< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Algemeen.

Navordering. Geen ambtelijk verzuim bij correctie ondernemersfaciliteiten.

Uitspraak



GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummers 11/00311 en 11/00312

uitspraakdatum: 20 september 2011

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 8 maart 2011, nummers AWB 10/2670 en 10/2672, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/P (hierna: de Inspecteur).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is over het jaar 2006 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.242. Bij beschikking is een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van € 684.

1.2 Aan belanghebbende is over het jaar 2007 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.928. Bij beschikking is een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van € 412.

1.3 Op de bezwaarschriften van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraken op bezwaar van 11 juni 2010 de navorderingsaanslagen en de beschikkingen heffingsrente gehandhaafd.

1.4 Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft bij uitspraak van 8 maart 2011 het beroep ter zake van de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2006 ongegrond verklaard, het beroep ter zake van de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2007 gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de navorderingsaanslag en de daarbij behorende beschikking heffingsrente zoals die na de ambtshalve verleende vermindering zijn komen te luiden gehandhaafd.

1.5 Belanghebbende heeft tegen de uitspraken van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6 Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend, gedateerd 18 augustus 2011 en ingekomen bij het Hof op 19 augustus 2011.

1.7 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2011 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.8 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Feiten

2.1 Belanghebbende was in de onderhavige jaren (2006 en 2007) twee dagen in de week in dienstbetrekking werkzaam bij A. Hij heeft in 2006 een bedrag van € 16.724 en in 2007 een bedrag van € 18.279 aan loon uit dienstbetrekking genoten.

2.2 Naast zijn werkzaamheden in dienstbetrekking drijft belanghebbende sinds 2003 een in de vorm van een eenmanszaak gedreven onderneming, waarin activiteiten op het gebied van financiële planning worden verricht. Belanghebbende heeft daarmee in 2006 en 2007 een omzet gerealiseerd van respectievelijk € 10.733 en € 9.182. De winst uit onderneming bedroeg in deze jaren respectievelijk € 3.946 (2006) en negatief € 1.445 (2007).

2.3 Belanghebbende heeft aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2006 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van negatief € 6.926. In de aangifte heeft hij de zelfstandigen- en startersaftrek geclaimd tot een bedrag van € 10.872 en een aftrek uit hoofde van de kleine ondernemersregeling van € 572.

2.4 Met dagtekening 10 juni 2008 verzoekt belanghebbende de Belastingdienst om een voorlopige aanslag IB/PVV 2006 op te leggen. In zijn brief schrijft belanghebbende:

“(…)

In verband met een te verwachten teruggave verzoek ik u een (nadere) voorlopige aanslag op te leggen naar aanleiding van de op 8 september 2007 ingediende (…) aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

(…)”

2.5 Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV 2007 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.853. In de aangifte heeft hij de zelfstandigenaftrek geclaimd tot een bedrag van € 9.028 en de MKB-winstvrijstelling tot een bedrag van € 1.047.

2.6 Naar aanleiding van de ingediende aangiften ontvangt belanghebbende met dagtekening 14 augustus 2008 een vermindering van de eerder opgelegde voorlopige aanslag 2006 van € 925 en met dagtekening 3 oktober 2008 een vermindering van de voorlopige aanslag 2007 van € 888.

2.7 Op de voorlopige aanslagen staat – onder meer – vermeld:

“Deze aanslag is uitsluitend gebaseerd op de gegevens uit uw aangifte (…)2006 [Hof: 2007]. De Belastingdienst gaat uw gegevens nog controleren. De definitieve aanslag kan afwijken van deze voorlopige aanslag; wellicht moet u het te ontvangen bedrag geheel of gedeeltelijk terugbetalen.”

2.8 Op 9 oktober 2008 respectievelijk 25 maart 2009 zijn de definitieve aanslagen IB/PVV over 2006 en 2007 aan belanghebbende opgelegd. De aanslagen zijn vastgesteld overeenkomstig de door belanghebbende ingediende aangiften.

2.9 Op 21 december 2009 is bij belanghebbende een boekenonderzoek aangevangen. Onderzocht is onder meer de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV over de jaren 2005 tot en met 2008.

2.10 Met dagtekening 17 februari 2010 is een rapport inzake het ingestelde boekenonderzoek opgesteld. In dit rapport is – voor zover van belang – het volgende opgenomen:

“3 Winstberekening

3.1 Zelfstandigenaftrek

3.1.1 Urencriterium

De belastingplichtige voldoet in de jaren 2006 tot en met 2008 niet aan het urencriterium omdat hij minder dan 1225 uren werkzaamheden heeft verricht voor zijn onderneming.

De correcties bedragen in de jaren 2006-2008 resp. € 10.872; € 9.028 (…)

3.2 Buitengewone baten

In de jaren 2005 en 2008 is de kleine ondernemersregeling (KOR) juist berekend. Echter in de winstberekening heeft belastingplichtige onjuiste bedragen als buitengewone baten opgenomen. Na de herberekening van de KOR bedraagt de correctie:

(…)

2006: de KOR is niet als buitengewone bate in de verlies en winstrekening opgenomen. De correctie bedraagt € 572.

(…)

3.3 MKB vrijstelling

Omdat niet wordt voldaan aan het urencriterium kan de MKB vrijstelling niet worden toegepast. De correctie bedraagt in 2007: € 1.047 (…)”

2.11 Naar aanleiding van het voornoemde boekenonderzoek zijn aan belanghebbende met dagtekening 13 maart 2010 de navorderingsaanslagen IB/PVV 2006 en 2007 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.242 respectievelijk € 18.928, berekend als volgt:

2006 2007

Vastgesteld inkomen uit werk en woning (box 1) € 9.798 € 8.853

Bij:

- zelfstandigenaftrek € 10.872 € 9.028

- kleine ondernemersregeling € 572 € 0

- MKB winstvrijstelling € 0 € 1.047

Belastbaar inkomen uit werk en woning € 21.242 € 18.928

2.12 In verband met een geconstateerde rekenfout en het ten onrechte bijtellen van de MKB-winstvrijstelling bij het inkomen heeft de Inspecteur met dagtekening 3 januari 2011 de navorderingsaanslag IB/PVV 2007 ambtshalve verminderd en het belastbaar inkomen voor 2007 vastgesteld op € 16.978.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is of de onderwerpelijke navorderingsaanslagen terecht zijn opgelegd. Het geschil spitst zich primair toe op de vraag of de Inspecteur beschikt over een zogenoemd nieuw feit. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de Inspecteur bevestigend.

3.2 Bij ontkennende beantwoording van de in 3.1 vermelde vraag is subsidiair in geschil of de Inspecteur het standpunt dat er sprake is van kwade trouw heeft prijsgegeven en zo nee, of er sprake is van kwade trouw.

3.3 Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende zijn stelling omtrent de door de Rechtbank niet toegekende proceskostenvergoeding ingetrokken.

3.4 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd, wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting.

3.5 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraken op bezwaar en van de navorderingsaanslagen.

3.6 De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 De onderhavige navorderingsaanslagen zijn opgelegd op de voet van artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen . Ingevolge die bepaling kan de inspecteur indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

4.2 Naar is geoordeeld in Hoge Raad 16 april 2010, nr. 08/05088, LJN BJ9082, BNB 2010/227, dient in gevallen als de onderhavige voorop gesteld te worden dat de inspecteur bij het vaststellen van een aanslag IB/PVV mag uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige in en bij zijn aangifte heeft verstrekt. Tot een nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden, indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen. Voor twijfel is geen aanleiding indien de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn.

4.3 Belanghebbende betoogt dat er sprake is van een ambtelijk verzuim omdat hij in de onderhavige jaren – in tegenstelling tot de voorgaande jaren (2004 en 2005) – zowel loon uit dienstbetrekking als winst uit onderneming in de aangiften heeft vermeld en er sprake was van een lagere winst ten opzichte van voorgaande jaren en omdat de Belastingdienst al vier jaar weet dat hij een (startende) ondernemer is. Bovendien zijn er verzoeken ingediend om vermindering van de voorlopige aanslagen en staat op de voorlopige aanslagen de expliciete mededeling dat de Belastingdienst de gegevens nog gaat controleren (zie 2.7).

4.4 Het Hof is van oordeel dat er geen sprake is van een ambtelijk verzuim. Redengevend daarvoor is dat de in 4.3 vermelde gewijzigde omstandigheden en het feit dat de Belastingdienst weet dat belanghebbende vier jaar een (startende) ondernemer is, niet meebrengen dat de Inspecteur aan de juistheid van de aangiften in redelijkheid behoorde te twijfelen. Er bestond de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid dat de in de aangiften opgenomen gegevens juist waren. Aan dit oordeel doen niet af de verzoeken om vermindering van de voorlopige aanslagen en de expliciete mededeling op de voorlopige aanslagen (zie 2.7) omdat belanghebbende niets omtrent de later uit het boekenonderzoek blijkende feiten uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de Inspecteur heeft voorgelegd (vgl. HR 17 januari 2003, nr. 37.463, LJN AF2996).

4.5 Aangezien er geen sprake is van een ambtelijk verzuim, kon de Inspecteur de onderhavige navorderingsaanslagen opleggen. De stellingen van belanghebbende inzake de kwade trouw behoeven geen behandeling.

4.6 Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente (zie HR 27 november 2009, nr. 07/13621, LJN BJ7907, BNB 2010/52). Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Nu de navorderingsaanslagen niet worden verminderd, is er ook geen aanleiding voor een vermindering van de in rekening gebrachte heffingsrente.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5. Kosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, mr. A.J.H. van Suilen en mr. W.A.P. Nieuwenhuizen, in tegenwoordigheid van mr. N. ten Broek als griffier.

De beslissing is op 20 september 2011 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(N. ten Broek) (B.F.A. van Huijgevoort)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 21 september 2011.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer)

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature