< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Promis; invoer verdovende middelen; invoer cocaine; verweer medeplegen; medeplegen.

Door en namens verdachte is aangevoerd dat het ten laste gelegde medeplegen niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard en verdachte derhalve daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. Verdachte heeft zowel tegen over de Koninklijke Marechaussee als ter terechtzitting verklaard dat hij met zijn medeverdachte naar Curaçao is afgereisd met de bedoeling om op de terugweg cocaïne naar Nederland te smokkelen. Zij zouden allebei daarvoor een beloning krijgen. De persoon voor wie zij de drugs hebben gesmokkeld, heeft voor hen de tickets en het hotel geregeld. Op de dag voor vertrek uit Curaçao kregen zij van de drugsorganisatie twee onderbroeken. In Nederland aangekomen droeg zowel verdachte als medeverdachte met cocaïne opgevulde onderbroeken. Naar het oordeel van de rechtbank getuigt vorenstaande gang van zaken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en diens medeverdachte bij de invoer van de cocaïne in Nederland. De rechtbank komt dan ook tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde medeplegen. In het bijzonder heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte zich samen met een ander heeft schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van ongeveer één kilo cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Uitspraak



RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/800674-11

Uitspraakdatum: 12 september 2011

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 29 augustus 2011 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te Groningen,

wonende te [adres],

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Almere.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 15 mei 2011 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne , zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit en gevorderd dat:

- verdachte terzake zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen (9) maanden waarvan twee (2) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee (2) jaar, met aftrek van de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, onder de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens Reclassering Nederland, zolang deze instelling dat nodig oordeelt, ook indien zulks inhoudt dat verdachte zich zal houden aan het meldingsgebod;

- het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven geld wordt verbeurd verklaard.

4. Bewijs

4.1 Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen waarbij de rechtbank - nu verdachte een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering is - zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

* de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 29 augustus 2011 afgelegd;

* het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aanhouding en bevindingen, d.d. 15 mei 2011, dossierparagraaf 2.1;

* het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aanhouding en bevindingen, d.d. 15 mei 2011, dossierparagraaf 1.1;

* het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, d.d. 17 mei 2011, dossierparagraaf 2.1.4;

* het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, d.d. 17 mei 2011, dossierparagraaf 1.1.4;

* het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 21 juni 2011, zaaknummer 2011.05.30.010, aanvraag 001 en

* het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 10 juni 2011, zaaknummer 2011.05.30.025, aanvraag 001.

4.2 Bewijsoverweging1

Door en namens verdachte is aangevoerd dat het ten laste gelegde medeplegen niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard en verdachte derhalve daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Verdachte heeft zowel tegen over de Koninklijke Marechaussee als ter terechtzitting verklaard dat hij met zijn medeverdachte [medeverdachte] naar Curaçao is afgereisd met de bedoeling om op de terugweg cocaïne naar Nederland te smokkelen. Zij zouden allebei daarvoor een beloning krijgen. De persoon voor wie zij de drugs hebben gesmokkeld, heeft voor hen de tickets en het hotel geregeld. Op de dag voor vertrek uit Curaçao kregen zij van de drugsorganisatie twee onderbroeken. In Nederland aangekomen droeg zowel verdachte als [medeverdachte] met cocaïne opgevulde onderbroeken.2

Naar het oordeel van de rechtbank getuigt vorenstaande gang van zaken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en diens medeverdachte [medeverdachte] bij de invoer van de cocaïne in Nederland. De rechtbank komt dan ook tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde medeplegen.

4.3 Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

hij op 15 mei 2011 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezen verklaarde is derhalve strafbaar.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de sanctie

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte zich samen met een ander heeft schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van ongeveer één kilo cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Uit het omtrent verdachte opgemaakte reclasseringsrapport en het uittreksel justitiële documentatie is gebleken dat verdachte vooral in het verleden grote problemen heeft gehad op het gebied van verslaving, werk, huisvesting en psychisch functioneren. Sinds 2008 is verdachte niet meer met justitie in aanraking is gekomen en gebruikt sindsdien geen alcohol meer. Toch schat de reclassering het recidiverisico als hoog tot gemiddeld in, aangezien nog niet alle problemen voorbij zijn, vooral niet op het gebied van financiën, denkpatronen en emotioneel welzijn. De reclassering acht derhalve een toezicht geïndiceerd, te meer nu verdachte heeft aangegeven dat hij daar positief tegenover staat en nu in het verleden is gebleken dat een dergelijk toezicht goed is verlopen.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren opdat verdachte er tijdens die proeftijd van wordt weerhouden strafbare feiten te begaan. De rechtbank zal bepalen dat het gedeelte van de voorwaardelijk op te leggen gevangenisstraf iets groter is dan de officier van justitie heeft geëist, nu de persoonlijke omstandigheden van verdachte daartoe aanleiding geven.

Daarnaast acht de rechtbank verplicht contact met de reclassering gedurende de proeftijd noodzakelijk. Een voorwaarde van die strekking zal dan ook aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden.

8. Teruggave aan verdachte

De in beslag genomen geldbedragen zullen worden teruggegeven aan de verdachte, nu niet is komen vast te staan dat deze geldbedragen verband houden met het bewezenverklaarde feit.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

47 van het Wetboek van Strafrecht.

2 en 10 van de Opiumwet.

10. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van NEGEN (9) MAANDEN.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot drie (3) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee (2) jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien:

- verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- verdachte niet naleeft de bijzondere voorwaarde dat hij zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens Verslavingszorg Noord Nederland, locatie Groningen, zolang die instelling dat nodig acht, ook als zulks inhoudt dat verdachte zich zal houden aan een meldingsgebod.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

(3) Geld, 450 euro (9 biljetten van 50 euro).

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.E. Fortuin, voorzitter,

mr. J.N.A. Jolink en mr. G. Demmink, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.S. Kikkert,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 september 2011.

Mr. Demmink is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 De verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 29 augustus 2011 en het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte], d.d. 17 mei 2011, dossierparagraaf 2.3, p.2.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature