Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Doorzending 6:15 Awb; indicatiebesluit 5 lid 2 Wjz; instemming wettelijk vertegenwoordiger 7 lid 3 Wjz; gezag 1:245 lid 4 BW.

De Raad zal, doende hetgeen de kinderrechter als bestuursrechter zou behoren te doen, het beroep niet-ontvankelijk verklaren en alsnog voor de doorzending zorgdragen. Met het oog op de door Bjz te nemen beslissing op bezwaar overweegt de Raad het volgende.

Uitspraak



09/4590 WJZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de kinderrechter als bestuursrechter van de rechtbank Amsterdam van 14 augustus 2009, 408642 / 08-2913 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellant

en

Bureau Jeugdzorg Agglomoratie Amsterdam (hierna: Bjz)

Datum uitspraak: 14 september 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Bjz heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door [T.]. Bjz heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. O.J.W. Ruitenberg, werkzaam bij Bjz.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Aan de aangevallen uitspraak - waarin appellant als eiser is aangeduid en Bjz als verweerder - ontleent de Raad de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden:

“Eiser is de vader van [naam zoon], geboren [in] 1999. [de zoon] verblijft bij zijn moeder, die gezag heeft.

Eiser heeft zich in 2005 tot verweerder gewend met het verzoek onderzoek te doen naar de situatie van [de zoon] bij de moeder. Eiser maakt zich ernstige zorgen om de ontwikkeling van [de zoon] en stuurde stukken in met betrekking tot de halfbroer van [de zoon], met wie het volgens eiser niet goed ging. Verweerder heeft in 2005 en in 2006 een onderzoek ingesteld naar de situatie van [de zoon] door middel van het voeren van gesprekken met de moeder en de school en het inwinnen van informatie bij de schoolarts en huisarts van [de zoon]. Verweerder heeft de ouders mediation voorgesteld - de ouders zijn dit traject niet ingegaan - en nadien heeft verweerder ouders voorgesteld een onderzoek te doen plaatsvinden bij het Diagnostisch Centrum. De moeder gaf hier aanvankelijk toestemming voor, maar trok deze toestemming in. Verweerder heeft geen indicatie gesteld voor het laten verrichten van onderzoek.”

1.2. De onder 1.1 genoemde feiten en omstandigheden worden door partijen niet betwist en vormen ook voor de Raad uitgangspunt bij zijn oordeelsvorming.

1.3. Bjz heeft een door appellant ingediende brief van 2 mei 2006, waarin hij klaagt dat Bjz onzorgvuldig en onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de leefomstandigheden van [de zoon], opgevat als een bezwaarschrift tegen de weigering van Bjz om een indicatiebesluit te nemen als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet op de jeugdzorg (Wjz).

1.4. Bij besluit van 9 september 2008 heeft H.J.F. Vink, Voorzitter bezwaarcommissie, het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard, omdat Bjz geen indicatie voor observatiediagnostiek kan stellen, nu de ouder met gezag, de moeder, niet instemt met de aanvraag daarvoor.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 9 september 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 29 april 2008, LJN BD1113, r.o. 4.2.4, stelt de Raad vast dat hij bevoegd is om van het onderhavige hoger beroep kennis te nemen, nu dit is gericht tegen een uitspraak van de kinderrechter als bestuursrechter inzake een indicatiebesluit dat zijn grondslag vindt in de Wjz.

4.2. De Raad stelt ambtshalve vast dat Bjz de brief van 2 mei 2006 van appellant ten onrechte heeft opgevat als een bezwaarschrift tegen een weigering van Bjz om een indicatiebesluit te nemen, nu van een aanvraag daartoe niet is gebleken. Nu het besluit van 9 september 2008 is genomen naar aanleiding van het verzoek van appellant van

2 mei 2006 om een indicatie te stellen moet dit besluit van 9 september 2008 worden aangemerkt als een primair besluit. Dit betekent dat de kinderrechter als bestuursrechter, nu de bezwaarprocedure nog niet was doorlopen, het beroep gelet op artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet-ontvankelijk had dienen te verklaren en het beroepschrift van 13 september 2008 met toepassing van artikel 6:15 van de Awb ter behandeling als bezwaarschrift naar Bjz had moeten doorzenden. Nu dit is nagelaten, komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal, doende hetgeen de kinderrechter als bestuursrechter zou behoren te doen, het beroep niet-ontvankelijk verklaren en alsnog voor de doorzending zorgdragen.

4.3. Met het oog op de door Bjz te nemen beslissing op het bezwaar van appellant tegen de afwijzing van Bjz om de gevraagde indicatie te stellen, overweegt de Raad - ten overvloede - het volgende.

4.4. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 26 mei 2010 (LJN BM7468) en hetgeen ter zitting is besproken, stelt de Raad vast dat het besluit van 9 september 2008 door de Voorzitter bezwaarcommissie onbevoegd is genomen. Dit bevoegdheidsgebrek kan door Bjz bij het nog te nemen besluit op bezwaar worden geheeld.

4.5. Het verzoek van appellant is erop gericht dat Bjz een indicatie stelt voor een onafhankelijk onderzoek naar de ontwikkeling van [de zoon] om zodoende na te gaan of [de zoon] zorg nodig heeft als bedoeld in de Wjz. Bjz heeft aan de afwijzing om de gevraagde indicatie te stellen ten grondslag gelegd dat hij op grond van artikel 7, derde lid, van de Wjz hiertoe niet bevoegd is, aangezien de moeder van [de zoon] niet met een dergelijk onderzoek bij [de zoon], en daarmee ook niet met een verzoek om indicatiestelling, heeft willen instemmen.

4.6. Artikel 5, tweede lid, van de Wjz bepaalt dat tot de taak, bedoeld in het eerste lid, behoort het vaststellen of een cliënt is aangewezen op:

a. jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat;

b. zorg, bestaande uit bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen vormen van geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen waarop ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten dan wel ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet aanspraak bestaat.

4.7. In artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg is bepaald dat de aanspraak op jeugdzorg ingevolge de Wjz jeugdhulp, verblijf en observatiediagnostiek omvat. In artikel 5, eerste lid, van het zelfde uitvoeringsbesluit is bepaald dat observatiediagnostiek het onderzoeken van een jeugdige omvat gericht op het verkrijgen van gegevens die een stichting als Bjz nodig heeft voor het nemen van een indicatiebesluit.

4.8. Artikel 7, eerste lid, van de Wjz bepaalt dat aan een besluit waarbij wordt vastgesteld of een cliënt is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wjz een aanvraag van een cli ënt ten grondslag ligt.

4.9. In artikel 7, derde lid, van de Wjz is bepaald dat indien de aanvraag betrekking heeft op een minderjarige die jonger is dan twaalf jaren niet de instemming van de minderjarige is vereist, maar van diens wettelijke vertegenwoordiger.

4.10. Artikel 1:245, leden 1 tot en met 4, van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt:

1. Minderjarigen staan onder gezag.

2. Onder gezag wordt verstaan ouderlijk gezag dan wel voogdij.

3. Ouderlijk gezag wordt door de ouders gezamenlijk of door één ouder uitgeoefend. Voogdij wordt door een ander dan een ouder uitgeoefend.

4. Het gezag heeft betrekking op de persoon van de minderjarige, het bewind over zijn vermogen en zijn vertegenwoordiging in burgerlijke handelingen, zowel in als buiten rechte.

4.11. De Raad stelt vast dat er in het onderhavige geval sprake is van een besluit op een aanvraag om een indicatie te stellen ten behoeve van een minderjarige die jonger is dan twaalf jaar. Op grond van artikel 7, derde lid, van de Wjz is daarvoor de instemming van de wettelijke vertegenwoordiger vereist. Uit artikel 1:245, vierde lid, van het BW volgt dat de met gezag belaste ouder de wettelijke vertegenwoordiger van de minderjarige is. Bjz is, zoals ter zitting is toegelicht, bij zijn besluitvorming ervan uitgegaan dat zowel appellant als de moeder van [de zoon] met het gezag over [de zoon] zijn belast. Daarvan uitgaande volgt uit artikel 1:245, derde lid, van het BW dat dit gezag door hen beiden gezamenlijk wordt uitgeoefend. Dit betekent dat de beide ouders zich moeten kunnen vinden in het verzoek om indicatie te stellen. De wetgever heeft de instemming van de andere ouder in geval van gezamenlijk gezag, blijkens de toelichting bij artikel 7 van de Wjz, aanvan kelijk artikel 5b genoemd, ook beoogd. In die toelichting staat namelijk dat in geval van gezamenlijk gezag het voldoende is als één ouder instemt met de aanvraag, tenzij de andere ouder er blijk van geeft de instemming te weigeren (zie Kamerstukken II, 28168, nr. 10, p. 26). Nu de moeder van [de zoon] niet instemt met het verzoek van appellant om een indicatie te stellen, staat artikel 7, derde lid, van de Wjz aan toewijzing van het door appellant gevraagde verzoek in de weg.

5. Appellant heeft, tot slot, om vergoeding van proceskosten in beroep en hoger beroep verzocht bestaande uit reis- en verletkosten. Bjz heeft zich omtrent dit verzoek aan het oordeel van de Raad gerefereerd. Op grond van artikel 8:75 van de Awb komt het verzoek voor toewijzing in aanmerking. De Raad heeft deze kosten op grond van artikel 1, aanhef, onder c en d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 4,-- aan reiskosten in beroep en € 16,-- aan reiskosten in hoger beroep, en op € 120,-- aan verletkosten in beroep en € 120,-- aan verletkosten in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

Veroordeelt Bjz in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 260,--;

Bepaalt dat Bjz aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 110,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 september 2011.

(get.) R.M. van Male.

(get.) P.J.M. Crombach.

HD


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature