< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 27 oktober 2009 heeft het dagelijks bestuur [appellante] een last onder dwangsom opgelegd, inhoudende dat zij vier van haar voertuigen op zodanige wijze dient te parkeren dat deze niet meer het kennelijke doel hebben om handelsreclame te maken. Indien [appellante] na drie dagen geen gehoor heeft gegeven aan deze last, verbeurt zij een dwangsom van € 100,00 per dag tot een maximum van € 3.000,00.

Uitspraak



201101724/1/H3.

Datum uitspraak: 21 september 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Rotterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 december 2010 in zaak nr. 10/576 in het geding tussen:

[appellante]

en

het dagelijks bestuur van de deelgemeente Prins Alexander.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 oktober 2009 heeft het dagelijks bestuur [appellante] een last onder dwangsom opgelegd, inhoudende dat zij vier van haar voertuigen op zodanige wijze dient te parkeren dat deze niet meer het kennelijke doel hebben om handelsreclame te maken. Indien [appellante] na drie dagen geen gehoor heeft gegeven aan deze last, verbeurt zij een dwangsom van € 100,00 per dag tot een maximum van € 3.000,00.

Bij besluit van 5 januari 2010 heeft het dagelijks bestuur, voor zover thans van belang, het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 december 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 februari 2011, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het dagelijks bestuur heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 september 2011, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. R. Haze, advocaat te Rotterdam, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. A. Rijsdijk, bijgestaan door H. de Wit en mr. N. El Oualid, allen werkzaam bij de gemeente Rotterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang.

Ingevolge het vierde lid, voor zover thans van belang, bezit het dagelijks bestuur van een deelgemeente waaraan de bevoegdheden van het college zijn overgedragen, de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang slechts indien ook die bevoegdheid uitdrukkelijk is overgedragen.

Ingevolge artikel 44 van de Deelgemeenteverordening 2002, gelezen in verbinding met bijlage I bij die verordening, voor zover thans van belang, draagt het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam de bevoegdheid genoemd in artikel 125 van de Gemeentewet over aan het dagelijks bestuur van een deelgemeente.

Ingevolge artikel 5.1.7, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2008 (hierna: de APV) is het verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame op de weg te parkeren met het kennelijke doel om daarmee handelsreclame te maken.

Ingevolge het tweede lid kan het college ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

2.2. Het dagelijks bestuur heeft [appellante] een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 5.1.7, eerste lid, van de APV. Volgens het dagelijks bestuur blijkt uit een proces-verbaal van bevindingen van 10 oktober 2009 dat [appellante] op verschillende strategische locaties in de deelgemeente vier voertuigen heeft geplaatst, die, gezien hun aard en uiterlijk en het feit dat ze, gelet op vier processen-verbaal van 6 augustus 2009, niet of nauwelijks worden verplaatst, het kennelijke doel hebben om handelsreclame te maken.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van de juistheid van de bevindingen zoals neergelegd in de processen-verbaal van 6 augustus 2009 en 10 oktober 2009. Zij betwist dat de voertuigen voor langere tijd op de betrokken locaties werden geparkeerd met het doel handelsreclame te maken. Volgens [appellante] is het gebruikelijk dat bedrijfsauto’s zijn voorzien van de naam en het adres van het bedrijf. De betrokken voertuigen worden gebruikt voor het vervoeren van grote partijen tegels en zijn aangeschaft, omdat het gebied waarin het bedrijf is gevestigd niet goed bereikbaar is voor grote voertuigen van leveranciers. Zij parkeert deze voertuigen langs grotere wegen, omdat bij haar eigen bedrijf geen parkeerruimte beschikbaar is en het haar op grond van artikel 5.1.8 van de APV niet is toegestaan deze grote voertuigen te parkeren op zodanige wijze dat bewoners of gebruikers van gebouwen hinderlijk in hun uitzicht worden belemmerd, aldus [appellante].

2.3.1. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen blijkt uit de processen-verbaal van 6 augustus 2009 en 10 oktober 2009 en de daarbij behorende foto’s dat vier voertuigen van [appellante], waaronder een oude brandweerwagen, duidelijk zichtbaar langs de weg waren geplaatst met daarop de naam en het adres van het bedrijf en in het groot de tekst "WWW.[appellante].NL". Volgens de processen-verbaal van 6 augustus 2009 stonden de voertuigen daar reeds enkele maanden en werden deze niet verplaatst. Volgens het proces-verbaal van 10 oktober 2009 zijn deze voertuigen ook na 6 augustus 2009 niet verplaatst, afgezien van de brandweerwagen, waarvan de plaats is ingenomen door een ander voertuig van [appellante]. Twee voertuigen waren zodanig gepositioneerd dat deze duidelijk zichtbaar waren vanaf de Hoofdweg, een voertuig was in het zicht van een Gamma vestiging geparkeerd, en een langs een weg die bekend staat als een hoofdverkeersader binnen de wijk Nesselande. Ter zitting heeft De Wit, een van de verbalisanten, verklaard dat vrijwel dagelijks werd gesurveilleerd en daarbij geen verandering in de positionering van de voertuigen werd waargenomen.

Evenals de rechtbank ziet de Afdeling in hetgeen [appellante] heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen, zoals neergelegd in de op ambtseed en ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de voertuigen, anders dan wordt vermeld in de processen-verbaal, niet gedurende langere periode stil hebben gestaan. Evenmin heeft zij aannemelijk gemaakt dat zij haar voertuigen alleen op die locaties parkeerde, omdat zij ze niet elders kon parkeren. Het dagelijks bestuur heeft gesteld dat de gemeente op 3,2 km afstand van het bedrijf van [appellante] een speciaal parkeerterrein beschikbaar heeft gesteld voor het parkeren van grote voertuigen. Ter zitting heeft [appellante] erkend dat zij op de hoogte was van het bestaan van deze parkeerplaats, maar dat zij daar geen gebruik van heeft gemaakt, omdat deze ongunstig is gelegen aan de overzijde van een snelweg. Daarnaast heeft het dagelijks bestuur [appellante] in de loop van de procedure medegedeeld dat artikel 5.1.7, eerste lid, van de APV niet zou worden overtreden, indien zij de naam van het bedrijf zou afdekken. Ook van die mogelijkheid heeft [appellante] om haar moverende redenen geen gebruik gemaakt.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat het dagelijks bestuur zich op het standpunt heeft mogen stellen dat [appellante] de voertuigen op voormelde locaties heeft geparkeerd met het kennelijke doel om handelsreclame te maken. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellante], nu zij geen ontheffing heeft als bedoeld in artikel 5.1.7, tweede lid, van de APV, in strijd heeft gehandeld met het eerste lid, zodat het dagelijks bestuur bevoegd was handhavend op te treden. De rechtbank heeft voorts in hetgeen [appellante] heeft aangevoerd terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het dagelijks bestuur in redelijkheid van handhavend optreden had moeten afzien.

Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.G. Biharie, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Biharie

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 september 2011

611.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature