< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

De rechtbank veroordeelt verdachte wegens brandstichting met gevaar voor goederen. De rechtbank spreekt vrij voor ‘levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen’. Op grond van het strafdossier en het onderzoek ter terechtzitting heeft de rechtbank namelijk niet kunnen vaststellen dat het dit gevaar ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is geweest. Daarbij houdt de rechtbank er in het bijzonder rekening mee dat in het pand, waar brand is gesticht geen andere personen aanwezig waren ten tijde van de brand, en dat voorts niet blijkt dat er tijdens de brand bewoners aanwezig waren in de naastgelegen of de daaraan grenzende woningen. Verdachte wordt een gevangenisstraf van 14 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk opgelegd.

Uitspraak



RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 11/860252-11 [Promis]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 27 september 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [plaats en datum] in 1958,

wonende te [adres en woonplaats],

thans gedetineerd in de PI Overijssel, PIV Zwolle, te Zwolle,

hierna: verdachte.

Raadsvrouw mr. D. Greven, advocaat te Almelo.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 13 september 2011, waarbij de officier van justitie, de verdachte en haar raadsvrouw hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 2 april 2011 in Dordrecht opzettelijk brand heeft gesticht in een woning aan de [adres] door opzettelijk een brandende aansteker in aanraking te brengen met een doosje in een kast, een (hand)doek aan een wasrek en een voorwerp in een kledingkast, waardoor die voorwerpen zijn verbrand en waardoor gevaar voor de inboedel van die woning en naastgelegen woningen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor in die woningen aanwezige personen te vrezen was.

3 De voorvragen

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het feit wettig en overtuigend bewezen.

Zij heeft zich gebaseerd op het proces-verbaal van het brandonderzoek van de politie, de verklaringen van verdachte, afgelegd bij de politie en de rechter-commissaris, de verklaring van de dochter van verdachte, [naam dochter verdachte] en de aangifte van [aangever].

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw acht het onder het eerste en tweede gedachtestreepje tenlastegelegde en daarmee het 'gemeen gevaar voor goederen' wettig en overtuigend bewezen. Met betrekking tot het onder het derde gedachtestreepje tenlastegelegde (het aansteken van een voorwerp in een kledingkast in de slaapkamer) heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit, omdat verdachte dit heeft ontkend.

Het 'levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen' acht de raadsvrouw niet bewezen, omdat dit niet alleen mag worden geconcludeerd op basis van het enkele feit dat er hevige rookontwikkeling was, zoals genoemd in het proces-verbaal van het brandonderzoek, en omdat niet is komen vast te staan dat er bewoners aanwezig waren in de naastgelegen woningen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De rechtbank heeft geconstateerd dat verdachte het feit heeft bekend voor zover het betreft

- kort en zakelijk samengevat - het opzettelijk in brand steken van een doosje in een kast (eerste gedachtestreepje) en een (hand)doek aan een wasrek (tweede gedachtestreepje).

Op grond van deze bekennende verklaring doet zich de situatie als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, voor. De rechtbank kan derhalve voor wat betreft het vorenstaande volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.

De rechtbank acht bovengenoemde onderdelen wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- het proces-verbaal brandonderzoek van de politie ;

- de verklaring van verdachte .

4.3.2

Verdachte heeft ontkend - kort en zakelijk samengevat - dat zij '(een voorwerp in) een kledingkast in de slaapkamer' in brand heeft gestoken (derde gedachtestreepje).

De rechtbank acht dit onderdeel echter ook wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank heeft op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de navolgende feiten en omstandigheden vastgesteld.

Uit het proces-verbaal van brandonderzoek van de politie blijkt - voor zover hier van

belang - dat er forensisch onderzoek is verricht in de rijtjeswoning aan de [adres] in Dordrecht in verband met brandstichting op 2 april 2011. De politie heeft in de woning niet alleen de twee brandhaarden aangetroffen ten aanzien waarvan verdachte heeft bekend dat zij daar brand heeft gesticht, maar zij heeft ook een derde brandhaard aangetroffen. Deze brandhaard is geconstateerd in het binnenste gedeelte van een kledingkast op de slaapkamer op de eerste verdieping van de woning .

Ook verdachtes eigen verklaring draagt bij aan het bewijs. Verdachte heeft verklaard dat zij in de bewuste kledingkast heeft gekeken .

Uit het proces-verbaal brandonderzoek blijkt dat ook bij deze brandhaard - evenals bij de twee eerder besproken brandhaarden - een verklaarbare (technische) oorzaak ontbreekt. Op grond van het strafdossier en het onderzoek ter terechtzitting is evenmin aannemelijk geworden dat een andere persoon de derde brandhaard heeft veroorzaakt. De rechtbank is van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte ook deze derde brandhaard heeft veroorzaakt door opzettelijk een brandende aansteker in aanraking te brengen met (een voorwerp in) de kledingskast in de slaapkamer.

4.3.3

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat er sprake was 'levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen'. Op grond van het strafdossier en het onderzoek ter terechtzitting heeft de rechtbank namelijk niet kunnen vaststellen - in tegenstelling tot hetgeen door de jurisprudentie wordt vereist (Hoge Raad d.d. 17 februari 2009, LJN BG1653) - dat het dit gevaar ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is geweest. Daarbij houdt de rechtbank er in het bijzonder rekening mee dat in het pand, waar brand is gesticht geen andere personen aanwezig waren ten tijde van de brand, en dat voorts niet blijkt dat er tijdens de brand bewoners aanwezig waren in de naastgelegen of de daaraan grenzende woningen.

De rechtbank zal verdachte voor dit onderdeel vrijspreken.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 02 april 2011 te Dordrecht opzettelijk brand heeft gesticht

in een woning, gelegen aan de [adres], immers heeft verdachte toen

aldaar opzettelijk een brandende aansteker, in aanraking gebracht met:

- een doosje (op een plank) in een kast en

- een (hand)doek aan een wasrek en

- (een voorwerp in) een kledingkast in de slaapkamer,

ten gevolge waarvan brand is

ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor

- de inboedel van voormelde woning en de belendende woningen

, te duchten was.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

OPZETTELIJK BRAND STICHTEN TERWIJL DAARVAN GEMEEN GEVAAR VOOR GOEDEREN TE DUCHTEN IS.

6 De strafbaarheid van de verdachte

6.1 De rapporten van de deskundigen

Uit het door drs. P.C.A. van der Graaff, psychiater, over verdachte uitgebrachte rapport van 17 augustus 2011 komt onder meer het navolgende naar voren:

Bij betrokkene is er sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een borderline persoonlijkheidsstoornis. Ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde was er eveneens sprake van deze persoonlijkheidsstoornis.

De gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens beïnvloedde betrokkenes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde. Betrokkene ontstak in woede toen ze hoorde dat haar man inderdaad al lang een relatie had met haar beste vriendin. Bij de aanblik van de lege kledingkast in de echtelijke woning werd deze woede intens en wilde ze wraak nemen. Ze stichtte impulsief brand, zonder na te denken over de mogelijke gevolgen van haar daad.

Op grond hiervan moet betrokkene naar de mening van de rapporteur als verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd voor het delict, mits bewezen.

Uit het door drs. A.E. Haan, psycholoog, over verdachte uitgebrachte rapport van 22 augustus 2011 komt onder meer het navolgende naar voren:

Er is bij betrokkene sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, diagnostisch te omschrijven als een borderline persoonlijkheidsstoornis. Gezien de chronische aard van een borderline persoonlijkheidsstoornis kan worden aangenomen dat die ook aanwezig was ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde.

De gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens beïnvloedde betrokkenes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde mede zodanig dat deze in elk geval in enige mate daaruit verklaard kunnen worden. Passend bij haar borderline persoonlijkheidsstoornis heeft betrokkene in volstrekt onvoldoende mate adequaat kunnen reageren op de frustraties van beschadiging van haar vertrouwen door haar ex-man, de daarop volgende problemen rond echtscheiding en de confrontatie met de buitenechtelijke relatie van haar ex-man met haar beste vriendin. Bij confrontatie via haar dochter met het feit dat haar ex-man en haar vriendin samenwoonden heeft zij haar agressieve impulsen niet goed kunnen weerstaan en heeft haar dochter moeten ingrijpen om te verhoeden dat ze met een mes naar die vriendin zou gaan. Wel is ze naar haar eigen woning gereden, alwaar ze haar agressieve, destructieve impulsen niet heeft kunnen beheersen. Ze zegt op twee plekken in de woning brand te hebben gesticht, beginnend bij een apparaat van haar ex-man dat nog in een kast stond. Zowel het ontstaan van heftige negatieve gedachten en impulsen, als het onvoldoende kunnen beheersen van die gedachten en impulsen passen bij een borderline persoonlijkheidsstoornis. Op grond van die invloed van haar gebrekkige ontwikkeling op haar cognities en gedragingen ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde kan worden geadviseerd om betrokkene daarvoor als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

6.2 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank volgt de conclusies van voormelde rapporten op grond van de onderbouwing ervan en legt deze ten grondslag aan haar beslissing. Zij is van oordeel dat op grond van het strafdossier, het verhandelde ter terechtzitting en de rapporten van voornoemde deskundigen, voldoende vast is komen te staan dat het ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend.

Nu ook overigens uit het onderzoek ter terechtzitting geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten, is verdachte strafbaar voor het door haar gepleegde strafbare feit.

7 De strafoplegging

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht, gevorderd aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en met als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringscontact, ook als dat inhoudt het volgen van een ambulante behandeling bij GGZ Yulius.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gewezen op de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, het blanco strafblad, de bereidwillige houding van verdachte tijdens het opsporingsonderzoek, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de bereidheid van verdachte tot het volgen van een ambulante behandeling. Zij heeft gesteld dat die behandeling nu prioriteit heeft. Het opleggen van een lange, en naar het oordeel van de raadsvrouw disproportionele vrijheidsstraf, zoals door de officier van justitie geëist, zou dit doorkruisen. De raadsvrouw heeft dan ook verzocht - onder verwijzing naar een aantal in haar visie gelijke zaken - om oplegging van een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het voorarrest en een voorwaardelijk deel met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarde van verplicht reclasseringscontact en het volgen van een ambulante behandeling bij GGZ Yulius te Dordrecht.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit feit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft opzettelijk brand gesticht op een drietal plaatsen in een rijtjeswoning. Door deze branden is een gedeelte van de inboedel verbrand en is er gevaar ontstaan voor de naastgelegen woningen.

Verdachte heeft door haar handelen een zeer gevaarlijke situatie doen ontstaan, die relatief goed is afgelopen, doordat slechts materiële schade is veroorzaakt, hoewel de gevaarzetting

- gegeven de aaneengesloten bebouwing - groot was. Dat het uiteindelijk relatief goed is afgelopen, is slechts te danken aan het feit dat er op een bepaald moment onvoldoende zuurstof voor de brandhaarden aanwezig was en aan het optreden van de tijdig gewaarschuwde brandweer. Dit was zeker niet de verdienste van verdachte.

Een dergelijk feit geldt als één van de zwaarste misdrijven die de wet kent, omdat als gevolg van dit delict onbeheersbare, zeer gevaarzettende situaties kunnen ontstaan. Het veroorzaakt dan ook grote angst en onrust bij de direct betrokkenen en in de samenleving in het algemeen. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een vrijheidsbenemende straf.

Voor wat betreft de persoon van verdachte en haar persoonlijke omstandigheden heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het Uittreksel Justitiële Documentatie van 9 augustus 2011, de rapporten van Reclassering Nederland te Zwolle van 5 april 2011, 20 juni 2011 en 8 september 2011 en de rapporten van voornoemde psychiater en psycholoog. Uit voornoemd uittreksel blijkt dat verdachte nog niet eerder met de strafrechter in aanraking is gekomen. De rechtbank neemt tevens in aanmerking de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

Alles overziend en afwegend vindt de rechtbank het opleggen van een gevangenisstraf van veertien maanden in dit geval passend. De rechtbank heeft daarbij uitdrukkelijk rekening gehouden met het feit dat verdachte geen strafrechtelijk verleden heeft en dat het vooralsnog lijkt te gaan om een eenmalig incident dat louter het gevolg was van relationele problemen tussen verdachte en haar ex-partner.

Daarnaast acht de rechtbank het van belang dat verdachte in de toekomst zal worden begeleid en ondersteund door de reclassering en dat zij wordt behandeld voor de bij haar aanwezige problematiek, zoals geadviseerd door de psychiater en de psycholoog.

Om deze hulpverlening mogelijk te maken zal de rechtbank een gedeelte van zeven maanden van voornoemde vrijheidsstraf voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank zal daaraan de bijzondere voorwaarde verbinden dat verdachte zich gedurende de proeftijd moet gedragen naar de aanwijzingen haar te geven door of namens de reclassering, ook als dit inhoudt het deelnemen aan een ambulante behandeling bij Yulius GGZ of een soortgelijke instelling, zoals opgenomen in het plan van aanpak van de reclassering van 8 september 2011. Dit voorwaardelijk deel is tevens bedoeld om verdachte ervan te doordringen dat zij in de toekomst geen strafbare feiten meer moet plegen.

8 De wettelijke voorschriften

De opgelegde straf berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d en 157 van het Wetboek van Strafrecht , zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het ten laste gelegde bewezen op de wijze als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het onder 5 vermelde strafbare feit oplevert;

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 14 (veertien) maanden waarvan

7 (zeven) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak

in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht bij

de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de

rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of niet een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en

aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, regiokantoor Rotterdam-Dordrecht, Marconistraat 2 te 3029 AK Rotterdam, ook als dat inhoudt het volgen/deelnemen aan een ambulante behandeling bij GGZ Yulius te Dordrecht of een soortgelijke instelling;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de

naleving van deze voorwaarde;

- heft op de voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur

van deze hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde

gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.C. van Walree, voorzitter, mr. B.M.R.M. Edelhauser-van Vlijmen en mr. F. van Laanen, rechters, in tegenwoordigheid van A. Gaal, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 september 2011.

Mr. Van Laanen is wegens afwezigheid buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE: De tenlastelegging

zij op of omstreeks 02 april 2011 te Dordrecht opzettelijk brand heeft gesticht

in een woning, gelegen aan [adres], immers heeft verdachte toen

aldaar opzettelijk een brandende aansteker, althans een brandend voorwerp, in

elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met:

- een doosje (op een plank) in een kast en/of

- een (hand)doek aan een wasrek en/of

- (een voorwerp in) een kledingkast in de slaapkamer,

althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan voormeld(e)

goederen(en) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is

ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor

- de inboedel van voormelde woning en/of de belendende woning(en) en/of

- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (eventueel) in

die woning(en) aanwezige personen,

in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor

zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en), te duchten was.

Parketnummer: 11/860252-11

Vonnis d.d. 27 september 2011


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature