Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Weigering loonbetalingsverplichtingen over te nemen. Geen sprake van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.

Uitspraak



10/5397 WW + 10/5399 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant), en

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante), tezamen ook te noemen: appellanten,

tegen de uitspraken van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 16 september 2010, 10/909 en 10/911 (hierna: aangevallen uitspraken),

in de gedingen tussen:

appellanten

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 september 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. E.J.C. Asselbergs, gevestigd te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2011. Appellanten zijn verschenen bijgestaan door mr. Asselbergs. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.G.M. Huijs.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is tezamen met enige broers werkzaam geweest als vennoot in de vennootschap onder firma [naam bedrijf A], die een brood- en banketbakkersbedrijf exploiteerde in [woonplaats]. Appellante is gehuwd geweest met één van de broers van appellant en zij is ook werkzaam geweest op de administratie van de vennootschap. In oktober 2005 is deze vennootschap in staat van faillissement verklaard. Appellanten waren op dat moment beiden nog werkzaam in het bedrijf.

1.2. In november 2005 is de zoon van appellante, [naam zoon], geboren [in] 1983, op hetzelfde adres als waar het kort daarvoor failliet verklaarde brood- en banketbakkersbedrijf was gevestigd, gestart met bakkerij [naam Bedrijf B]. Appellante is met ingang van 1 november 2005 op de administratie van deze bakkerij gaan werken. Appellant is met ingang van 1 maart 2006 gaan werken als bakker bij bakkerij [naam Bedrijf B]. Beiden waren ongeveer 20 uur per week werkzaam in de bakkerij.

1.3. Appellant is begin 2008 met appellante gaan samenwonen in de woning van appellante, waar toen ook de zoon van appellante, [naam zoon], woonde. In 2008 en 2009 heeft bakkerij [naam Bedrijf B] geen loon betaald aan appellanten, in verband met financiële problemen van de bakkerij. Op 15 september 2009 is [naam zoon] in staat van faillissement verklaard.

1.4. Bij besluiten van 3 maart 2010 (bestreden besluiten) heeft het Uwv zijn besluiten van 26 oktober 2009 gehandhaafd, waarbij is geweigerd onder toepassing van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW) de loonbetalingsverplichtingen van [naam zoon] over te nemen, omdat appellanten geen werknemer zijn geweest in de zin van artikel 3 van de WW . Daarbij is overwogen dat op grond van een aantal omstandigheden aangenomen moet worden dat geen sprake is geweest van een gezagsverhouding tussen [naam zoon] en appellanten. De door appellanten verrichte arbeid is volgens het Uwv verricht in een arbeidsverhouding die in overwegende mate door een familierelatie wordt beheerst. 2. De rechtbank heeft de beroepen van appellanten ongegrond verklaard.

3. Namens appellanten is in hoger beroep aangevoerd dat ondanks de familieverhouding tussen appellanten en [naam zoon] wel een gezagsrelatie heeft bestaan, zodat wel sprake is van werknemerschap. Voorts is aangevoerd dat het Uwv wel premiebetalingen voor appellanten heeft ontvangen van [naam zoon] en dat zij wel geprobeerd hebben hun achterstallig loon te ontvangen.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellanten kunnen worden aangemerkt als werknemers in de zin van de WW, die in geval van faillissement van de werkgever recht hebben op een uitkering in verband met nog te vorderen loon, vakantiegeld etc. Gelet op de artikelen 3 en 61 van de WW is daarvoor vereist dat zij tot [naam zoon] in een privaatrechtelijke dienstbetrekking hebben gestaan. Gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad der Nederlanden (zie de arresten van 13 juli 2007, LJN BA6231 en van 25 maart 2011, LJN BP3887) en van de Raad (zie de uitspraken van 1 april 2011, LJN BQ0098 en van 15 april 2011, LJN BQ1775) is voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking maatgevend of tussen appellanten en [naam zoon] sprake was van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek (BW), waarbij als criteria gelden een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon. Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien, en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stonden, maar dient ook acht te worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun overeenkomst en aldus daaraan inhoud hebben gegeven.

4.2. De Raad stelt vast dat bakkerij [naam Bedrijf B] feitelijk, zij het met een korte tussenpoos, de voorzetting is - op hetzelfde adres - van het brood- en banketbakkersbedrijf waarvan appellant tot in oktober 2005 vennoot is geweest en waarin appellante werkzaam was als administratrice. Voorts is de echtgenoot van appellante - voor zijn overlijden - ook als vennoot in dit bedrijf werkzaam geweest en is haar zoon [naam zoon] voor het faillissement van het bedrijf, naast zijn studie, daarin ook regelmatig actief geweest. Na de start van bakkerij [naam Bedrijf B] in november 2005 hebben appellante - vanaf november 2005 - en appellant - vanaf maart 2006 - in dat bedrijf feitelijk in belangrijke mate de voordien door hen verrichte werkzaamheden voortgezet, zij het dat [naam zoon] toen de eigenaar van het bedrijf was.

4.3. Gelet op deze voorgeschiedenis en op de verder nog door de rechtbank en het Uwv vastgestelde feitelijke situatie, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat, in ieder geval ten tijde in dit geding van belang, geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van artikel 3 van de WW tussen appellanten en [naam zoon]. De Raad is van oordeel dat gelet op de feitelijke situatie zoals die met name in de jaren 2008 en 2009 heeft bestaan tussen appellanten en [naam zoon] niet gezegd kan worden dat sprake was van een gezagsrelatie. Hierbij hecht de Raad vooral belang aan het volgende. De eigenaar van bakkerij [naam Bedrijf B], [naam zoon], is de zoon van appellante en een neef van appellant. Nu zijn bedrijf feitelijk een voortzetting vormt van het in 2005 gefailleerde familiebedrijf, waarin appellanten als respectievelijk vennoot en administratrice cruciale functies vervulden, is een gezagsverhouding van [naam zoon] jegens hen niet direct aannemelijk. In dit verband acht de Raad mede van belang dat appellanten begin 2008 zijn gaan samenwonen op het adres van appellante en zij vanaf dat moment één huishouden vormden samen met de bij appellante wonende zoon [naam zoon]. Ten slotte heeft de Raad belangrijke betekenis toegekend aan het feit dat appellanten in 2008 en 2009 ermee hebben ingestemd dat voorlopig geen loon aan hen werd betaald, terwijl aan de andere werknemers van bakkerij [naam Bedrijf B], waaronder ook enige familieleden, tot medio 2009 wel het verschuldigde loon is betaald.

4.4. De stelling van appellanten dat het Uwv wel premiebetalingen voor hen heeft ontvangen vermag de Raad niet tot een ander oordeel te brengen. Het feit of al dan niet premies werknemersverzekeringen zijn betaald voor een werknemer is immers ingevolge vaste rechtspraak niet bepalend voor de vraag of al dan niet sprake is van werknemerschap in de zin werknemersverzekeringen. Daarbij wijst de Raad er nog op dat uit de overgelegde salarisgegevens van appellante blijkt dat op haar loon in ieder geval geen premies werknemersverzekeringen zijn ingehouden.

4.5. Uit hetgeen hiervoor is overwogen onder 4.1 tot en met 4.4 vloeit voort dat de hoger beroepen niet kunnen slagen en dat de aangevallen uitspraken voor bevestiging in aanmerking komen.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en T.L. de Vries en J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 september 2011.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M.A. van Amerongen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.

NW


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature