< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Winstbelasting / Artikel 22 en 23 LWB, artikel 78 ALL / 1999

Betreft 8 gelieerde vennootschappen. Artikel 78, lid 5, van de ALL bepaalt dat ten aanzien van strafbare feiten, begaan v óór de inwerkingtreding van de ALL in 2002, de oude bepalingen gelden. Het strafbare feit is in 2000 begaan. De boete is dan ook opgelegd ingevolge de artikelen 22 en 23 van de LWB. Beroep van belanghebbenden op artikel 2 van het Wetboek van Strafvordering dat bepaalt dat bij verandering van wetgeving na het tijdstip waarop het feit is begaan de voor de verdachte gunstigste bepaling wordt toegepast kan belanghebbenden niet baten. Tijdsverloop van twee jaar houdt geen schending van de redelijke termijn in, temeer niet omdat de beroepsprocedure door toedoen van belanghebbenden ruim negen maanden is vertraagd. Belanghebbenden stellen dat met de bestreden boete het evenredigheids- of het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden. De overschrijding van de termijn voor het indienen van de aangifte gering, was geen winstbelasting verschuldigd en worden overigens op tijd aangiften en betalingen gedaan. De Raad is van oordeel dat zelfs de overschrijding van de termijn voor het indienen van de vereiste aangifte met slechts één dag het opleggen van een verzuimboete kan rechtvaardigen. Beroep op gelijkheidsbeginsel wordt afgewezen, omdat van een begunstigend beleid door de Inspecteur is niets gesteld of gebleken. De meerderheidsregel is evenmin geschonden, omdat acht van de dertien gelieerde naamloze vennootschappen geen kwijtschelding hebben gekregen van de aan haar opgelegde verzuimboete.

Uitspraak



BESCHIKKING RAAD VAN BEROEP van 25 november 2005, nr. 2004-409 t/m 416

1. Procesverloop

1.1. Aan iedere belanghebbende is een naheffingsaanslag in de winstbelasting over het jaar 1999 opgelegd van nihil met een boete van Naf 500. Zij hebben daartegen (ieder afzonderlijk) tijdig bezwaar gemaakt. Bij beschikkingen van 19 januari 2004 heeft de Inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan.

1.2. Belanghebbenden zijn tegen de beschikkingen op bezwaar op 17 maart 2004, dus tijdig, in beroep gekomen bij de Raad. De beroepen zijn gemotiveerd bij brieven van 14 januari en 23 maart 2005. De Inspecteur heeft vertoogschriften ingediend.

1.3. De mondelinge behandeling van de zaken heeft tegelijkertijd plaatsgehad ter zitting van de Raad op 15 april 2004. Alle partijen zijn verschenen.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbenden hebben geen verzoek gedaan om uitstel voor het indienen van de definitieve aangifte winstbelasting 1999. Zij hebben het aangifteformulier winstbelasting 1999 ingediend op 3 augustus 2000, dat is na het verstrijken van de uiterste datum van inleveren op 30 juni 2000. Zij hadden de voorlopige aangifte daarentegen tijdig ingediend. Aan iedere belanghebbende is met dagtekening 31 juli 2003 op grond van de artikelen 22 en 23 van de Landsverordening op de winstbelasting 1940 (hierna: LWB) een verzuimboete van Naf 500 opgelegd wegens het niet-tijdig doen van de vereiste aangifte. De verschuldigde (enkelvoudige) winstbelasting over 1999 beloopt voor elke belanghebbende nihil.

2.2. Belanghebbenden behoren tot een groep van verbonden naamloze vennootschappen, de zogeheten B Group. Een vijftal (ME: andere ) naamloze vennootschappen van de B Group is om dezelfde reden een verzuimboete opgelegd die evenwel geheel is kwijtgescholden door de Inspecteur. Belanghebbenden hebben tegelijkertijd verzuimboetes wegens ontijdige indiening van haar aangifte winstbelasting 1999 opgelegd gekregen; deze boetes zijn niet kwijtgescholden door de Inspecteur.

3. Geschil en standpunten van partijen

In geschil is of de boete buiten de wettelijke termijn als bedoeld in artikel 18, lid 3, van de Algemene Landsverordening Landsbelastingen (hierna: ALL) is opgelegd. Voorts is in geding de vraag of de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden. Tot slot verschillen partijen over het antwoord op de vraag of de boete in strijd met het evenredigheids- dan wel het zorgvuldigheids- of het gelijkheidsbeginsel is opgelegd. De Raad verwijst voor de standpunten van partijen naar de gedingstukken.

4. Beoordeling van het beroep

4.1. Artikel 18, lid 3, van de ALL bepaalt dat de bevoegdheid tot het opleggen van een verzuimboete wegens het niet-tijdig doen van aangifte vervalt door verloop van een jaar na het einde van de termijn waarbinnen aangifte had moeten worden gedaan. Belanghebbenden beroepen zich op deze wetsbepaling en rekenen voor dat de onderhavige boete, die eerst op 31 juli 2003 is opgelegd, buiten deze wettelijke termijn van een jaar is vastgesteld. De Inspecteur stelt onder verwijzing naar artikel 78, lid 5, van de ALL dat voornoemd artikel 18, lid 3, niet van toepassing is. Artikel 78, lid 5, bepaalt dat ten aanzien van strafbare feiten, begaan v óór de inwerkingtreding van de ALL in 2002, de oude bepalingen gelden. Het strafbare feit is in 2000 begaan. De boete is dan ook volgens de Inspecteur opgelegd ingevolge de artikelen 22 en 23 van de LWB. De Raad houdt de stellingname van de Inspecteur voor juist.

4.2. Belanghebbenden hebben een beroep gedaan op artikel 2 van het Wetboek van Strafvordering dat bepaalt dat bij verandering van wetgeving na het tijdstip waarop het feit is begaan de voor de verdachte gunstigste bepaling wordt toegepast. Dit beroep kan belanghebbenden naar het oordeel van de Raad niet baten. De wetgever is bevoegd om zelf op de bepaling van artikel 2 van het Wetboek van Strafvordering uitzonderingen, leges speciales, te maken en daarvan is artikel 78, lid 5, van de ALL een voorbeeld. Het zal trouwens ook niet de bedoeling van de wetgever van de ALL zijn geweest (zonder dat hij dat uitdrukkelijk heeft uitgesproken) om alle verzuimboetes kwijt te schelden die de Inspecteur vóór haar inwerkingtreding had opgelegd ingevolge de artikelen 22 en 23 van de LWB (en overeenkomstige artikelen in andere heffingswetten ) buiten de termijn van een jaar.

4.3. Belanghebbenden stellen dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden. Volgens haar beliep die termijn twee jaar en is hij dus overschreden. De Raad zal, zolang hierover nog niet is beslist door het EHRM in Straatsburg, niet ingaan op de vraag of het EVRM wel van toepassing is op verzuimboetes, maar dat veronderstellen. Vaststaat dat de boetes door de Inspecteur zijn meegedeeld en opgelegd op 31 juli 2003 en dat de uiteindelijke berechting plaats vindt bij het nemen van deze beschikking door de Raad in juni 2005. Dit tijdsverloop houdt geen schending van de redelijke termijn in, temeer niet omdat de beroepsprocedure door toedoen van belanghebbenden ruim negen maanden is vertraagd. Zij hebben immers op 17 maart 2004 pro forma beroep ingediend en pas op 14 januari 2005 een motivering ingezonden.

4.4. Belanghebbenden stellen dat met de bestreden boete het evenredigheids- of het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden doordat de Inspecteur niet met de bijzondere omstandigheden van haar geval heeft rekening gehouden. Zo was de overschrijding door haar van de termijn voor het indienen van de aangifte gering, zijn zij voorts geen winstbelasting verschuldigd en worden overigens door haar op tijd aangiften en betalingen gedaan. De Inspecteur heeft een en ander bestreden en erop gewezen dat het wettelijke minimumbedrag aan boete is opgelegd. De Raad is van oordeel dat zelfs de overschrijding van de termijn voor het indienen van de vereiste aangifte met slechts één dag het opleggen van een verzuimboete kan rechtvaardigen. De Raad wijst er verder op dat de wetgever het niet-tijdig doen van aangifte ook als strafbaar feit heeft aangemerkt wanneer geen belasting verschuldigd is. De Antilliaanse wetgever en administratie hebben er evenmin voor gekozen om verzuimboetes te matigen vanwege het overigens goede aangifte- en betalingsgedrag van een winstbelastingplichtige. Het is dan niet aan de rechter om een verzuimboete die is opgelegd aan een winstbelastingplichtige te mitigeren bij een overigens goed gedrag.

4.5. Belanghebbenden hebben tot slot een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Zij wijzen erop dat de boetes die terzelfder tijd aan vijf gelieerde naamloze vennootschappen zijn opgelegd wegens een zelfde verzuim, geheel zijn kwijtgescholden. Dit beroep wordt door de Raad afgewezen. Van een begunstigend beleid door de Inspecteur is niets gesteld of gebleken. De meerderheidsregel is evenmin geschonden, omdat acht van de dertien gelieerde naamloze vennootschappen geen kwijtschelding hebben gekregen van de aan haar opgelegde verzuimboete.

5. Beslissing

De Raad verklaart de beroepen ongegrond.

mrs. Drop, Van Ballegooijen en Van Muijen


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature