< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Het Uwv heeft bij besluit van 1 april 2008 aan betrokkene over de periode van 24 maart 2008 tot en met 23 juni 2008 een WW-uitkering toegekend en aan betrokkene uitbetaald. Vaststaat dat het besluit van 1 april 2008 in rechte onaantastbaar is geworden. De Raad is derhalve van oordeel dat betrokkene door de toekenning en de ontvangst van de WW-uitkering, welke toekenning en uitbetaling niet ongedaan is gemaakt, op grond van artikel 7, aanhef en onder a, van de ZW verzekerd is gebleven krachtens de ZW en dat zij mitsdien aanspraak heeft op ziekengeld. Geen uitzondering.

Uitspraak



10/1910 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 22 februari 2010, 08/1920 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 14 september 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. W.J.Th.B. Gerlag, advocaat te Kerkrade, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 augustus 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.A.M. Anedda. Namens betrokkene is mr. Gerlag verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene ontving vanaf 2002 een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Op 1 oktober 2006 is betrokkene een arbeidsovereenkomst aangegaan met [B.V.] voor de duur van 12 maanden. [B.V.] voert het werkgeverschap betreffende arbeidsovereenkomsten uit in opdracht van de gemeente Kerkrade in het kader van een re-integratietraject. Betrokkene is gedurende dit dienstverband niet te werk gesteld, maar heeft enkel cursus en training gevolgd. Na een periode van ziekte en zwangerschapsverlof heeft appellant aan betrokkene bij besluit van 1 april 2008 over de periode van 24 maart 2008 tot en met 23 juni 2008 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Betrokkene heeft zich per 16 april 2008 ziek gemeld, waarna appellant haar bij besluit van 3 juni 2008 aansluitend aan haar

WW-uitkering vanaf 24 juni 2008 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) heeft toegekend.

1.2. Bij besluit van 26 juni 2008 heeft appellant aan betrokkene alsnog met ingang van 24 juni 2008 de ZW-uitkering geweigerd op de grond dat zij niet verzekerd is voor de ZW, omdat geen sprake was van een dienstbetrekking. Betrokkene heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 20 oktober 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft appellant dit bezwaar ongegrond verklaard. Appellant heeft daaraan ten grondslag gelegd dat betrokkene gedurende het dienstverband bij [B.V.] nimmer productieve arbeid heeft verricht bij enige inlener en dat derhalve geen sprake was van een dienstbetrekking op grond waarvan het recht op ziekengeld kan ontstaan.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het primaire besluit van 26 juni 2008 herroepen. Daartoe heeft de rechtbank, onder verwijzing naar rechtspraak van de Raad, overwogen dat betrokkene feitelijk een WW-uitkering heeft ontvangen, waarbij geen gewicht wordt gehecht aan onderliggende vragen betreffende (het voortbestaan van) de rechtsgrond voor het doen ontvangen van die uitkering. Gelet hierop was de rechtbank van oordeel dat appellant ten onrechte heeft aangenomen dat betrokkene op 16 april 2008 voor de toepassing van de ZW niet meer verzekerd was.

3.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat in dit geval sprake is van een uitzondering op de regel dat het feitelijk genot van een WW-uitkering bepalend is voor het aannemen van een verzekeringsplicht op grond van de ZW. Volgens appellant is de rechtbank ten onrechte niet toegekomen aan de vraag of betrokkene per 1 oktober 2006 in een privaatrechtelijke dienstbetrekking stond. Gelet op de omstandigheid dat [B.V.] de arbeidsovereenkomst met betrokkene gesloten heeft in opdracht van de gemeente Kerkrade, alsmede de omstandigheid dat de looptijd van deze overeenkomst volgde op de periode waarin betrokkene een WWB-uitkering ontving, stelt appellant zich op het standpunt dat deze overeenkomst onderdeel uitmaakte van een constructie die door de gemeente Kerkrade werd aangewend als instrument om haar re-integratietaak op grond van de WWB te vervullen en dat mitsdien geen sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.

3.2. Betrokkene stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat de rechtbank het bestreden besluit terecht heeft vernietigd en dat zij, gelet op het bepaalde in artikel 7, aanhef en onder a, van de ZW , recht heeft op ziekengeld omdat zij een WW-uitkering heeft ontvangen. Deze uitkering is ook nimmer ingetrokken of teruggevorderd.

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.1. Het geschil spitst zich toe op de vraag of betrokkene gelet op het bepaalde in artikel 7, aanhef en onder a, van de ZW aanspraak heeft op ziekengeld. In genoemd artikelonderdeel wordt bepaald dat voor de toepassing van de ZW als werknemer wordt beschouwd degene, die krachtens de verplichte verzekering op grond van de

WW-uitkering ontvangt.

4.2. De Raad stelt vast dat appellant bij besluit van 1 april 2008 aan betrokkene over de periode van 24 maart 2008 tot en met 23 juni 2008 een WW-uitkering heeft toegekend en dat deze uitkering aan betrokkene is uitbetaald. Vaststaat dat het besluit van 1 april 2008 in rechte onaantastbaar is geworden. De Raad is derhalve van oordeel dat betrokkene door de toekenning en de ontvangst van de WW-uitkering, welke toekenning en uitbetaling niet ongedaan is gemaakt, op grond van artikel 7, aanhef en onder a, van de ZW verzekerd is gebleven krachtens de ZW en dat zij mitsdien aanspraak heeft op ziekengeld. Het standpunt van appellant dat hierop, gelet op de uitspraken van de Raad van 16 augustus 1989, LJN AN1544 en LJN ZB2225, een uitzondering dient te worden gemaakt, deelt de Raad niet nu in het onderhavige geval - anders dan in de genoemde uitspraken - geen intrekking of terugvordering van de WW-uitkering heeft plaatsgevonden, zodat de rechtsgrond voor het ontvangen van de WW-uitkering is blijven bestaan.

4.3. Uit hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen, volgt dat de Raad van oordeel is dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak mitsdien dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Deze kosten worden begroot op € 874,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Bepaalt dat van het Uwv een griffierrecht wordt geheven van € 448,--;

Veroordeelt het Uwv tot betaling van de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 874,--, te betalen aan de griffier van de Raad.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en F.A.M. Stroink als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 september 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) T.J. van der Torn.

IvR


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature