< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Aanmeldings-, Transactie- en Vervolgingsrichtlijnen voor fiscale delicten en douanedelicten. Welke zijn van toepassing; evenwichtige rechtshandhaving; gelijkheidsbeginsel. Hof vernietigt vonnis en wijst zaak terug naar rechtbank.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



Sector strafrecht

Parketnummer : 20-003435-10

Uitspraak : 27 september 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Roermond van 15 september 2010 in de strafzaak met parketnummer 04-993068-07 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1946],

wonende te [woonplaats], [adres].

waarbij de officier van justitie niet-ontvankelijk werd verklaard in de vervolging van verdachte.

Hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van het standpunt van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het hof het vonnis van de eerste rechter zal vernietigen.

De verdediging heeft bepleit:

- primair dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn strafvervolging;

- subsidiair dat wanneer het hof tot een andere conclusie komt, de zaak zal worden teruggewezen naar de rechtbank.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 3 april 2002 en/of op of omstreeks 19 maart 2003 en/of op of omstreeks 4 maart 2004 en/of op of omstreeks 28 maart 2005 en/of op of omstreeks 9 maart 2006 in de gemeente Eindhoven en/of in de gemeente Apeldoorn, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer andere rechtspersonen en/of een of meer natuurlijke personen, althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de inkomstenbelasting over het aangiftetijdvak(ken) 2001 (bijlage D-012a) en/of 2002 (bijlage D-013) en/of 2003 (bijlage D-013) en/of 2004 (bijlage D-015) ten name van [medeverdachte 1] (telkens) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, althans heeft doen of laten doen, immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader(s), (telkens) opzettelijk op die/dat bij de inspecteur der belastingen te Eindhoven en/of Apeldoorn ingeleverde aangifte(n) voor de inkomstenbelasting over de/het aangiftetijdvak(ken) 2001 (bijlage

D-012a) en/of 2002 (bijlage D-013) en/of 2003 (bijlage D-013) en/of 2004 (bijlage D-015) de (netto) rente-inkomsten die zijn genoten op obligaties en/of beleggingen en/of andere waardepapieren en/of het saldo/saldi van één of meer buitenlandse bankrekeningen, te weten ABN-AMRO rekeningnummer [rekeningnummer] en/of Jyske bank rekeningnummer [rekeningnummer] en/of [rekeningnummer] te Zürich, Zwitserland niet aangegeven en/of vermeld en/of een onjuist bedrag aan te betalen belasting opgegeven, althans heeft/hebben doen of laten opgeven en/of vermelden, terwijl dat feit er (telkens) toe heeft gestrekt, dat te weinig belasting werd geheven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Verzoek van de verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht [betrokkene 1] en [betrokkene 2] als getuige te horen. Het hof acht zich gelet op de inhoud van de op verzoek van het hof door de advocaat-generaal aan het dossier toegevoegde stukken en gelet op het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep van 13 september 2011 voldoende geïnformeerd, zodat het hof de noodzaak tot het horen van deze personen niet is gebleken. Het hof wijst bijgevolg het verzoek af.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

A.1

Van de zijde van verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn strafvervolging. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat:

- met betrekking tot verdachte geen vervolgingsbeslissing is genomen in het tripartiete overleg;

- de zaak tegen verdachte niet voldoet aan de selectiecriteria van de Aanmeldings-, Transactie- en Vervolgingsrichtlijnen voor fiscale delicten en douanedelicten (hierna: ATV-richtlijnen), omdat het aspect van evenwichtige rechtshandhaving geen opgang kan doen;

- vergelijkbare gevallen ongelijk zijn behandeld, aangezien in vergelijkbare gevallen is getransigeerd of in ieder geval een transactie is aangeboden, terwijl aan verdachte geen transactie is aangeboden.

A.2

De advocaat-generaal heeft – zakelijk weergegeven – betoogd dat de vervolging van verdachte heeft plaatsgevonden in overeenstemming met de ATV-richtlijnen en de vervolgingsdrempel, te weten: een belegd vermogen van € 225.000 of meer en een fiscaal nadeel van € 25.000 of meer, en dat er geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel, zodat geen reden bestaat om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de strafvervolging.

B.

De rechtbank heeft bij vonnis waarvan beroep de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de stafvervolging van de verdachte. Daartoe overwoog de rechtbank dat de zaak tegen verdachte niet was aangemeld op basis van de ATV-richtlijnen, zodat de vervolgingsbeslissing niet volgens de geldende ATV-richtlijnen had plaatsgevonden.

Ten overvloede overwoog de rechtbank nog het volgende. Door de officier van justitie was gesteld dat de beslissing tot strafvervolging, naast de omvang van het nadeel en de vervolgingsdrempel van € 225.000, was gebaseerd op het aspect van de evenwichtige rechtshandhaving. De rechtbank was van oordeel dat dit uitgangspunt niet strookte met het gegeven dat het openbaar ministerie met het merendeel van de hoofdverdachten in de onderhavige zaak na aanmelding en inplanning van deze zaken door de rechtbank alsnog in onderhandeling is getreden over buitengerechtelijke afdoening en deze mogelijkheid ten onrechte niet werd geboden aan degenen die door de officier van justitie werden aangeduid als “uitlopers”. De rechtbank achtte deze gang van zaken in strijd met de beginselen van de goede procesorde en was ook op grond daarvan van oordeel da het openbaar ministerie niet-ontvankelijk s in de verdere vervolging.

C.

De vervolgingsdrempel en de ATV-richtlijnen 2006

C.1

Blijkens het dossier bedroeg het belegd vermogen van verdachte en [medeverdachte 1] € 474.699. Voorts bedroeg het fiscaal nadeel in de zaak tegen verdachte blijkens het dossier € 27.439. Het hof trekt daaruit de conclusie dat de onderhavige zaak voldoet aan de vervolgingsdrempel.

C.2

Het tripartiete overleg heeft op 28 juni 2007 naar aanleiding van het projectplan met GEFIS nr. [nummer], welk projectplan is getiteld “[medeverdachte 1] [verdachte]”, besloten de zaak met het aspect evenwichtige handhaving te accepteren voor strafrechtelijk onderzoek. Het hof trekt daaruit de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat de zaak tegen verdachte vóór 28 juni 2007 ís aangemeld voor het selectieoverleg. Gelet daarop is het hof van oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de zaak tegen verdachte niet was aangemeld op basis van de ATV-richtlijnen.

Voorts leidt het hof daaruit af dat in het onderhavige geval de ATV-richtlijnen 2006 (Stcrt. 2005, 247) van toepassing zijn.

C.3

Het tripartiete overleg heeft op 28 juni 2007 naar aanleiding van voormeld projectplan besloten de zaak met het aspect evenwichtige handhaving te accepteren voor strafrechtelijk onderzoek. Het projectplan hield in dat het fiscaal strafrechtelijk nadeel € 20.920 bedroeg, zodat sprake was van een Categorie I-zaak.

C.4

Op 18 juni 2010 heeft de officier van justitie verdachte gedagvaard om te verschijnen voor de meervoudige strafkamer van de rechtbank. Blijkens het proces-verbaal met codenummer 1-PV-001 AWR bedroeg het belastingnadeel in de zaak tegen verdachte € 27.439, zodat sprake was van een Categorie II-zaak ten tijde van de vervolgingsbeslissing.

C.5

De ATV-richtlijnen 2006 houden – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:

“Vanwege de maatschappelijke wens de inzet van het strafrecht te concentreren op die zaken die een maatschappelijk effect hebben (bijvoorbeeld gevallen waarin de rechtsorde in ernstige mate is geschokt) zijn de ATV-richtlijnen aangepast. Deze richtlijnen zullen ertoe leiden dat het strafrecht meer ingezet zal worden bij fiscale fraudezaken waarbij van de inzet van het strafrecht redelijkerwijs een extra maatschappelijk effect verwacht mag worden ten opzichte van een bestuurlijke afdoening. (…) Het zal in het algemeen gaan om zaken met een sterk generaal preventief effect. Het kan (…) ook gaan om, gelet op het fiscale nadeel, ‘kleinere’ zaken.

(…)

Van de richtlijnen kan worden afgeweken in geval van bestuursondersteunende inzet van het strafrecht. Hierbij valt te denken aan bijzondere acties van de Belastingdienst, gericht op specifieke groepen belanghebbenden en specifieke acties met betrekking tot bepaalde delicten, bijvoorbeeld de omissiedelicten. (…)

Categorie I

Voor deze zaken is bestuursrechtelijke afdoening het uitgangspunt gelet op het relatief geringe gewicht van de zaak. Indien tenminste één van de aspecten genoemd in hoofdstuk 6 aan de orde is, kan het tripartiete overleg echter besluiten de zaak strafrechtelijk af te doen.

Categorie II

In deze zaken zal in beginsel strafrechtelijk worden opgetreden, indien ten minste één van de aspecten genoemd in hoofdstuk 6 van betekenis is.

(…)

6. Het fiscaal nadeel en overige aspecten

(…)

Aspecten

(…)

• Evenwichtige rechtshandhaving

(…)

Toelichting

(…)

Evenwichtige rechtshandhaving

Strafrechtelijk optreden kan wenselijk zijn om de gestelde norm te handhaven of om een norm te bevestigen. Met een evenwichtige rechtshandhaving wordt gedoeld op rechtshandhaving in het kader van normhandhaving of normbevestiging met het oog op grotere achterliggende te beschermen rechtsbelangen. (…)”

C.6

De advocaat-generaal heeft, evenals de officier van justitie, naar voren gebracht dat besloten is de onderhavige zaak aan de rechter voor te leggen gelet op het aspect van de evenwichtige rechtshandhaving. De evenwichtige rechtshandhaving bestond hieruit dat het vervolgen van verdachte diende ter generale preventie en ter speciale preventie: het moest zowel verdachte als anderen duidelijk worden gemaakt dat bij een dergelijke mate van fraude men in het strafrecht betrokken wordt.

C.7

Gelet op de invulling die het openbaar ministerie aan het aspect van de evenwichtige rechtshandhaving heeft gegeven, kan aan de hiervoor weergegeven passages uit de ATV-richtlijnen 2006 niet worden ontleend dat de beslissing om de zaak te accepteren voor strafrechtelijk onderzoek en de beslissing om verdachte te vervolgen in strijd waren met deze richtlijnen.

D.

Het gelijkheidsbeginsel

D.1

Naar het oordeel van het hof kunnen de hoofdverdachten, waaronder [medeverdachte 2], de rechtspersonen en hun medewerkers en de beleggers niet worden aangemerkt als vergelijkbare/gelijke gevallen. Daartoe overweegt het hof dat [bedrijf 1], [bedrijf 2], de directeuren van deze rechtspersonen, de medewerkers van deze rechtspersonen en de beleggers (waartoe verdachte en haar echtgenoot behoorden) geen gelijke rol vervulden binnen het totale feitencomplex en evenmin op gelijke wijze en gedurende een gelijke periode hebben gehandeld.

Gelet daarop is het hof van oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat in strijd is gehandeld met de beginselen van de goede procesorde door met het merendeel van de hoofdverdachten alsnog in onderhandeling te treden over buitengerechtelijke afdoening en deze mogelijkheid niet te bieden aan degenen die door de officier van justitie werden aangeduid als “uitlopers”. Immers, van vergelijkbare/gelijke gevallen was geen sprake, zodat zij ook niet gelijk hoefden te worden behandeld.

D.2

Namens de verdachte is nog aangevoerd dat het openbaar ministerie gelijke gevallen ongelijk heeft behandeld, aangezien in vergelijkbare gevallen is getransigeerd of in ieder geval een transactie is aangeboden, terwijl aan verdachte geen transactie is aangeboden.

D.3

Op grond van de toelichting van de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep en zijn schriftelijke onderbouwing, is (voldoende) aannemelijk geworden dat in de zaak tegen verdachte aan de ATV-richtlijnen en aan de extra drempels met betrekking tot het belegd vermogen en het fiscaal nadeel is voldaan en maatwerk werd toegepast bij de vervolgingsbeslissing. Daarbij werd enerzijds acht geslagen op de omstandigheden van het geval, zoals de duur van het feit, de houding van de verdachte en of gebruik werd gemaakt van coderekeningen. Anderzijds werd acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder diens gezondheidstoestand.

D.4

Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat ook binnen de groep beleggers met betrekking tot de verschillende beleggers evenmin gesproken kan worden van vergelijkbare/gelijke gevallen, zodat een ongelijke behandeling niet een schending van het gelijkheidsbeginsel met zich brengt.

D.5

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat door het vervolgen van verdachte het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden.

E.

Conclusie

E.1

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat niet is gebleken van schending van enig beginsel van behoorlijke procesorde dan wel van schending van de ATV-richtlijnen 2006. Bijgevolg heeft de rechtbank de officier van justitie ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van verdachte.

E.2

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de uitspraak van de rechtbank niet in stand kan blijven.

E.3

Voor het geval het hof het vonnis van de rechtbank zou vernietigen, is door de raadsman van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep terugwijzing van de zaak verlangd. Daarom zal het hof de zaak, ingevolge artikel 423, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, in de stand waarin zij zich thans bevindt, terugwijzen naar de rechtbank Roermond, teneinde met inachtneming van ’s hofs arrest recht te doen.

BESLISSING

Het hof:

Wijst af het verzoek van de verdediging om [betrokkene 1] en [betrokkene 2] als getuige te horen.

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep.

Wijst de zaak terug naar de rechtbank Roermond, teneinde met inachtneming van dit arrest recht te doen.

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. P.A.G.M. Cools en mr. F.P.E. Wiemans, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.F.S. ter Heide, griffier,

en op 27 september 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature