< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Ingangsdatum toekenning WW-uitkering. Door de ondertekening (...) van de vaststellingsovereenkomst op 24 september 2009 is de beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 20009 als juridisch gegeven vast komen te staan. De ontbindingsbeschikking - met dezelfde eindigingsdatum en dezelfde vergoeding als eerder afgesproken- roept ten opzichte van de eerdere overeenkomst geen nieuwe of andere rechtsgevolgen in het leven. Het Uwv is met recht voor het bepalen van de zogenoemde fictieve opzegtermijn uitgegaan van de op 24 september 2009 gesloten vaststellingsovereenkomst.

Uitspraak



10/5041 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 3 augustus 2010, 10/28 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 21 september 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.M.G. Nagelkerke, werkzaam bij De Unie, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2011. Appellante en haar gemachtigde waren, met voorafgaand bericht, niet aanwezig. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr L.H.J. Ambrosius.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante is op 15 januari 1996 in dienst getreden bij [naam werkgeefster] Arnhem BV, welk dienstverband per 1 januari 2008 is voortgezet bij [naam werkgeefster] BV (werkgeefster), waarbij is afgesproken dat de primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden van kracht blijven. Op 24 september 2009 hebben werkgeefster en appellante een vaststellingsovereenkomst getekend, onder meer inhoudend dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden zal eindigen per 1 oktober 2009, waarbij aan appellante een beëindigingsvergoeding zal worden toegekend van € 5448,38. Op 24 september 2009 heeft werkgeefster de rechtbank Arnhem, sector kanton, verzocht de arbeidsovereenkomst met appellante te ontbinden per 1 oktober 2009 op grond van gewichtige redenen in de zin van verandering in de omstandigheden als bedoeld in artikel 7:685 van het Burgerlijk Wetboek (BW); daarbij is aangegeven dat werkgeefster bij ontbinding per 1 oktober 2009 bereid is appellante een bruto uitkering ineens te betalen van € 5448,38. Bij beschikking van 30 september 2009 heeft de kantonrechter als verzocht de arbeidsovereenkomst van appellante ontbonden per 1 oktober 2009 onder toekenning van een vergoeding ten laste van werkgeefster van € 5448,38.

2. Naar aanleiding van de aanvraag van appellante om een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) heeft het Uwv haar bij besluit van 26 oktober 2009 onder meer medegedeeld dat zij tot en met 31 december 2009 geen WW-uitkering kan ontvangen omdat, indien de werkgever (op reguliere wijze) had opgezegd, tot en met die datum een opzegtermijn zou hebben gegolden en de toegekende vergoeding (deels) moet worden aangemerkt als loon over de opzegtermijn. Het namens appellante gemaakte bezwaar is bij besluit van 1 december 2009 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen, dat de aftrek van een maand als bedoeld in artikel 16, derde lid, laatste volzin van de WW alleen van toepassing is indien de arbeidsovereenkomst (onder andere) door ontbinding door de rechter op grond van artikel 7:685 van het BW (op verzoek van de werkgever ) is beëindigd.

De arbeidsovereenkomst van appellante is echter al eerder geëindigd door de vaststellingsovereenkomst van 24 september 2009.

3. Het namens appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep is door de rechtbank ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen, dat uit de vaststellingsovereenkomst niet blijkt dat het de bedoeling van partijen was om de arbeidsovereenkomst via ontbinding door de rechter te doen eindigen, terwijl het gegeven dat alsnog ontbinding heeft plaatsgevonden de inhoud van bedoelde vaststellingsovereenkomst niet verandert. Het beroep van appellante op een besluit van het Uwv in een andere zaak waarin het Uwv de aftrek van één maand in een soortgelijke situatie wel had toegepast heeft de rechtbank verworpen, omdat in die situatie wel expliciet in de desbetreffende beëindigingsovereenkomst was opgenomen dat ook een (pro forma) ontbindingsprocedure zou worden gevolgd.

4. In hoger beroep heeft appellante er, evenals in bezwaar en beroep, op gewezen dat in artikel 16, derde lid van de WW geen voorrangsregeling is te vinden in die zin dat een vaststellingsovereenkomst voorgaat boven een ontbindingsbeschikking. Nu de arbeidsovereenkomst van appellante zowel via het wederzijds goedvinden als via de desbetreffende beschikking van de kantonrechter is geëindigd, is er geen grond om de bedoelde aftrek van één maand niet toe te passen.

5.1. De Raad oordeelt als volgt.

5.2. De Raad stelt vast dat in de vaststellingsovereenkomst tussen partijen niet over een verzoek tot ontbinding via de rechter wordt gerept. Ook het verzoek van werkgeefster tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst en het verweerschrift van appellante vermelden (het bestaan van) de hier bedoelde overeenkomst niet.

5.3. De Raad constateert vervolgens dat in dit geval door de ondertekening door beide partijen van de vaststellingsovereenkomst op 24 september 2009 de beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 20009 als juridisch gegeven vast is komen te staan. De ontbindingsbeschikking - met dezelfde eindigingsdatum en dezelfde vergoeding als eerder afgesproken- roept ten opzichte van de eerdere overeenkomst geen nieuwe of andere rechtsgevolgen in het leven. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, zie de uitspraak van de Raad van 10 augustus 2011, LJN BR4688, bestaat er geen regel dat een door de kantonrechter uitgesproken ontbinding van een arbeidsovereenkomst een eerder door partijen overeengekomen beëindiging met ingang van dezelfde datum terzijde stelt. Een dergelijke ontbinding ontneemt niet de kracht aan een eerdere eindigingsovereenkomst.

5.4. Het voorgaande betekent dat het Uwv met recht voor het bepalen van de zogenoemde fictieve opzegtermijn is uitgegaan van de op 24 september 2009 gesloten vaststellingsovereenkomst.

5.5. Hetgeen onder 5.2 tot en met 5.4 is overwogen leidt ertoe dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en J. Riphagen en B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 september 2011.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) M.A. van Amerongen.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature