< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Herziening AOW-uitkering van appellant naar de norm voor iemand die een gezamenlijke huishouding voert met een andere persoon. Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering van appellante. Gezamenlijke huishouding. Hoofdverblijf in dezelfde woning. Geen sprake van een zuiver zakelijke verhuurder/huurderrelatie. De feiten en omstandigheden duiden op een in een zakelijke relatie ongebruikelijke verbondenheid en op een mate van verantwoordelijkheid voor elkaar die de grenzen van een zakelijke relatie overschrijden. Appellant gebruikte ook een groter deel van de woning dan was afgesproken in het tussen appellanten gesloten kamerhuurcontract. Toereikende grondslag voor het standpunt dat sprake is van wederzijdse zorg en daarmee van een gezamenlijke huishouding in de zin van de WWB en de AOW.

Uitspraak



10/5805 WWB

10/1289 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 september 2010, 10/1795 (hierna: aangevallen uitspraak I),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Bussum (hierna: College)

en

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 januari 2010, 09/933 (hierna: aangevallen uitspraak II),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 6 september 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. S.E.W.C.M. Kneepkens, advocaat te Bussum, hoger beroepen ingesteld.

De Svb heeft op 3 mei 2010 een verweerschrift ingediend.

Op 7 januari 2011 heeft het College een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juli 2011. Daarbij zijn de zaken gevoegd behandeld. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Kneepkens. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door R.G. Waldrom en F. Akchich, beiden werkzaam bij de gemeente Bussum. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. G.J. Oudenes, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Naar aanleiding van een telefonisch verzoek van appellant om toekenning van een toeslag op zijn uitkering ingevolge de Algemene ouderdomswet (AOW) heeft de Svb een onderzoek ingesteld. De Svb heeft daarbij de bevindingen van het College met betrekking tot de periode van juni 2007 tot en met januari 2008 betrokken. Het College heeft bij besluit van 3 maart 2008 de bijstandsuitkering van appellante met ingang van 1 januari 2008 beëindigd en de bijstand over de periode 1 juni 2007 tot en met 31 december 2007 ingetrokken. Na gemaakt bezwaar hiertegen heeft het College dit bezwaar bij besluit van 28 mei 2008 gegrond verklaard en het besluit van 3 maart 2008 ingetrokken. Hiertoe is overwogen dat niet voldoende was komen vast te staan dat appellant zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante. Tevens was het onderzoek naar financiële verstrengeling en wederzijdse zorg onvolledig en daarmee onzorgvuldig.

1.2. Op 16 oktober 2008 hebben medewerkers van de Svb een huisbezoek afgelegd bij appellant. Uit dit huisbezoek is naar voren gekomen dat appellant sinds januari/februari 2008 op het adres van appellante woont. Vanaf 2 juli 2008 staat appellant ook ingeschreven op dat adres. De resultaten van het onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapportage van 22 oktober 2008, zijn voor de Svb aanleiding geweest om bij besluit van 28 november 2008 het AOW-pensioen met ingang van juli 2008 te herzien naar de norm voor iemand die een gezamenlijke huishouding voert met een andere persoon. Tevens is aan appellant een toeslag toegekend.

1.3. Bij besluit van 18 februari 2009 heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 november 2008 ongegrond verklaard.

1.4. Op 10 juni 2009 heeft een medewerker van het College een gesprek gevoerd met appellante. Daarbij heeft appellante een verklaring ingevuld en ondertekend. Bij besluit van 25 augustus 2009 heeft het College de bijstand van appellante met ingang van 1 december 2008 beëindigd (lees: ingetrokken), de bijstand over de periode 1 juli 2008 tot 1 december 2008 ingetrokken en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 4.658,35 bruto van appellante teruggevorderd. Daaraan heeft het College ten grondslag gelegd dat appellante een gezamenlijke huishouding voert met appellant en dat aan appellant een toeslag is verstrekt waardoor het gezamenlijk inkomen van appellanten hoger is dan de voor appellante geldende bijstandsnorm.

1.5. Bij besluit van 4 maart 2010, voor zover hier van belang, heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 25 augustus 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak I heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 18 februari 2009 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak II heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 4 maart 2010 ongegrond verklaard.

3.1. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen aangevallen uitspraak I gekeerd. Deze zaak is geregistreerd onder nr. 10/5805 WWB.

3.2. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen aangevallen uitspraak II gekeerd. Deze zaak is geregistreerd onder nr. 10/1289 AOW.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Gelet op hetgeen appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd, zijn de hoger beroepen beperkt tot de vraag of appellanten ten tijde in geding een gezamenlijke huishouding met elkaar voerden.

4.2. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB en artikel 1, vierde lid, van de AOW is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

4.3. Niet in geschil is en ook de Raad gaat ervan uit dat appellanten gedurende de hier te beoordelen periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, zodat aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding is voldaan.

4.4. Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

4.5. Appellant heeft tijdens het onder 1.2 genoemde huisbezoek verklaard dat hij en appellante boodschappen doen, samen eten, koken en samen bezoek ontvangen. Op 6 februari 2009 heeft appellant tijdens de hoorzitting nogmaals meegedeeld dat hij boodschappen doet voor appellante, dat er geen afspraken zijn gemaakt over koken maar dat de ene keer appellant kookt en de andere keer appellante. Appellant heeft ook meegedeeld dat de was gezamenlijk wordt gedaan. Appellant ontvangt zijn visite in de woonkamer en als er visite komt voor appellante blijft hij er vaak bij. Tijdens de zitting bij de Raad heeft appellant verklaard dat hij appellante in huis helpt. Appellante heeft op 10 juni 2009 in het onder 1.4 genoemde gesprek verklaard dat zij en appellant boodschappen voor elkaar doen en dat appellant in het huis van appellante gebruik mag maken van de woonkamer, slaapkamer en keuken.

4.6. Appellant heeft aangevoerd dat hij is uitgegaan van hetgeen de sociale recherche van het College tijdens een huisbezoek in het kader van vermeende gezamenlijke huishouding heeft gezegd. Afgaande op deze foutieve informatie heeft hij de Svb om een toeslag gevraagd waarbij het formulier van 22 mei 2008 en de checklist van 16 oktober 2008 met het oog op het verkrijgen van die toeslag zo zijn ingevuld dat het lijkt dat sprake is van gezamenlijke huishouding. De Raad merkt hierover op dat de checklist van 16 oktober 2008 is ingevuld nadat het bezwaar van appellante tegen de beëindiging/intrekking van de bijstand was gehonoreerd en appellant was teruggekomen op zijn aanvraag om een toeslag. De Raad overweegt voorts dat appellant de checklist heeft ondertekend en dat deze ondertekening gelet op de vermelding “Ik heb dit formulier naar waarheid ingevuld” betrekking heeft op de gehele checklist. De checklist is ingevuld door medewerkers van de Svb op basis van de beantwoording van de vragen die de medewerkers hebben gesteld aan appellant. Het College en de Svb mochten dan ook uitgaan van de juistheid van hetgeen op de checklist is vermeld. Hetgeen appellant heeft verklaard tijdens de hoorzitting sluit bovendien aan bij de inhoud van de checklist.

4.7. De Raad is van oordeel dat uit de voormelde feiten en omstandigheden blijkt dat ten tijde hier in geding van een zuiver zakelijke verhuurder/huurderrelatie geen sprake was. Die feiten en omstandigheden duiden op een in een zakelijke relatie ongebruikelijke verbondenheid en op een mate van verantwoordelijkheid voor elkaar die de grenzen van een zakelijke relatie overschrijden. De Raad neemt daarbij mede in aanmerking dat appellant een groter deel van de woning gebruikte dan was afgesproken in het tussen appellanten gesloten kamerhuurcontract.

4.8. Het voorgaande brengt de Raad tot de conclusie dat de verklaringen van appellant in samenhang bezien met de verklaring van appellante een toereikende grondslag bieden voor het standpunt dat sprake is van wederzijdse zorg en daarmee van een gezamenlijke huishouding in de zin van de WWB en de AOW.

4.9. Hetgeen onder 4.3 tot en met 4.8 is overwogen brengt mee dat de hoger beroepen niet slagen. De aangevallen uitspraken moeten dan ook worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 september 2011.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) R.L.G. Boot.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending

beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature