< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Familierecht; omgang met donorvader, nauwe persoonlijke betrekking, donorovereenkomst

Uitspraak



RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector civiel recht

zaak-/rekestnummer: 106966 / FA RK 10-1660

beschikking van de enkelvoudige kamer d.d. 28 september 2011

inzake

[A],

wonende te [woonplaats],

hierna ook te noemen: [A],

advocaat mr. E.S. Dirks, kantoorhoudende te Alkmaar,

tegen

[B],

wonende te [woonplaats],

hierna ook te noemen: [B],

advocaat mr. S.C. Koolmees, kantoorhoudende te Leeuwarden,

en tegen

[C],

wonende te [woonplaats],

hierna ook te noemen: [C],

advocaat mr. L.J. Woltering, kantoorhoudende te Haarlem.

Procesverloop

Bij beschikking van deze rechtbank van 3 augustus 2011, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd, is de zaak wat betreft de omgang tussen [A] en de minderjarige [X] (hierna ook te noemen: [X]) verwezen naar een nadere terechtzitting.

De zaak is pro forma behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van deze enkelvoudige kamer op 18 augustus 2011.

Bij de stukken bevindt zich een brief van 4 augustus 2011 van de zijde van [C] met als bijlage de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 3 augustus 2011 met betrekking tot de omgang tussen [X] en [C].

De beschikking is vervolgens bepaald op heden.

Motivering

Gelet op de aanwezige bescheiden en het verhandelde ter terechtzitting van 14 juli 2011 overweegt de rechtbank het volgende.

Feiten

[B] en [C] zijn met elkaar gehuwd geweest en uit dit huwelijk is [X] geboren [in 2006] in [gemeente] geboren. Bij beschikking van de rechtbank Haarlem van 24 maart 2009 is de echtscheiding tussen [B] en [C] uitgesproken. Deze echtscheiding is op 9 april 2011 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. [B] en [C] oefenen het gezamenlijk gezag uit over [X]. [X] heeft haar hoofdverblijf bij [B].

[A] is gedurende het huwelijk van [B] en [C] donor geweest. Partijen hebben op 6 augustus 2005 een donorovereenkomst ondertekend. [A] heeft [X] op 11 december 2009 erkend. [X]

heeft hierna de achternaam '[A]' verkregen.

De rechtbank Haarlem heeft bij beschikking van 22 februari 2011 aan [C] het recht op omgang met [X] ontzegd. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij beschikking van 2 augustus 2011 de beschikking van 22 februari 2011 van de rechtbank Haarlem vernietigd. Het gerechtshof Amsterdam heeft verder bepaald dat [C] en [X] met ingang van 1 oktober 2011 als volgt omgang met elkaar hebben:

"- iedere eerste volle weekend van de maand van vrijdag 17.00 uur tot zondag 18.00 uur;

- jaarlijks drie weken in de zomervakantie, afwisselend de eerste en de laatste drie weken, te beginnen met de laatste drie weken van de zomervakantie van 2012;

- in tweewekelijkse vakanties: één week, waarvan in elk schooljaar gedurende de eerste tweewekelijkse vakantie de eerste week, de tweede tweewekelijkse vakantie de tweede week en zo verder;

- in de vakanties van één week: deze om en om, te beginnen bij de tweede korte vakantie in het schooljaar 2011-2012 en zo verder;

- waarbij [C] [X] telkens haalt en brengt;".

Standpunt van [A]

[A] is van mening dat een omgangsregeling tussen hem en [X] in het belang van [X] is en dat

[X] bovendien recht op omgang met hem heeft. De man geeft aan dat hij, nu hij [X] erkend heeft, de juridische vader van [X] is geworden en meer is dan slechts een 'donorvader'. De man stelt dat hij een nauwe persoonlijke betrekking met [X] heeft. Dit blijkt volgens de man uit het feit dat tussen hem en [X] een structurele omgangsregeling bestaat, waarbij [X] één keer in de vier weken een weekend van vrijdagavond tot zondagavond bij hem logeert. Daarvoor is er ook altijd contact tussen hem en [X] geweest. Ook vindt regelmatig contact tussen hem en [B] plaats over belangrijke aangelegenheden in het leven van [X]. Volgens [A] is de relatie tussen hem en [X] heel natuurlijk en verloopt de omgang plezierig. De vader geeft aan dat hij zich hierbij niet opstelt als vader maar als 'oom'. De man wil, mede gezien de strijd en problematiek tussen [B] en [C], een omgangsregeling vaststellen om een zekere mate van continuïteit en een veilige haven voor [X] te creëren. Naar het idee van [A] is het ook altijd de bedoeling van alle partijen geweest dat hij contact met [X] zou hebben. [A] betoogt dat partijen bewust hebben afgeweken van de in de donorovereenkomst opgenomen afspraken. [A] stelt zich op het standpunt dat zijn rol die van donor, vader, oom, peetoom of voogd zou zijn. [A] wijst er op dat in de overeenkomst uitdrukkelijk bepaald is dat er contact tussen hem en [X] mogelijk is als dit contact - en dat is hier het geval - een bewuste keuze van [B] is. [A] stelt daarnaast dat [C] zich niet kan beroepen op een naleving van de overeenkomst, nu zij geen partij is geweest bij deze overeenkomst.

Standpunt [B]

[B] heeft ter zitting naar voren gebracht dat zij en [C] het vanaf het begin belangrijk vonden dat er contact zou zijn tussen [A] en [X]. [A] is ook bij de eerste echo van [X] geweest. [B] geeft aan dat [X] graag naar [A] toegaat. [B] vindt het belangrijk dat zij haar vader goed leert kennen. Een vastlegging van een omgangsregeling met [A] zal vastigheid geven.

Standpunt [C]

[C] concludeert in haar verweer dat [A] niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoek althans de door hem verzochte omgangsregeling af te wijzen. [C] wijst op de gemaakte donorovereenkomst waarin afspraken staan opgesteld met de bedoeling dat [A], behalve zijn spermadonatie, verder geheel en volledig buiten de relatie tussen [X], [C] en [B] zou komen en zou blijven staan en dat er geen familierechtelijke betrekkingen bestaan of ontstaan tussen [A] en [X]. Volgens [C] wil [B] het contact tussen haar en [X] frustreren door onder andere een omgangsregeling tussen [A] en [X] op papier te krijgen. [C] geeft aan dat [B] haar buitenspel wil zetten en dat daarom ook, geheel buiten haar om, de achternaam van [X] van '[C]' in '[A]' is omgezet. [C] is verder van mening dat het voor [X] niet goed is dat er contact is tussen haar en [A]. Volgens [C] wil [X] ook geen contact met [A]. Ter zitting heeft [C] aangegeven dat [A] met [X] als 'oom' contact had met [X] en dat zij in het verleden het contact tussen [A] en [X] ook gestimuleerd heeft. [C] ziet de noodzaak er niet van in om een omgangsregeling tussen [A] en [X] vast te leggen.

Standpunt raad

De raadsvertegenwoordigster heeft ter zitting aangevoerd dat het in het belang van [X] is dat de omgang met [A] door moet blijven gaan. Indien dit gestopt wordt, zal dit schadelijk voor haar ontwikkeling zijn. Tussen [X] en [A] bestaat een band. Partijen hebben vanaf het begin een rol aan [A] gegeven in het leven van [X]. De raadsvertegenwoordigster adviseert, indien de rechtbank overgaat tot vastlegging van een omgangsregeling, om de omgang vast te leggen zoals het nu gaat en niet, zoals verzocht is, de frequentie van het bezoek van [X] aan [A] te vermeerderen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt als volgt. Tussen [X] en [A] bestaat een nauwe persoonlijke betrekking, zoals bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). [A] is de biologische vader van [X] en hij heeft [X] ook erkend. [A] heeft tijdens het huwelijk tussen [B] en [C] contact met [X] gehad en na het verbreken van dit huwelijk is een omgangsregeling tussen [A] en [X] in samenspraak met [B] tot stand gekomen. Vastgesteld kan worden dat 'family life' kan worden aangenomen tussen al de betrokken partijen. Dat partijen, in het midden gelaten of [C] hierbij ook een rechtsgeldige partij is, in de donorovereenkomst tot andere afspraken zijn gekomen, doet hier niet aan af. Het belang van [X] dient in ieder geval te prevaleren boven deze overeenkomst.

Uitgangspunt van de wet is verder, dat de niet met het gezag belaste ouder en de minderjarige recht hebben op omgang met elkaar. In artikel 1:377a derde lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat omschreven in welke gevallen de rechter het recht op omgang kan ontzeggen. Niet gebleken is of aannemelijk geworden dat één of meer van deze gronden aanwezig zijn.

[C] heeft niet aangetoond dat de gedragingen van [A] de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van [X] in gevaar kunnen brengen, dan wel dat er andere omstandigheden zijn die er toe zouden kunnen leiden dat er geen omgangsregeling kan worden opgelegd.

Daarom, zal de rechtbank uitgaan van de hoofdregel, dat de minderjarige en de niet met het gezag belaste ouder recht hebben op omgang met elkaar. De rechtbank zal - zover mogelijk - bij de vaststelling van de omgangsregeling in het belang van [X] rekening houden met de omgangsregeling die het gerechtshof Amsterdam tussen [X] en [C] heeft vastgesteld. Naast deze omgangsregeling acht de rechtbank een omgangsregeling van eens per twee weken met [A] in de gegeven situatie dan ook te belastend voor [X]. De rechtbank is van oordeel dat een omgangsregeling van ten hoogste eens per maand in het belang van [X] moet worden geacht. De rechtbank acht daarnaast een beperking van de bezoekregeling nodig voor wat betreft de verzochte omgang tijdens de vakanties en feestdagen. De rechtbank acht het te gecompliceerd voor [X] om deze weken en dagen nog verder op te splitsen en zal derhalve het verzoek op dit punt afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:

bepaalt de omgang tussen [A] en de minderjarige [X], geboren [in 2006] in [gemeente] als volgt:

- de minderjarige zal iedere derde weekend van de maand van vrijdag 17.00 uur tot zondag 18.00 uur bij [A] verblijven, behoudens in geval de minderjarige in verband met de voor haar getroffen vakantieregeling in dat weekend bij [C] of [B] dient te verblijven;

- de omgang zal niet in combinatie met andere personen plaatsvinden;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven te Leeuwarden door mr. P.R. Tjallema, lid van de kamer, tevens kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op woensdag 28 september 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.

(fn: 362)

Van deze beschikking kan, voor zover hierin een eindbeslissing is opgenomen, binnen 3 maanden hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Leeuwarden. Indien u in deze procedure bent verschenen start deze termijn op de dag van de uitspraak. Als u niet in de procedure bent verschenen kan de termijn op een latere datum beginnen. Volgens de wet bent u verplicht om voor het instellen van hoger beroep een advocaat in te schakelen. In verband met de beperkte termijn dient u zo spoedig mogelijk contact met uw/een advocaat op te nemen!

De griffier.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature