< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Openlijke geweldpleging en (poging tot) inbraak in Almere door minderjarige.

De rechtbank overweegt dat het een feit van algemene bekendheid is dat het hoofd een zeer kwetsbaar en uiterst vitaal deel van het menselijk lichaam is en dat één harde trap tegen het hoofd al tot ernstig letsel kan leiden. Daarom bestaat bij het geven van één harde trap reeds de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer ernstig letsel bekomt. Aangezien verdachte bij het incident vanuit zijn woede heeft gehandeld en er enige tijd is verstreken tussen het van de trap duwen en het in het gezicht trappen van aangeefster, heeft verdachte naar de uiterlijke verschijningsvormen bezien, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat er zwaar lichamelijk letsel bij aangeefster op zou treden.

Uitspraak



RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector strafrecht

Parketnummers: 07.661020-11 en 07.661027-11 (gev. ttz.) (P)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 13 september 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het onderzoek heeft plaatsgevonden achter gesloten deuren op 30 augustus 2011 te Lelystad, waarbij verdachte, bijgestaan door mr. [advocaat], advocaat te Almere, is verschenen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. J. Zeilstra en van de standpunten door verdachte en zijn raadsman naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is onder parketnummer 07.661020-11 ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 4 maart 2011 te Almere, (althans) in de gemeente Almere, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan het [adres p.d. 1]) weg te nemen geld en/of (een) goed(eren) van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [aange[aangever 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goed(eren) en/of geld onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, heeft/hebben verdachte en/of verdachtes mededader(s), een breekijzer/koevoet tussen en/of in de sluitnaad/de sponning van de (achter)deur gezet en/of (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, met een koevoet/breekijzer in de sluitnaad/de sponning van de (achter)deur gewrikt, althans met behulp van een koevoet/breekijzer geprobeerd de (achter)deur van die woning open te breken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 14 februari 2011 te Almere, (althans) in de gemeente Almere, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, het [adres p.d. 2], in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, genaamd [aangever 2], welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal, (met kracht) slaan en/of stompen tegen het hoofd van die [aangever 2] en/of schoppen/trappen tegen het been en/of elders tegen het lichaam van die [aangever 2] en/of het dichtknijpen en/of dichtdrukken van de keel van die [aangever 2];

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 14 februari 2011 te Almere, (althans) in de gemeente Almere, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [aangever 2]) meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd en/of (elders) tegen het lichaam heeft geslagen/gestompt en/of tegen het been en/of (elders) tegen het lichaam heeft geschopt/getrapt en/of de keel heeft dichtgeknepen en/of dichtgedrukt, waardoor voornoemde [aangever 2] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3.

hij in of omstreeks het tijdvak omvattende 9 februari 2011 en 10 februari 2011 te Almere, (althans) in de gemeente Almere, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een schuur (gelegen aan het [adres p.d. 3]) heeft weggenomen een fiets (merk Gazelle), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aange[aangever 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.

De verdachte is onder parketnummer 07.661027-11 ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 8 april 2011 te Almere, (althans) in de gemeente Almere ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [aangever[aangever 4], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [aangever 4] met kracht bij de arm(en) heeft beetgepakt, en/of (vervolgens) die [aangever 4] (met kracht/stevig) bij de keel heeft vastgepakt, en/of (terwijl hij, verdachte, die [aangever 4] bij de keel vasthield) met die [aangever 4] in de richting van/naar de trap is gelopen, en/of (vervolgens) die [aangever 4] (met kracht) tegen/op het lichaam heeft geduwd, waardoor die [aangever 4] van de (betonnen) trap is gevallen, en/of die [aangever 4] een of meermalen (met kracht) tegen/op het gezicht, in ieder geval tegen/op het lichaam heeft getrapt/geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 08 april 2011 te Almere, (althans) in de gemeente Almere, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [aangever[aangever 4]), (met kracht) tegen/op het lichaam heeft geduwd, waardoor die [aangever 4]/persoon van de (betonnen) trap is gevallen, en/of meermalen (met kracht) tegen/op het gezicht en/of het hoofd, en/of (elders) tegen/op het lichaam heeft getrapt/geschopt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

De rechtbank verbetert in de tenlastelegging een aantal kennelijke schrijffouten. De verdachte wordt naar het oordeel van de rechtbank daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

4.1 Inleiding

Ten aanzien van parketnummer 07.661020-11, feiten 1 en 3

Op 14 februari 2011 deed aangever [aangever 3] aangifte van diefstal van zijn Gazelle fiets uit de achtertuin van zijn woning aan het [adres p.d. 3] te Almere. Aangever verklaarde dat de diefstal plaatsgevonden had op 9 of 10 februari 2011 en dat daarbij het kettingslot van zijn achtertuindeur kapot gemaakt was.

Op 4 maart 2011 omstreeks 15:30 uur werd door getuige [get[getuige 1] bij de regionale meldkamer van de politie Flevoland melding gemaakt dat een viertal jongens mogelijk wilden inbreken in een woning nabij zijn eigen woning in Almere. De getuige [getuige 1] verklaarde onder andere dat hij zag dat de jongens handschoenen aantrokken en een koevoet bij zich hadden. Hij gaf een signalement van de jongens en maakte foto’s van hen.

De politie kwam kort daarop ter plaatse en er werden vier jongens aangetroffen die aan het signalement voldeden en voor de politie wegrenden. Na een achtervolging werden drie jongens aangehouden. In de directe omgeving van de vermoedelijke plaats delict werden onder andere een mes en een breekijzer gevonden, alsmede een rugtas. Bij de woning aan het [adres p.d. 1] te Almere werd door de verbalisanten bij de achterdeur braakschade aangetroffen. De rugtas bleek een receptenbriefje op naam van verdachte te bevatten en een PSP spelcomputer waarin een spel op naam van verdachte werd aangetroffen .

Op 4 maart 2011 deed aangeefster [aangever 1] aangifte van poging tot inbraak in haar woning aan het [adres p.d. 1] te Almere. Aangeefster verklaarde dat de inbraak plaatsgevonden had op 4 maart 2011 en daarbij aanzienlijke schade aan de achterdeur was ontstaan.

Verdachte werd op 9 maart 2011 aangehouden en hij werd gehoord op 9, 10, 23 en 24 maart 2011. Verdachte legde uiteindelijk ten aanzien van de feiten 1 en 3 een bekennende verklaring af.

Ten aanzien van parketnummer 07.661020-11, feit 2

Op 18 februari 2011 deed [aangever 2] aangifte van mishandeling. Hij verklaarde dat hij, toen hij omstreeks 8:30 uur in Almere naar school fietste, werd tegengehouden door drie jongens en hij vervolgens door hen mishandeld werd. Op 14 februari 2011 werden door de politie enkele getuigen gehoord, waarbij de naam van verdachte als één van de daders werd genoemd. Op 24 februari 2011 werd een geneeskundige verklaring betreffende aangever [aangever 2] opgesteld.

Verdachte legde over feit 2 op 23 maart 2011 tijdens een verhoor spontaan een deels bekennende verklaring af en op 24 maart 2011 verklaarde hij er nader over .

Ten aanzien van parketnummer 07.661027-11

Op 8 april 2011 omstreeks 18:50 uur werd bij de politie Flevoland een telefonische melding gedaan dat bij Nieuw Veldzicht in Almere op een crisisopvang voor jongeren een mishandeling had plaatsgevonden. De politie kwam omstreeks 19:05 uur ter plaatse en aangeefster [aangever[aangever 4] verklaarde dat ze door verdachte was mishandeld. Hierop werd verdachte aangehouden. Een pedagogisch medewerker van de crisisopvang werd als getuige gehoord. Verdachte werd op 9 april 2011 gehoord. Op 13 april 2011 werd een geneeskundige verklaring betreffende aangeefster opgemaakt.

4.2 Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is voor een bewezenverklaring van de onder de beide parketnummers ten laste gelegde feiten en met betrekking tot feit 2 en parketnummer 07.661027-11 het primair ten laste gelegde. Hij heeft hiertoe verwezen naar de verklaringen van verdachte, de aangiftes en de getuigenverklaringen.

De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht van de op de tenlastelegging van parketnummer 07.661020-11 onder 2 en 3 genoemde ad informandum gevoegde feiten kennis te nemen en deze te laten meewegen bij het bepalen van de straf en strafmaat, nu verdachte deze feiten bekend heeft.

4.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de onder parketnummer 07.661020-11 ten laste gelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van parketnummer 07.661027-11 heeft de raadsman gesteld dat verdachte van het primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, nu verdachte niet de bedoeling had om het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De raadsman heeft hierbij aangevoerd dat van voorwaardelijk opzet evenmin sprake geweest is, nu de aanmerkelijke kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel niet bestond en verdachte deze kans - voor zover deze zou bestaan - niet aanvaard heeft. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van de stukken van het onderliggende strafdossier en van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gebracht.

Ten aanzien van parketnummer 07.661020-11, feiten 1 en 3

Gelet op de aangiftes van [aangever 1] en [aangever 3] en de bekennende verklaring van verdachte, welke hij ter terechtzitting gehandhaafd heeft, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte schuldig is aan het medeplegen van de inbraak en het medeplegen van de poging tot inbraak op de wijze zoals hierna onder 5 ten aanzien van parketnummer 07.661020-11, feiten 1 en 3, bewezen is verklaard.

Gezien de bekennende verklaring van verdachte en op grond van het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, volstaat de rechtbank met een opgave van voornoemde bewijsmiddelen.

Ten aanzien van parketnummer 07.661020-11, feit 2

Aangever [aangever 2] heeft in zijn aangifte verklaard dat hij door drie voor hem onbekende jongens werd gestopt, toen hij op 14 februari 2011 omstreeks 8:30 uur in Almere naar school fietste. Hij heeft verklaard dat één van de jongens hem vroeg of hij Hendrik heette en of hij de Blackberry van zijn broertje gestolen had, waarop hij met kracht een vuistslag tegen zijn linkeroor kreeg van dezelfde jongen. Nadat hij op de grond viel, werd hij meerdere keren met kracht tegen zijn been geschopt en bij zijn keel gepakt door de verschillende jongens, waarbij zijn keel werd dichtgedrukt zodat hij het benauwd kreeg.

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij drie jongens zag die een andere jongen aanspraken. Van de drie jongens had één een donkere huidskleur en hadden er twee een licht getinte huidskleur. De getuige heeft verklaard dat de jongen met de donkere huidskleur het slachtoffer bij zijn keel pakte en tweemaal schopte. Getuige [get[getuige 3] heeft verklaard dat de donkere jongen [verdachte] heet.

Op 24 februari 2011 is bij aangever letsel vastgesteld, namelijk een gezwollen oorschelp en een kneuzing van de kuitspieren aan het rechterbeen.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het slachtoffer bang wilde maken en hem tweemaal geslagen heeft, nadat het slachtoffer hem geduwd had. Verdachte heeft echter ontkend dat hij het slachtoffer geschopt en de keel dichtgeknepen heeft.

De rechtbank overweegt dat de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] als objectieve toeschouwers kunnen worden aangemerkt, die de verklaring van aangever ondersteunen, hetgeen een reden is voor de rechtbank, gelet op consistentie en eenduidigheid, deze lezing van het gebeurende te volgen, boven de verklaring van verdachte.

Aldus acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte schuldig is aan de openlijke geweldpleging op de wijze zoals hierna onder 5 ten aanzien van parketnummer 07.661020-1, feit 2, bewezen is verklaard.

Ten aanzien van parketnummer 07.661027-11

Aangeefster [aangever 4] heeft in haar aangifte verklaard dat ze op 8 april 2011 in Almere in de eetkamer van de crisisopvang voor jongeren zat en een pluisje uit verdachtes haar wilde halen. Er ontstond hierop een woordenwisseling tussen haar en verdachte, waarna verdachte haar bij de arm en keel beetpakte, haar naar de trap duwde en haar van de betonnen trap gooide. Toen ze opstond, trapte verdachte haar tweemaal in haar gezicht.

Getuige [ge[getuige 4], pedagogisch medewerker op de crisisopvang, heeft verklaard dat ze zag dat verdachte aangeefster bij de keel vastpakte en van de trap duwde, waarna aangeefster weer opstond en enkele treden de trap opliep. Ze heeft voorts verklaard dat verdachte, nadat hij door haar aangesproken was en er enige tijd verstreken was, aangeefster meerdere malen met kracht in haar gezicht trapte.

Op 13 april 2011 is bij aangeefster letsel vastgesteld, namelijk een schaafwond op de onderarm, letsel aan de lip, een zwelling onder het linkeroog en drukpijn aan de nek.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat aangeefster hem aan zijn haar trok en daarop een worsteling tussen hem en aangeefster ontstond. Verdachte heeft ontkend dat hij aangeefster met opzet van de trap heeft geduwd en hij heeft daarbij gesteld dat aangeefster van de trap viel doordat de worsteling dicht bij de trap plaatsvond. Tevens heeft verdachte ontkend dat hij aangeefster in het gezicht getrapt heeft.

De rechtbank overweegt dat de verklaringen van aangeefster en de getuige [getuige 4] consistent zijn en met elkaar overeenkomen. De rechtbank heeft geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van deze verklaringen en naar het oordeel van de rechtbank komt dan ook meer waarde toe aan de verklaringen van aangeefster en de getuige dan aan de verklaring van verdachte.

De rechtbank overweegt voorts dat het een feit van algemene bekendheid is dat het hoofd een zeer kwetsbaar en uiterst vitaal deel van het menselijk lichaam is en dat één harde trap tegen het hoofd al tot ernstig letsel kan leiden. Daarom bestaat bij het geven van één harde trap reeds de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer ernstig letsel bekomt. Aangezien verdachte bij het incident vanuit zijn woede heeft gehandeld en er enige tijd is verstreken tussen het van de trap duwen en het in het gezicht trappen van aangeefster, heeft verdachte naar de uiterlijke verschijningsvormen bezien, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat er zwaar lichamelijk letsel bij aangeefster op zou treden.

Aldus acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte schuldig is aan de poging tot zware mishandeling op de wijze zoals hierna onder 5 ten aanzien van parketnummer 07.661027-11 bewezen is verklaard.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

ten aanzien van parketnummer 07.661020-11

1.

op 4 maart 2011 te Almere, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning (gelegen aan het [adres p.d. 1]) weg te nemen geld en/of (een) goed(eren) van hun gading, toebehorende aan [aangever 1], en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen door middel van braak, hebben verdachte en verdachtes mededaders, een breekijzer tussen de sponning van de achterdeur gezet en vervolgens meermalen met een breekijzer in de sponning van de achterdeur gewrikt, althans met behulp van een breekijzer geprobeerd de achterdeur van die woning open te breken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. Primair

op 14 februari 2011 te Almere, met anderen, op of aan de openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, genaamd [aangever 2], welk geweld bestond uit het meermalen met kracht stompen tegen het hoofd van die [aangever 2] en schoppen tegen het been van die [aangever 2] en het dichtdrukken van de keel van die [aangever 2];

3.

in het tijdvak omvattende 9 februari 2011 en 10 februari 2011 te Almere, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een schuur (gelegen aan het [adres p.d. 3]) heeft weggenomen een fiets (merk Gazelle), toebehorende aan [aangever 3], waarbij verdachte en zijn mededaders het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;

ten aanzien van parketnummer 07.661027-11

Primair

op 8 april 2011 te Almere ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [aangever 4], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [aangever 4] bij de armen heeft beetgepakt, en vervolgens die [aangever 4] bij de keel heeft vastgepakt, en met die [aangever 4] naar de trap is gelopen, en vervolgens die [aangever 4] tegen het lichaam heeft geduwd, waardoor die [aangever 4] van de betonnen trap is gevallen, en die [aangever 4] meermalen met kracht tegen het gezicht heeft getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert ten aanzien van parketnummer 07.661020-11 op:

feit 1: poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

feit 2: primair: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

feit 3: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Het bewezene levert ten aanzien van parketnummer 07.661027-11 op:

primair: poging tot zware mishandeling.

7 STRAFBAARHEID

De feiten en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

8.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 200 uur, waarvan 100 voorwaardelijk met als bijzondere voorwaarde de maatregel Hulp en steun, ook indien dit inhoudt Multi System Therapy (MST). Hierbij heeft de officier van justitie overwogen dat verdachte blijkens de persoonlijkheidsonderzoeken pro justitia als verminderd toerekeningsvatbaar kan worden gehouden.

8.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van een op te leggen straf opgemerkt dat de elementen groepsgedrag, kattenkwaad, slechte grappen en zelfbeheersing een rol hebben gespeeld bij de delicten, maar dat verdachte spijt heeft betuigd en thans een goede ontwikkeling laat zien, wat blijkt uit de rapportages.

De raadsman heeft gesteld dat hij de door de officier van justitie gevorderde werkstraf te fors vindt en heeft de rechtbank in overweging gegeven een geheel voorwaardelijke werkstraf op te leggen.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend, waarbij het volgende wordt overwogen.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de inbraken dat deze niet alleen materiële schade en praktische overlast voor de bewoners veroorzaken, maar vooral ook een forse inbreuk op hun privacy en een aantasting van hun gevoel van veiligheid opleveren. Dit heeft verdachte echter ondergeschikt gemaakt aan zijn drang naar geldelijk gewin.

Ten aanzien van de zware mishandeling en het openlijke geweld overweegt de rechtbank dat het handelen van verdachte een ernstige inbreuk op de lichamelijke en psychische integriteit van de beide slachtoffers heeft veroorzaakt. Dergelijke feiten hebben in het algemeen een grote impact op (het leven van) een slachtoffer, onder meer in de vorm van gevoelens van angst en onveiligheid.

De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij deze feiten in een korte tijd heeft gepleegd en acht dit, in het bijzonder gezien zijn jeugdige leeftijd, zorgelijk.

Bij haar beslissing ten aanzien van de op te leggen straf en strafmaat heeft de rechtbank voorts rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 10 mei 2011 en na te noemen rapportages en onderzoeken pro justitia.

De deskundige F.M.J. Bruggeman, psychiater, heeft in het psychiatrisch onderzoek pro justitia d.d. 14 augustus 2011 geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van een gedragsstoornis niet anders omschreven met zowel oppositioneel opstandige kenmerken als enig fasegebonden antisociaal gedrag bij een adolescent en de daarmee samenhangende lacunaire gewetensfuncties. Tevens bestaat bij verdachte een verhoogde krenkbaarheid en is hij bang om te falen. Volgens de deskundige is er bij verdachte sprake van licht verminderde toerekeningsvatbaarheid. De deskundige adviseert verdachte een deels voorwaardelijke (taak)straf op te leggen met als bijzondere voorwaarde de maatregel Hulp en Steun, met voortzetting van de MST en daarnaast individuele behandeling gericht op het moreel redeneren, het inzicht verwerven in oorzaak-gevolg situaties, het verbeteren van het zelfbeeld en het verminderen van de verhoogde krenkbaarheid.

De deskundige M. Spring in ’t Veld, orthopedagoog-generalist, heeft in het psychologisch onderzoek pro justitia d.d. 11 augustus 2011 geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van een gedragsstoornis niet anders omschreven en daarnaast zorgelijk gedrag in de vorm van een zwakke egostructuur, zwakke impulsregulatie en een onrijp functionerend geweten. Volgens de deskundige is er bij verdachte sprake van licht verminderde toerekeningsvatbaarheid. De deskundige adviseert verdachte een deels voorwaardelijke (werk)straf met als bijzondere voorwaarde de maatregel Hulp en Steun op te leggen, ook als dat inhoudt MST en eventuele individuele behandeling.

I.N.F. Goedhart, raadsonderzoeker van de Raad voor de Kinderbescherming heeft d.d. 25 augustus 2011 geadviseerd verdachte een deels voorwaardelijke werkstraf met als bijzondere voorwaarde de maatregel Hulp en Steun op te leggen, ook indien dit inhoudt MST.

M.J. Mostert, jeugdreclasseerder van Bureau Jeugdzorg Flevoland heeft overeenkomstig het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming geadviseerd, met toevoeging van individuele vervolgbehandeling bij De Waag.

De rechtbank neemt de conclusies en adviezen zoals deze voortvloeien uit de rapportages over en maakt die tot de hare.

De rechtbank concludeert derhalve op grond van de rapporten van de deskundigen Bruggeman en Spring in ‘t Veld dat de bewezen verklaarde feiten in licht verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde strafoplegging passend moet worden geacht.

Daarbij heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat de verdachte zich, naast de bewezenverklaarde feiten, ook schuldig heeft gemaakt aan twee inbraken, zoals valt af te leiden uit de ter kennisneming van de rechtbank bij de stukken gevoegde dossiers met parketnummer 07.661020-11, in de onderhavige procedure ad informandum gevoegd onder 2 en 3, en zoals ook door de verdachte tegenover de politie is erkend en door hem ter terechtzitting is bevestigd.

9 DE BENADEELDE PARTIJ

Voor aanvang van de terechtzitting heeft [aangever 2] zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte onder parketnummer 07.661020-11 feit 2 ten laste gelegde feit. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 225,--.

9.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering toe te wijzen, met oplegging aan verdachte van de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

9.2 Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de vordering benadeelde partij heeft de raadsman geen opmerkingen gemaakt.

9.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij [aangever 2] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het bij parketnummer 07.661020-11 onder feit 2 primair bewezen verklaarde feit. De hoogte van die schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 225,--, vermeerderd met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een geldsom van € 225,-- ten behoeve van het slachtoffer [aangever 2].

10 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 27, 77 a, 77g, 77h, 77m, 77n, 77o, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141, 302, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het bij parketnummer 07.661020-11 onder feiten 1, 2 primair en 3 en bij parketnummer 07.661027-11 primair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van het meer of anders ten laste gelegde;

Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- legt aan verdachte op een taakstraf, te weten werkstraf voor de duur van 200 uur, met bevel dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet of niet naar behoren verricht de werkstraf wordt vervangen door 100 dagen jeugddetentie, althans een aantal dagen jeugddetentie dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren werkstraf;

- bepaalt dat de tijd, die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde werkstraf in mindering zal worden gebracht, berekend naar de maatstaf van twee uren werkstraf per dag;

- bepaalt dat van de werkstraf een gedeelte, groot 100 uur, subsidiair 50 dagen jeugddetentie, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, hem te geven door of namens Bureau Jeugdzorg, Jeugdreclassering, ook indien dit inhoudt medewerking aan Multi System Therapy en/of het volgen van een individuele behandeling bij De Waag, dan wel bij een andere, soortgelijke instelling, zulks zolang Bureau Jeugdzorg, Jeugdreclassering of een door haar aan te wijzen andere reclasseringsinstelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt, met opdracht aan die instelling als bedoeld in artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht;

- heft op de beide geschorste bevelen tot voorlopige hechtenis;

Benadeelde partij

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 2], wonende te Almere, van een bedrag van € 225,-- (zegge: tweehonderdvijfentwintig euro), met veroordeling tevens van verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 225,-- (zegge: tweehonderdvijfentwintig euro) ten behoeve van het slachtoffer [aangever 2] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door vier dagen jeugddetentie;

- bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.P de Haas, voorzitter, tevens kinderrechter, mrs. A.C. Schroten en W.F. Roelink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B. Nitrauw, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 september 2011.

mrs. De Haas en Roelink zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature