard. Van een zorgvuldigheids- of motiveringsgebrek is geen sprake. De rechtbank concludeert dat het invaliditeitspensioen dat betrokkene ontving bij de berekening van de eigen bijdrage diende te worden betrokken. De rechtbank verwerpt deze beroepsgrond.

Voor wat betreft de opmerking van erven ter zitting dat het Bijdragebesluit zorg helaas geen hardheidsclausule kent, wijst de rechtbank op de vaste rechtspraak van de CRvB dat in het bepaalde bij of krachtens de AWBZ geen wettelijke grondslag kan worden gevonden voor het niet opleggen, matigen of kwijtschelden van inkomensafhankelijke eigen bijdragen.

De CRvB heeft in de uitspraak van 9 maart 2011 (LJN: BP7736) overwogen dat er bijzondere gevallen denkbaar zijn waarin een strikte toepassing van een wettelijk voorschrift van dwingendrechtelijke aard, zoals het bepaalde in het Bijdragebesluit zorg, in die mate in strijd komt met het ongeschreven recht dat deze op grond daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn.

Naar het oordeel van de rechtbank is hier van een dergelijke bijzondere situatie geen sprake.

Erven verzoeken om vergoeding van frustratieschade ad € 500,-.

Verweerder verzoekt om afwijzing van het verzoek. Verweerder erkent ter zitting evenwel, uitgaande van de beslissing van 11 maart 2010, dat de redelijke termijn door het bestuursorgaan was geschonden en dat erven hierin geen verwijt treft.

De rechtbank vat het verzoek op als een verzoek om immateriële schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in verband met de lange duur van de procedure. Het is vaste rechtspraak van de CRvB, zie de uitspraak van 11 november 2009 (LJN BK3935), dat de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar duren, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar. De vermelde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. In een geval waarin in beroep bij de rechtbank is aangevoerd dat de redelijke termijn is overschreden, dient de rechtbank daarover een oordeel te geven, uitgaande van de genoemde behandelingsduren voor bezwaar en beroep. De nog als redelijk aan te merken termijn voor de procedure als geheel na bezwaar en beroep bedraagt in beginsel twee jaar.

De rechtbank overweegt dat de schade die voortvloeit uit de schending van de redelijke termijn in het kader van artikel 6 van het EVRM valt onder immateri ële schade als bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek . Het recht op vergoeding van immateri ële schade is een hoogstpersoonlijk recht. Dit recht vererft niet, tenzij de benadeelde de vordering reeds had ingesteld. In de onderhavige zaak had betrokkene in beroep zelf al verzocht om frustratieschade. De termijn liep kortom door na het overlijden.

In het onderhavige geval is de redelijke termijn aangevangen met de ontvangst van het bezwaarschrift op of omstreeks 15 mei 2009. Vanaf die dag tot de datum van de uitspraak zijn ruim twee jaar verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar ruim twee jaar geduurd. Hierbij tekent de rechtbank aan dat de besluitvorming op bezwaar eerst met het besluit van 8 juni 2011 - volledig - was afgerond en niet, zoals verweerder ter zitting stelt, met het besluit van 11 maart 2010. Overigens kan dit verder in het midden blijven, nu ook uitgaande van de visie van verweerder de redelijke termijn is geschonden en erven slechts hebben verzocht om € 500,-, zijnde het bedrag dat bij overschrijding van de redelijke termijn minimaal wordt toegekend. Er zijn geen concrete omstandigheden gesteld of gebleken die aanleiding vormen om te twijfelen aan de aanwezigheid van spanning en frustratie. Deze beroepsgrond treft doel.

Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit van 8 juni 2011. De rechtbank ziet aanleiding de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten. De rechtbank veroordeelt verweerder tot vergoeding van schade tot het door erven gevraagde bedrag van € 500,-.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan erven het betaalde griffierecht vergoedt.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door erven gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 874,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van

€ 437,- en een wegingsfactor 1). Het verzoek van erven ter zitting om proceskosten vanwege de wijziging van het bestreden besluit behoeft geen bespreking, nu aan erven om die reden niet een hogere proceskostenvergoeding kan worden toegekend dan thans het geval is.

Het verzoek om reiskosten wijst de rechtbank af, omdat erven ter zitting niet zijn verschenen.

Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt het bestreden besluit van 8 juni 2011;

-bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

-veroordeelt verweerder tot het betalen van een schadevergoeding aan erven tot een bedrag van € 500,-;

-draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 41,- aan erven te vergoeden;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 874,-, te betalen aan erven.

De uitspraak is gedaan door mr. A.W.P. Letschert, voorzitter, en mrs. Y.J. Klik en Th.G. Klein, leden, in aanwezigheid van mr. I.H.J. van Neer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 september 2011.

w.g. I. van Neer w.g. A.W.P. Letschert

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

afschrift verzonden aan partijen op: 7 september 2011

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature