< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

De Raad staat derhalve voor de beantwoording van de vraag of hij zich kan verenigen met het oordeel van de rechtbank dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de beperkingen van appellante ten opzichte van de datum

20 juni 2005 niet wezenlijk zijn toegenomen en appellante met ingang van 30 juni 2008 in elk geval niet ongeschikt moet worden geacht voor één van de aan haar in het kader van de WAO-beoordeling voorgehouden functies. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het, bij een weigering om een uitkering ingevolge de ZW toe te kennen, gaat om de vraag of betrokkene als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte per de datum in geding verhinderd is de in aanmerking komende arbeid te verrichten. Daarbij staat ter beoordeling of het onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voldoende zorgvuldig is geweest en of de bevindingen en conclusies van dat onderzoek het bestreden besluit kunnen dragen. Naar het oordeel van de Raad is daarvan in de onderhavige zaak sprake. De Raad wijst hier op meergenoemd rapport van de bezwaarverzekeringsarts Blanker van 13 augustus 2008 en op zijn rapportages van 3 en 11 februari 2009, waarin deze bezwaarverzekeringsarts is ingegaan op de door appellante bij de rechtbank ingebrachte medische stukken. In voormelde rapportages is door de bezwaarverzekeringsarts gemotiveerd het standpunt herhaald dat er geen aanleiding is om terug te komen op de eerdere conclusies met betrekking tot de belastbaarheid van appellante.

Uitspraak



09/2752 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 2 april 2009, 08/7037 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 september 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Verbraaken-Vooys, advocaat te 's-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 augustus 2011. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Verbraaken-Vooys. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante, laatstelijk werkzaam geweest als medewerkster in een kringloopwinkel, is in april 2002 uitgevallen vanwege geestelijke en lichamelijke uitputting. In dat kader is haar per einde wachttijd een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Met ingang van 20 juni 2005 is de WAO-uitkering van appellante ingetrokken, omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 15% bedraagt. Daarbij heeft het Uwv appellante geschikt geacht om met haar verminderde psychische belastbaarheid en haar geregeld voorkomende wegrakingen de functies van productiemedewerker industrie, medewerker tuinbouw, sorteerder en productiemedewerker papier te verrichten. Bij uitspraak van 22 januari 2008, LJN BC3297, heeft de Raad dat standpunt van het Uwv onderschreven.

2. Na de intrekking van haar WAO-uitkering heeft appellante zich vanuit de situatie waarin zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving, meerdere keren ziek gemeld vanwege epilepsieaanvallen en psychische klachten. Op

30 juni 2008 heeft appellante zich met diezelfde klachten opnieuw ziek gemeld. Op 15 juli 2008 is appellante onderzocht door een verzekeringsarts. Deze heeft geconcludeerd dat appellante op grond van de huidige onderzoeksbevindingen zowel op de datum ziekmelding als op het moment van onderzoek, geschikt is voor de voor haar geselecteerde functie van productiemedewerker industrie. Bij besluit van gelijke datum is appellante per 30 juni 2008 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) geweigerd. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 14 augustus 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 15 juli 2008 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van de bezwaarverzekeringsarts R.M.E. Blanker van 13 augustus 2008 ten grondslag. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante de juistheid van het oordeel van de rechtbank betwist. Daartoe heeft appellante ondermeer informatie ingebracht van de behandelend sector. Volgens appellante zijn haar medische beperkingen met betrekking tot haar epileptische aanvallen en psychische klachten onderschat en kan zij mede gelet op de medicijnen die zij gebruikt niet in staat worden geacht om arbeid te verrichten. Appellante wijst er tevens op dat zij bang is om alleen naar buiten te gaan en dat bij haar bovendien hartritmestoornissen zijn vastgesteld.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Naar de Raad reeds bij herhaling heeft overwogen dient onder ‘zijn arbeid’ te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt volgens vaste jurisprudentie van de Raad echter in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig ander werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Inmiddels heeft de Raad al meerdere malen uitgesproken dat in dergelijke gevallen van ongeschiktheid in de zin van de ZW geen sprake is, indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die ten grondslag hebben gelegen aan de schatting in het kader van de WAO.

4.2. De Raad staat derhalve voor de beantwoording van de vraag of hij zich kan verenigen met het oordeel van de rechtbank dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de beperkingen van appellante ten opzichte van de datum

20 juni 2005 niet wezenlijk zijn toegenomen en appellante met ingang van 30 juni 2008 in elk geval niet ongeschikt moet worden geacht voor één van de aan haar in het kader van de WAO-beoordeling voorgehouden functies.

4.3. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het, bij een weigering om een uitkering ingevolge de ZW toe te kennen, gaat om de vraag of betrokkene als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte per de datum in geding verhinderd is de in aanmerking komende arbeid te verrichten. Daarbij staat ter beoordeling of het onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voldoende zorgvuldig is geweest en of de bevindingen en conclusies van dat onderzoek het bestreden besluit kunnen dragen. Naar het oordeel van de Raad is daarvan in de onderhavige zaak sprake. De Raad wijst hier op meergenoemd rapport van de bezwaarverzekeringsarts Blanker van 13 augustus 2008 en op zijn rapportages van 3 en 11 februari 2009, waarin deze bezwaarverzekeringsarts is ingegaan op de door appellante bij de rechtbank ingebrachte medische stukken. In voormelde rapportages is door de bezwaarverzekeringsarts gemotiveerd het standpunt herhaald dat er geen aanleiding is om terug te komen op de eerdere conclusies met betrekking tot de belastbaarheid van appellante.

4.4. Met de rechtbank acht de Raad door appellante niet aannemelijk gemaakt dat, in vergelijking met haar gezondheidstoestand van voor de ziekmelding, van een toename van haar beperkingen sprake is. De in hoger beroep door appellante ingebrachte stukken van medische aard maken dat niet anders. De Raad wijst daartoe op de in dat kader opgestelde rapportages van Blanker van 12 augustus 2009, 22 september 2009, 15 december 2009 en 30 november 2010. In deze rapportages heeft deze bezwaarverzekeringsarts adequaat gereageerd op de overgelegde medische informatie en andermaal gemotiveerd vastgehouden aan zijn eerdere conclusies met betrekking tot appellantes belastbaarheid. Daarbij heeft Blanker laten wegen dat de ingebrachte neurologische gegevens geen nieuwe inzichten laten zien, de gediagnosticeerde hartritmestoornis geenszins klinische betekenis hoeft te hebben en deze stoornis bovendien na de datum hier in geding is vastgesteld, en de informatie van de behandelende psycholoog van I-Psy niet in overeenstemming is met appellantes anamnestische dossiergegevens en eveneens geen betrekking heeft op de datum hier in geding.

4.5. Met betrekking tot appellantes standpunt dat in tegenstelling tot de eerdere WAO-beoordeling thans bekend is dat haar wegrakingen voortkomen uit epileptische aanvallen en zij twee tot drie dagen nodig heeft om van een aanval bij te komen, stelt de Raad allereerst vast dat appellante blijkens de door haar ingebrachte aanvallenkaart op de datum hier in geding geen epileptische aanval heeft gehad. Voorts overweegt de Raad dat de diagnose epilepsie op zich niet betekent dat daarmee de medische beperkingen die appellante ondervindt, zijn toegenomen. Zoals in 4.4 is overwogen is van een dergelijke toename van beperkingen niet gebleken. In de voorhanden zijnde medische informatie heeft de Raad geen grond gezien voor het inschakelen van een onafhankelijke deskundige zoals door appellante is verzocht. Ten aanzien van het door appellante ingebrachte besluit van 8 november 2010 waarbij haar een voorziening voor huishoudelijke hulp over de periode van 25 november 2010 tot en met 30 juni 2011 is toegekend, alsmede de beschikking waarin is bepaald dat zij recht heeft op de algemene tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten 2009, overweegt de Raad dat aan deze informatie niet dat gewicht kan worden toegekend dat appellante eraan toegekend wenst te zien, aangezien het hier besluiten betreft die op andere wetten zijn gebaseerd dan de ZW en bovendien geen betrekking hebben op de datum hier in geding.

5. Uit hetgeen in 4.3 tot en met 4.5 is overwogen, volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht .

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en F.A.M. Stroink als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 september 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) T.J. van der Torn.

NW


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature