< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting en ontucht met zijn minderjarig kind. Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan mishandeling. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en stelt onder meer als voorwaarde dat verdachte zich tijdens de proeftijd ambulant psychologisch laat behandelen voor zijn PTSS.

Uitspraak



RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600488-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 12 september 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1969] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres]

raadsman mr. J.H. van Dijk, advocaat te Amsterdam

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 17 augustus 2010, 1 november 2010, 17 januari 2011 en 29 augustus 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1. op 12 mei 2010 te Veenendaal [slachtoffer 1](geboren: [1992]) heeft verkracht en/of

op één of meer tijdstippen in de periode 1 januari 2010 tot en met 12 mei 2010 te Veenendaal ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig kind, [slachtoffer 1];

2. op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 12 mei 2010 te Veenendaal zijn kind, [slachtoffer 1], heeft mishandeld.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, cumulatief/alternatief, ten laste gelegde feit heeft begaan (verkrachting en ontucht). Voorts acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte omstreeks 28 januari 2010 zijn kind, [slachtoffer 1], heeft mishandeld.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen.

De verdediging heeft betoogd - samengevat - dat de aangifte en de verklaringen van aangeefster bij de politie over de verkrachting(en) door verdachte hoogst onbetrouwbaar zijn en dat de door aangeefster nadien bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring betrouwbaar dient te worden geacht. De raadsman stelt dat sprake zou zijn van (bewuste of onbewuste) beïnvloeding door de moeder, die met verdachte, haar ex-partner, een relationeel conflict had over onder meer de omgangsregeling en wier eerdere meldingen van huiselijk geweld niet hebben geleid tot vervolging van verdachte. In dit verband wijst de raadsman op het feit dat [slachtoffer 1] in rapporten wordt aangeduid als zwakbegaafd.

Er ontbreekt steunbewijs voor haar verklaring bij de politie (geen buren die iets gehoord hebben, geen sleutel in het slot van de slaapkamerdeur van [slachtoffer 1] zichtbaar op de foto’s, geen mes aangetroffen, geen letsel als gevolg van de verkrachting vastgesteld).

Voorts acht de raadsman onaannemelijk dat aangeefster ten tijde van de vermeende verkrachting geen gebruik heeft gemaakt van de haar geboden gelegenheid om de politie en/of haar moeder te bellen en dat zij anderzijds wel een sigaretje heeft gerookt met de verdachte.

Gelet op de verklaring van [slachtoffer 1] bij de rechter-commissaris is naar de mening van de verdediging geen sprake geweest van dwang tot het ondergaan van seksuele handelingen met haar vader, aangezien aangeefster zich niet heeft verzet. Dat brengt mee dat verdachte niet heeft doorzien dat aangeefster geen sex, althans geen penetratie wilde.

Voorts heeft de verdediging betoogd dat verdachte de onder 1 ten laste gelegde handelingen heeft verricht in het kader van een slaapstoornis, een vorm van parasomnia, te weten sekssomnia, zodat van opzet geen sprake is. Evenmin is sprake van voorwaardelijk opzet, aangezien de voorspelbaarheid van het gedrag van verdachte onder de onderhavige omstandigheden zeer klein was.

Ten aanzien van de onder 2 ten laste gelegde mishandelingen heeft de verdediging betoogd dat de door aangeefster bij de politie afgelegde verklaringen niet betrouwbaar en niet consistent zijn. De overschrijding van de grens tussen een corrigerende pedagogische tik en mishandeling kan op basis van de verklaringen van verdachte en aangeefster onvoldoende worden vastgesteld.

Gelet op het vorenstaande heeft de verdediging verzocht verdachte van de ten laste gelegde feiten vrij te spreken.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1. De bewijsmiddelen en wat daaruit blijkt:

Feit 1

Op 12 mei 2010, omstreeks 13:00 uur, verschenen een meisje, [slachtoffer 1], en haar moeder voor de balie van het politiebureau in Veenendaal. De moeder vertelde aan de verbalisant dat het meisje was verkracht door haar vader. Op diezelfde dag, omstreeks 14:45 uur, heeft op dat politiebureau met het meisje een informatief gesprek plaatsgevonden.

Vervolgens heeft het meisje (hierna mede te noemen: aangeefster) op 13 mei 2010, omstreeks 11:45 uur, aangifte gedaan van verkrachting en ontucht door haar vader, zijnde verdachte. Aangeefster is op 13 mei 2010, tussen 12:00 en 16:10 uur, verhoord door twee gecertificeerde zedenrechercheurs, welk verhoor audiovisueel is opgenomen en nadien letterlijk is uitgewerkt.

Aangeefster heeft verklaard dat zij op 12 mei 2010, omstreeks 00:10 uur, in de woning aan de [adres] te [woonplaats] in haar slaapkamer naar bed is gegaan en in slaap is gevallen. Nadat verdachte thuiskwam (van zijn werk) heeft hij aangeefster omstreeks 00:30 of 01:00 uur wakker gemaakt, is hij naast haar gaan liggen en heeft hij haar op zich getrokken. Aangeefster voelde dat verdachte naakt was.

Aangeefster hoorde verdachte op enig moment zeggen dat ze naar zijn slaapkamer gingen, waarna aangeefster, die heel erg bang was dat verdachte, die al boos was, nog bozer zou worden, achter verdachte aan is gelopen en naar zijn slaapkamer is gegaan. Aangeefster hoorde verdachte zeggen dat zij haar kleren uit moest doen. Toen aangeefster tegen verdachte zei dat zij dat niet deed omdat dat niet hoorde en ging huilen, heeft verdachte haar mond met beide handen dichtgehouden. Verdachte werd heel erg boos en is vervolgens naar de keuken gelopen. Aangeefster hoorde dat hij keukenlaatjes opende. Toen verdachte terugkwam uit de keuken zag zij dat hij een voorwerp in zijn rechterhand had. Toen hij het voorwerp op de grond naast het bed had gelegd, zag zij dat het voorwerp een mes was. Aangeefster was geschrokken en bang. Verdachte heeft de kleding van aangeefster uitgetrokken.

Verdachte heeft een of meer vingers en zijn penis in haar vagina en zijn penis in haar anus gebracht en gehouden.

Aangeefster voelde dat het vaginaal en anaal penetreren haar heel erg veel pijn deed.

Bij het anaal penetreren heeft aangeefster het uitgeschreeuwd van de pijn.

Verdachte heeft haar schaamstreek en borsten betast en heeft haar gedwongen zijn penis af te trekken, door haar hand te pakken en op zijn penis te leggen en te zeggen dat zij hem moest aftrekken.

Omstreeks 03:15 uur heeft verdachte opnieuw zijn penis in de vagina van aangeefster gebracht en is daarna klaargekomen. Aangeefster zag vervolgens dat verdachte zijn penis met een handdoek afveegde en die handdoek aan aangeefster gaf om zich af te vegen. Aangeefster heeft zich toen ook met die handdoek afgeveegd. Vervolgens heeft aangeefster zich aangekleed, heeft de slaapkamer van verdachte verlaten en heeft in de badkamer haar handen en de omgeving van haar anus en vagina gewassen met een grijsachtig handdoekje. Aangeefster heeft het handdoekje uitgewrongen in de wasmand gegooid, heeft haar kleding weer aangetrokken en is gaan slapen. Omstreeks 08:15 uur heeft verdachte, die nog in zijn bed lag, aangeefster gebeld dat zij wakker moest worden. Aangeefster is, voordat zij zich ging aankleden, naar de badkamer gegaan om zich opnieuw bij haar vagina en anus te wassen, heeft een schone onderbroek aangetrokken en heeft de onderbroek die zij die nacht na het wassen weer had aangetrokken in de wasmand gegooid. Vervolgens is aangeefster naar school gegaan.

Op school heeft aangeefster die morgen met een vriendinnetje gepraat. Deze heeft verklaard dat aangeefster tegen haar heeft gezegd dat zij ruzie had gehad met verdachte en door verdachte was verkracht.

Ook heeft aangeefster die dag op school met haar groepsdocente/mentor gesproken. Die getuige heeft verklaard dat aangeefster die dag om 08:45 uur op school kwam en meteen aan getuige vroeg om haar te spreken. Getuige hoorde aangeefster zeggen dat zij erg moe was en dat er die nacht iets heel ergs was gebeurd. Getuige stak toen haar hand uit om aangeefster te troosten en zag dat aangeefster terugdeinsde. Aangeefster vertelde aan getuige dat ze ruzie had gehad met haar vader. Getuigde hoorde aangeefster letterlijk zeggen: ‘Ik ben zo geschrokken van zijn gedrag, mevrouw.’ Aangeefster wilde getuige verder niets vertellen, maar wilde wel op school blijven. Getuige zag dat aangeefster moe en verdrietig was en als een zombie in de klas heeft gezeten. Getuige heeft verklaard dat de reactie van aangeefster die ochtend echt was en niet gespeeld.

[slachtoffer 2], zoon van verdachte, broer van aangeefster, heeft verklaard dat hij in de slaapkamer van verdachte op een mes was getrapt en dat hij dat mes in opdracht van zijn vader in de wasbak in de keuken heeft gelegd. Op de vraag hoe dat mes in de slaapkamer van zijn vader kwam antwoordt hij dat [slachtoffer 1] heeft verteld dat “hij” het gehaald heeft en dat hij daarmee ging dreigen. Gevraagd naar een datering geeft hij aan dat hij vermoedt dat dat in het laatste stuk van de meivakantie was.

Op 12 mei 2010, omstreeks 19:30 uur, is aangeefster lichamelijk onderzocht in het UMCU. De forensisch arts die aangeefster heeft onderzocht, verklaarde aan de verbalisant dat in de vagina van aangeefster een vloeistof was aangetroffen en veiliggesteld . Verder deelde de arts mee dat mogelijk een deel van de aangetroffen vloeistof ook in de onderbroek van het slachtoffer terecht was gekomen. Daarop is deze onderbroek ook veiliggesteld .

Op 12 mei 2010, omstreeks 23:20 uur, is door een forensisch arts een bemonstering van het wangslijmvlies en de penis van verdachte uitgevoerd. De sporen/sporendragers zijn veiliggesteld.

In de woning aan de [adres] te [woonplaats] heeft op 13 mei 2010 een sporenonderzoek plaatsgevonden. Daarbij zijn onder meer de onderbroek van aangeefster en een nat en in elkaar gewrongen handdoekje in de wasmand aangetroffen en veiliggesteld.

Uit het NFI-rapport van 6 september 2010, verbeterd op 2 december 2010 , blijkt dat aan de schacht van de penis van verdachte een DNA-mengprofiel is aangetroffen met daarin DNA-kenmerken van ten minste twee personen, waarvan minimaal één man en één vrouw. Het DNA van verdachte matcht met dit DNA-mengprofiel.

Van het DNA-mengprofiel is het DNA-profiel van de tweede (vrouwelijke) donor afgeleid. Het DNA-profiel van aangeefster matcht met het DNA-profiel van aangeefster. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen vrouw matcht met het afgeleide DNA-profiel van de tweede donor is kleiner dan één op één miljard.

Ter terechtzitting van 17 augustus 2010 heeft verdachte verklaard dat aangeefster, zijn dochter, op 12 mei 2010 in zijn slaapkamer op zijn bed lag, dat hij bij haar is gaan liggen en dat hij nadien bovenop aangeefster lag, dat zijn penis toen in haar vagina was en dat hij op dat moment aan het klaarkomen was.

Feit 2

Aangeefster is op 20 mei 2010 verhoord , welk verhoor audiovisueel is geregistreerd en nadien letterlijk uitgewerkt. Aangeefster heeft verklaard dat zij door verdachte thuis in Veenendaal werd geslagen als hij heel erg boos was. Dat verdachte haar dan met de platte hand een klap gaf, dat het soms één klap was en soms vier of drie klappen. Dat verdachte haar ook met zijn vuisten in haar gezicht en haar buik sloeg en dat dit wel vaak is voorgekomen. Dat zij wel eens een blauw oog heeft gehad.

Ook bij de rechter-commissaris verklaart aangeefster dat zij eenmaal hard geslagen is door verdachte waardoor zij een blauwe plek kreeg.

Op 21 mei 2010 is de jongere broer van aangeefster, [slachtoffer 2], als getuige verhoord , welk verhoor audiovisueel is geregistreerd en nadien is uitgewerkt . Hij heeft verklaard dat het wel vaker gebeurde dat aangeefster ruzie had met verdachte, dat verdachte aangeefster dan ging slaan en schoppen, en dat dit wel langer dan een jaar geleden gebeurde. Voorts heeft de getuige verklaard dat hij zich kan herinneren dat aangeefster op zijn verjaardag, 28 januari 2010, door verdachte met zijn vuisten tegen haar buik en haar hoofd is geslagen. De getuige heeft ook wel gezien dat aangeefster een blauw oog had of blauwe plekken op haar hele rug.

Getuige [slachtoffer 4], de moeder van aangeefster, heeft verklaard dat verdachte aangeefster vanaf haar 10e jaar heeft geslagen en dat het van jaar tot jaar erger werd. In de eerste jaren maakte het slaan rode plekken die weer verdwenen. Later, na de scheiding , toen aangeefster bij verdachte woonde, had aangeefster wel blauwe plekken, aldus getuige.

De gezinsvoogd van aangeefster en [slachtoffer 2] heeft als getuige verklaard, dat zij op 10 mei 2010 met aangeefster heeft gesproken. Daarbij heeft zij tegen aangeefster gezegd dat er heel veel mensen zich zorgen om haar maakten. Zij vroeg aan aangeefster of haar vader haar wel eens had geslagen. Zij zag aan aangeefster dat zij heel erg begon te trillen. Voor de eerste keer gaf aangeefster aan dat zij wel door haar vader werd geslagen. De gezinsvoogd heeft verklaard dat er bij aangeefster wel eens verwondingen waren te zien zoals een blauw oog.

4.3.2. Bewijsoverwegingen naar aanleiding van de verweren

Feit 1

4.3.2.1. Verdachte heeft zich aanvankelijk beroepen op zijn zwijgrecht. Ter terechtzitting van 17 augustus 2010 heeft hij verklaard dat aangeefster op 12 mei 2010 in zijn slaapkamer op zijn bed televisie lag te kijken, dat hij bij haar is gaan liggen om de film af te kijken, dat hij op enig moment in slaap is gevallen, dat hij wakker werd in een situatie waarin hij bovenop aangeefster lag, dat de handen van aangeefster op zijn rug lagen, dat zijn penis in haar vagina was en dat hij op dat moment aan het klaarkomen was. Voorts heeft hij verklaard dat hij niet weet wat hij in zijn slaap heeft gedaan.

Op 13 september 2010 is verdachte door de politie verhoord. Verdachte heeft tijdens dat verhoor verklaard dat hij thuis kwam en dat aangeefster in zijn slaapkamer naar de televisie zat te kijken. Dat hij wilde dat zij ging slapen, maar dat zij vroeg of zij de film uit kon kijken. Dat hij vervolgens daarvoor toestemming heeft gegeven en naast haar is gaan liggen om zelf ook naar de film te kijken. Dat hij in slaap is gevallen. Dat hij wakker is geworden toen hij boven op aangeefster lag.

Op 14 september 2010 heeft verdachte verklaard dat hij bij het wakker worden op aangeefster lag en dat hij aan het klaarkomen was. Dat op dat moment de armen van aangeefster ook op zijn rug waren en dat zij, aangeefster, verdachte naar het beneden aan het duwen of omlaag aan het duwen was. Dat het voor verdachte duidelijk was dat aangeefster er aan deelnam. Verdachte verklaarde dat hij daarover geschokt was. Voorts heeft verdachte verklaard dat zijn ex-vrouw het niet erg prettig vond dat hij in zijn slaap aan seks deed. Zijn vriendin, [X], vond dat soms wel en soms niet prettig.

4.3.2.2. Op 11 augustus 2010 heeft aangeefster een nadere verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris. Daarbij heeft aangeefster verklaard dat zij haar verhaal wil rechtzetten. Dat zij, toen het gebeurd was, kwaad, boos en verdrietig was, en dat zij haar verhaal daarom iets anders had verteld dat het daadwerkelijk was. Aangeefster heeft vervolgens verklaard dat verdachte op 12 mei 2010, omstreeks 00:30 uur, thuis kwam van zijn werk. Dat zij in zijn slaapkamer tv zat te kijken en dat hij naast haar kwam liggen en tegen haar zei dat zij naar bed moest gaan. Aangeefster zei toen tegen verdachte dat zij de film wilde afkijken en verdachte vond dat goed. Zij heeft verklaard dat verdachte in slaap is gevallen, dat zij hem hoorde snurken, dat hij opeens op haar ging liggen, met zijn ogen dicht, haar broekje naar beneden trok en met zijn lul bij haar naar binnen ging, dat hij toen heel rustig ging bewegen, dat het eerst wel pijn deed maar daarna niet echt meer, en dat zij na vier of zes minuten allemaal nattigheid beneden voelde. Dat verdachte wakker schrok, binnensmonds begon te vloeken en daarna verder ging slapen. Aangeefster heeft verklaard dat zij in shock was en niet wist wat haar overkwam. Zij verklaart verder dat zij niet meer wist wat zij moest doen, dat zij niet precies wist wat er gebeurde, dat zij hem wel kon wegduwen naar het niet deed en dat zij eerst haar handen op zijn schouders had en daarna langs haar zij.

Ter terechtzitting is [slachtoffer 1] opnieuw gehoord. In grote lijnen verklaart zij dat haar verklaring bij de politie niet en die bij de rechter-commissaris wel klopte, dat zij bij de politie tijdens het verhoor het meeste heeft verzonnen, dat zij onder druk werd gezet door haar moeder en dat ze het erger heeft gemaakt omdat ze boos was op haar vader.

Eerst dacht ze dat haar vader met opzet handelde, maar later zag ze dat zijn ogen dicht waren.

4.3.2.3. De rechtbank acht de bij de politie afgelegde verklaringen van [slachtoffer 1] betrouwbaar en bezigt deze tot bewijs. Dit baseert zij op het volgende.

De rechtbank stelt vast dat de door aangeefster afgelegde verklaringen op 12 mei 2010 en 13 mei 2010 zeer gedetailleerd en consistent zijn.

De eerste gedetailleerde verklaring is al vrij vroeg in de middag van 12 mei 2010 afgelegd, kort nadat aangeefster van school was gekomen. Dat deze verklaring in al haar details tot stand is gekomen door beïnvloeding van de moeder van aangeefster, zoals door de verdediging is gesteld, acht de rechtbank dan ook niet aannemelijk.

De consistentie, het overeenkomen van details in de eerdere en latere verklaring en binnen een verklaring, pleit overigens ook sterk tegen het in de loop van het verhoor verzinnen, waarover aangeefster ter terechtzitting heeft verklaard.

De consistentie is te meer een argument omdat de aangeefster zwakbegaafd zou zijn.

De verklaring van de aangeefster ter zitting, dat zij bij de politie allerlei details heeft verzonnen om het erger te maken omdat zij boos was op haar vader is niet erg aannemelijk. Aangeefster houdt immers in haar latere verklaringen staande dat haar vader sexuele handelingen met haar heeft verricht en zelfs gemeenschap met haar heeft gehad, hetgeen op zichzelf al ernstig genoeg is. Bovendien vertelt aangeefster aanvankelijk een heleboel details die voor het erger maken overbodig zijn (bijvoorbeeld het feit dat een en ander start op haar eigen kamer), waar ze later in haar verklaring bij de rechter-commissaris ook op terugkomt.

De verklaringen van aangeefster van 12 mei 2010 en 13 mei 2010 worden ondersteund door eerder genoemde verklaringen van haar schoolvriendinnetje en haar docente.

Voorts worden deze verklaringen van aangeefster ondersteund door haar broertje [slachtoffer 2] die heeft verklaard dat hij (aan het eind van de meivakantie) in de slaapkamer van verdachte op een mes was getrapt dat, zo had hij van aangeefster gehoord, door verdachte was gepakt om haar te bedreigen en dat hij dat in de wasbak in de keuken had gelegd. Dit vormt een verklaring voor het feit dat er geen mes is aangetroffen.

De rechtbank acht weinig aannemelijk dat de eveneens zwakbegaafde [slachtoffer 2] zou zijn geïnstrueerd om ergens halverwege zijn verhoor dit detail te laten vallen.

De rechtbank stelt voorts vast dat de verklaring van verdachte over hetgeen op 12 mei 2010 is gebeurd en dat aangeefster toen actief heeft meegedaan met de sexuele handelingen, niet overeenkomt met de verklaring die aangeefster op 11 augustus 2010 bij de rechter-commissaris heeft afgelegd.

Zij heeft toen verklaard dat zij zich niet heeft verzet, maar niet dat zij actief heeft meegewerkt.

4.3.3.4. De door aangeefster op 11 augustus 2010 afgelegde verklaring moet naar het oordeel van de rechtbank worden gezien als onbetrouwbaar, afgelegd uit loyaliteit jegens haar vader, van welke loyaliteit zowel door de docente als de gezinsvoogd melding is gemaakt . Voorts zijn er aanwijzingen dat aangeefster is beïnvloed door haar vader, bij wie zij in het huis van bewaring op bezoek is geweest, en door zijn partner, [X], gelet op de verklaringen hierover van [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] en aangeefster zelf.

4.3.3.5. De verdediging heeft in het kader van het verweer over de (on)betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster bij de politie een aantal opmerkingen gemaakt. De rechtbank merkt hierover het volgende op.

De forensisch arts heeft bij het lichamelijk onderzoek van aangeefster op 12 mei 2010 geen zichtbaar letsel aan de vagina en anus aangetroffen.

De verdediging heeft in dat verband betoogd dat een meisje dat naar eigen zeggen nog maagd is en op de ten laste gelegde wijze langdurig en tegen haar zin vaginaal en anaal zou zijn verkracht, naar algemene ervaringsregels zeker sporen van lichamelijk/rectaal geweld moet hebben (naar de rechtbank begrijpt is bedoeld te stellen dat dit een feit van algemene bekendheid is). Nu genoemde sporen ontbreken, acht de verdediging de belastende verklaring van aangeefster ongeloofwaardig. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een feit van algemene bekendheid zoals door de verdediging is gesteld en dat het gedwongen gebruik van vaseline, waarover aangeefster eveneens heeft verklaard op 13 mei 2010 , het ontbreken van letsel goed zou kunnen verklaren.

De rechtbank verwerpt dan ook dit verweer van de verdediging.

Voorts heeft de verdediging erop gewezen dat het opmerkelijk is dat er geen buren zijn gevonden die iets hebben gehoord, aangezien aangeefster heeft verklaard dat zij heeft geschreeuwd tijdens de penetratie. De rechtbank overweegt dat dit niet betekent dat de verklaring van aangeefster op dit punt onjuist is, temeer aangezien uit het dossier blijkt van een aantal omstandigheden die hiervoor een verklaring kunnen bieden. Aangeefster verklaart dat de slaapkamer van verdachte niet gehorig is. ,

De woning [adres] ligt op de bovenste verdieping (er zijn dus geen bovenburen) en is aan een zijde is gelegen naast de liftkoker. Voorts heeft de buurvrouw van nummer 120 bij de politie verklaard dat zij in het verleden wel schreeuwen heeft gehoord bij ruzies en wat op haar overkwam als sussende kinderen, maar dat zij op 12 mei 2010 afwezig was in verband met vakantie. De onderburen hebben verklaard dat de woningen niet gehorig zijn en dat zij geen geluiden horen.

Dat er op de foto’s geen sleutel zichtbaar is in het slot van de slaapkamerdeur van aangeefster, acht de rechtbank voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster niet van belang aangezien zij slechts heeft verklaard dat zij denkt dat een slot van haar slaapkamer werd geopend, en niet dat dat zeker zo was. De rechtbank zal dit onderdeel van de tenlastelegging dan ook niet bewezen verklaren.

De door de verdachte gecreëerde dwangsituatie is zodanig geweest dat de verdachte tegen haar wil door verdachte is gepenetreerd. Gelet hierop acht de rechtbank het alleszins begrijpelijk dat aangeefster in de paar minuten die zij uit het zicht van verdachte is geweest, niet de politie en/of haar moeder heeft gebeld en dat zij – na eerst te hebben geweigerd waarna verdachte haar heeft geschopt - een sigaretje heeft gerookt met de verdachte.

4.3.3.6. De tot bewijs gebezigde verklaring van aangeefster weerlegt het standpunt van de verdediging dat verdachte niet heeft doorzien dat aangeefster geen sex, althans geen penetratie wilde, nog daargelaten dat het arrest van de Hoge Raad van 16 juni 1987, NJ 1988, 156 waar de raadsman naar verwijst niet ziet op sexuele handelingen tussen een vader en zijn minderjarige dochter, maar tussen twee personen die een jarenlange relatie hebben en waarvan één van beiden op een gegeven moment niet meer instemt met sexueel contact, hetgeen de ander niet heeft doorzien.

4.3.3.7. De rechtbank acht dus de door aangeefster op 12 mei 2010 en 13 mei 2010 tegenover de politie afgelegde verklaringen betrouwbaar en geloofwaardiger dan de nadien op 11 augustus 2010 door aangeefster bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring, die ter terechtzitting van 29 augustus 2011 deels door haar is bevestigd.

Gelet op de actieve rol die verdachte volgens die verklaringen van mei 2010 heeft gespeeld, verwerpt de rechtbank het verweer van de verdachte dat hij het ten laste gelegde heeft gepleegd terwijl hij sliep. Volgens de door de rechtbank geraadpleegde deskundige dr. H.L. Hamburger is de door de deskundige vastgestelde diagnose sekssomnia immers een zeldzame vorm van parasomnie die alleen in diepe slaap voorkomt. Desgevraagd heeft deze deskundige ter terechtzitting d.d. 29 augustus 2011 verklaard dat de verklaringen van aangeefster op 12 mei 2010 en 13 mei 2010 met betrekking tot de rol van verdachte niet zijn te rijmen met de slaapstoornis sekssomnia.

Ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat het rapport van dr Hamburger inhoudt dat tijdens uitgebreid aanvullend onderzoek (twee nachtslaapregistraties) een slaapstoornis niet kon worden bevestigd of aangetoond. Hamburger concludeert weliswaar dat sprake is van een slaapstoornis ( in zijn verklaring ter zitting gerelativeerd met de woorden “naar mijn mening”) bij verdachte de slaapstoornis sexsomnia aanwezig is, maar die conclusie is met name gebaseerd op de eigen verklaring van de verdachte en van zijn huidige partner, en van de verklaring van aangeefster bij de rechter-commissaris, waarvan het waarheidsgehalte nu juist ter discussie staat.

De stelling van verdachte dat hij de tenlaste gelegde handelingen zou hebben gepleegd onder invloed van een slaapstoornis, acht de rechtbank dus niet aannemelijk..

Feit 2

Verdachte heeft ter terechtzitting van 29 augustus 2011 verklaard dat hij aangeefster een keer één tikje heeft gegeven en niet de klap waarvan in het proces-verbaal van verhoor van 14 september 2010 wordt gesproken.

Deze verklaring wordt door de bewijsmiddelen weerlegd.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 12 mei 2010 te [slachtoffer 1], door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] (geboren op [1992]) heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], immers heeft/is hij, verdachte, toen en aldaar meermalen, althans eenmaal

- zijn, verdachtes, vinger(s) en/of penis in de vagina en anus van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht en gehouden en

- de vagina, althans de schaamstreek, en de borst(en) van die [slachtoffer 1] betast en

- die [slachtoffer 1] ertoe gedwongen/gebracht zijn, verdachtes, penis af te trekken,

en bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld hierin dat hij, verdachte, toen en aldaar

-bij die [slachtoffer 1] in bed is gaan liggen en die [slachtoffer 1] op zich heeft getrokken en

-die [slachtoffer 1] naar zijn, verdachtes, slaapkamer heeft meegenomen en

-tegen die [slachtoffer 1] (zakelijk weergegeven) heeft gezegd dat zij haar kleren uit moest doen en haar kleding heeft uitgetrokken, en

- met zijn, verdachtes, hand(en) de mond van die [slachtoffer 1] heeft dichtgehouden en

-een mes heeft gepakt en (vervolgens) dit mes naast het bed heeft gelegd (waarop een of meer van bovengenoemde seksuele handeling(en) heeft plaatsgevonden) en

-(aldus) een bedreigende situatie voor die [slachtoffer 1] heeft gecreëerd en doen onstaan en

-misbruik heeft gemaakt van (een) uit de feitelijke verhouding(en) voortvloeiend overwicht van hem, verdachte, op die [slachtoffer 1];

en

hij op 12 mei 2010 te Veenendaal, ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig kind, [slachtoffer 1], geboren op [1992], bestaande die ontucht hierin dat hij, verdachte,

meermalen, althans eenmaal

- zijn, verdachtes, vinger(s) en/of penis in de vagina en anus van die [slachtoffer 1] heeft geduwd/gebracht en gehouden en

- de vagina, althans de schaamstreek, en de borst(en) van die [slachtoffer 1] heeft betast en

- die [slachtoffer 1] ertoe heeft gedwongen/gebracht zijn, verdachtes, penis af te

trekken;

2.

hij in de periode van 1 januari 2007 tot en met 12 mei 2010 te Veenendaal, althans in Nederland, opzettelijk mishandelend zijn kind, te weten [slachtoffer 1], meermalen althans eenmaal (met kracht) in/tegen het gezicht en/of hoofd en/of buik, in ieder geval tegen het lichaam heeft geslagen/gestompt en/of op/tegen het lichaam heeft geschopt/getrapt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

Feit 1: verkrachting en ontucht plegen met zijn minderjarig kind;

Feit 2: mishandeling, begaan tegen zijn kind, meermalen gepleegd

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Met betrekking tot de persoon van verdachte zijn Pro Justitia-rapporten uitgebracht door

R. Bout en dr. D.J. Burck, beiden Gz-psycholoog.

Deskundige R. Bout

R. Bout concludeert in zijn rapport d.d. 19 juli 2010 dat de aan hem gestelde onderzoeksvragen slechts gedeeltelijk kunnen worden beantwoord omdat verdachte ten tijde van het onderzoek niet wenste te spreken over het hem ten laste gelegde. De weigering van verdachte lijkt niet voort te komen uit een stoornis, maar eerder uit een pragmatische instelling. Verdachte is, aldus de rapporteur, een gemiddeld begaafd man waarbij er ten tijde van het onderzoek sprake was van spanningsklachten en herbelevingen die direct gerelateerd zijn aan traumatische gebeurtenissen uit zijn verleden. Verdachte is in 1992 voor enkele maanden opgesloten geweest in concentratiekamp Omarska in Bosnië.

Verdachte is daarnaast prikkelbaar en impulsief en hij is geneigd de oorzaak van zijn problemen vooral aan anderen te wijten.

Er is geen sprake van een psychiatrische stoornis en voor het bestaan van een persoonlijkheidsstoornis zijn onvoldoende termen aanwezig. De symptomen van de post traumatische stress stoornis (PTSS) waren voorafgaande aan de detentie nauwelijks aanwezig zodat er ten tijde van het ten laste gelegde onvoldoende termen aanwezig waren om de diagnose PTSS te stellen.

Deskundige dr. D.J. Burck

In haar rapport van 6 oktober 2010 concludeert dr. D.J. Burck dat verdachte lijdend is aan een ziekelijke stoornis in de vorm van een PTSS. De verdachte werd indertijd voor deze stoornis behandeld, maar er bleven restverschijnselen bestaan. Deze restverschijnselen waren ook aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde. In detentie zijn de klachten opnieuw toegenomen. Voornoemde stoornis beïnvloedde ten dele verdachtes gedragskeuzen dan wel gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde. Er is een indirecte relatie tussen deze stoornis en het ten laste gelegde, in de zin dat deze stoornis zijn persoonlijkheid heeft getekend, zodanig dat hij structureel kwetsbaar is geworden voor spanning waarbij hij zijn emoties verdringt. Wanneer een dergelijke situatie lang aanhoudt, kan dat leiden tot impulsdoorbraken zoals in de vorm van het ten laste gelegde. Dit geschiedde in enige mate.

De deskundige adviseert verdachte voor het ten laste gelegde, indien bewezen, enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Deskundige dr. H.L. Hamburger

In zijn rapport van 5 juli 2011 concludeert de deskundige dat verdachte lijdt aan een vorm van parasomnia welke sexsomnia of slaapsex wordt genoemd. Bij uitgebreid aanvullend onderzoek kon genoemde specifieke stoornis niet worden aangetoond, echter dit sluit de diagnose niet uit. Dergelijke aanvallen worden zelden geregistreerd onder artificiële omstandigheden, zoals deze plaatsvinden in het ziekenhuis. Verdachte heeft slechts weinig diep geslapen. Het is juist in deze diepe slaap dat dergelijke aanvallen optreden. Voor het stellen van een diagnose heeft de deskundige zich gebaseerd op de auto-anamnese en de heteroanamnese van de vriendin van verdachte, alsmede uit de uiteindelijke getuigenverklaring van het slachtoffer. Volgens de deskundige bestond deze stoornis ook ten tijde van het ten laste gelegde punt.

Gelet op hetgeen dr. Burck heeft gerapporteerd over het feit dat verdachte indertijd al voor de stoornis PTSS werd behandeld maar dat er restverschijnselen bleven bestaan, neemt de rechtbank de conclusie van dr. Burck over en maakt deze tot de hare.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat verdachte strafbaar is, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

Gelet op hetgeen de rechtbank onder 4.3 heeft overwogen met betrekking tot het verweer van verdachte dat hij lijdend is aan sekssomnia zodat geen sprake is van opzet en dat hij het onder 1 ten laste gelegde feit in zijn slaap heeft begaan, behoeft de rapportage van dr. H.L. Hamburger geen verdere bespreking in het kader van de toerekening

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen:

- een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarden:

* ambulante psychologische behandeling voor de PTSS;

* begeleiding door de reclassering.

- opheffing van de voorlopige hechtenis met ingang van de datum van het onherroepelijk worden van het vonnis.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor beide ten laste gelegde feiten.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting van zijn minderjarige dochter en aan ontucht met die dochter. Voor dergelijke ernstige aantastingen van de lichamelijke integriteit komt alleen een vrijheidsbenemende straf van lange duur in aanmerking.

Verdachte heeft door zijn handelen een normale en gezonde seksuele ontwikkeling, waar ieder kind recht op heeft, doorkruist. Verdachte heeft het vertrouwen dat kinderen in hun ouders mogen stellen ernstig beschaamd. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit vaak langdurige en ernstige schade kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid van het slachtoffer. Verdachte heeft bij dit alles kennelijk nimmer stilgestaan en heeft zijn eigen bevrediging vooropgesteld. Daarnaast heeft verdachte zijn dochter meermalen mishandeld.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank verder in het nadeel van verdachte meegewogen de mate waarin verdachte zich aan zijn verantwoordelijkheid heeft onttrokken en zelfs aan het slachtoffer een actieve rol heeft toegeschreven.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmaat voorts meegewogen dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde enigszins verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd en dat verdachte geen relevante documentatie heeft. Ten slotte weegt in lichte mate mee dat de verdachte in zijn laatste woord eindelijk de spijt lijkt te betuigen die de dader van een dergelijk feit past.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf op zichzelf recht doet aan de ernst van de feiten en maar dat de persoon van de verdachte aanleiding is de straf iets te verlagen.

Voor de zitting is een reclasseringsrapport niet meer tot stand gekomen.

Dr. Burck heeft contact gehad met de reclassering en adviseert de verdachte onder reclasseringstoezicht te stellen om de behandelvoornemens te realiseren, met welke voorlopige conclusie de reclassering zich op hoofdlijnen verenigt.

Gelet hierop en op het feit dat de verdachte in het verleden al contact heeft gehad met behandelinstellingen en, in het kader van de voorlopige hechtenis, met de reclassering acht de rechtbank het verantwoord ook zonder voorafgaande reclasseringsrapportage een voorwaardelijk strafdeel met na te noemen bijzondere voorwaarden op te leggen.

Voorlopige hechtenis

De rechtbank zal ambtshalve ex artikel 82 van het Wetboek van Strafvordering bij afzonderlijke beschikking de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte bevelen, nu zij de zaak na de terechtzitting in volle omvang heeft beoordeeld en mede daardoor tot een andere afweging van de maatschappelijke en persoonlijke belangen komt dan zij eerder op 17 januari 2011 heeft gedaan.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 55, 57, 242, 248, tweede lid, 249, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Feit 1: verkrachting en ontucht plegen met zijn minderjarig kind;

Feit 2: mishandeling, begaan tegen zijn kind, meermalen gepleegd

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd ambulant psychologisch laat behandelen voor zijn PTSS;

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Grapperhaus, voorzitter, mr. M.S. Koppert en mr. P.L.C.M. Ficq, rechters, in tegenwoordigheid van A. Heijboer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 12 september 2011.

De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature