< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

,Shaken baby’; voorwaardelijk opzet op dodelijk letsel door met kracht gooien en schudden van een baby van twee maanden oud.

Uitspraak



RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Promis II

Parketnummer : 05/900442-10

Datum zitting : 29 augustus 2011

Datum uitspraak : 12 september 2011

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum en -plaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

Raadsman : mr. S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat te Arnhem.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

dat zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 9 februari 2010 tot en met 6 april 2010 te Ede, in ieder geval in Nederland, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk haar zoon [slachtoffer], geboren op 9 februari 2010, van het leven te beroven, (telkens) opzettelijk die [slachtoffer] met kracht heen en weer heeft geschud en/of met

kracht in de wieg en/of op een bed en/of op een bank heeft gegooid en/of met kracht botsend geweld op het hoofd van die [slachtoffer] heeft uitgeoefend, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

dat zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 9 februari 2010 tot en met 6 april 2010 te Ede, in ieder geval in Nederland, haar kind, genaamd [slachtoffer], geboren op 9 februari 2010, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een dubbele schedelfractuur en/of een inwendige hersenbloeding) heeft toegebracht, door deze (telkens) opzettelijk met kracht heen en weer te schudden en/of met kracht in de wieg en/of op een bed en/of op een bank te gooien en/of met kracht botsend geweld op het hoofd van die [slachtoffer] uit te oefenen;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 29 augustus 2011 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte niet verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat te Arnhem.

De officier van justitie, mr. S.Z. Wiarda, heeft gerekwireerd.

De raadsman heeft het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad.

Feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

[slachtoffer] is geboren op 9 februari 2010. Op 4 april 2010 heeft verdachte in haar woning in Ede [slachtoffer] met kracht in zijn wiegje gegooid, met zijn hoofdje in de richting van het wiegje en de mobiel. Na de gooi stond de mobiel scheef, was het bevestigingsonderdeel van de mobiel afgebroken en waren de spijlen van het wiegje beschadigd op de plek waar de mobiel was bevestigd. Op 6 april 2010 heeft verdachte [slachtoffer] met kracht heen en weer geschud.

Standpunt van de officier van justitie

Het primair tenlastegelegde feit kan wettig en overtuigend bewezen worden. Verdachte heeft op 4 april 2010 [slachtoffer] zo hard in zijn wiegje gegooid dat de mobiel afbrak. Op 6 april 2010 heeft verdachte [slachtoffer] heen en weer geschud nadat hij slap werd tijdens het voeden. Daarop heeft verdachte [slachtoffer] op de bank gegooid. Daargelaten dat verdachte niet de bedoeling had [slachtoffer] te doden, zij had door zo te handelen wel het voorwaardelijk opzet dat [slachtoffer] dodelijk letsel aan de handelingen zou overhouden.

Standpunt van de verdediging

Verdachte dient te worden vrijgesproken van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag, want het voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] ontbreekt. De aanmerkelijke kans op het overlijden van [slachtoffer] blijkt immers onvoldoende uit het dossier. Indien die aanmerkelijke kans wel aanwezig is, dan blijkt onvoldoende uit het dossier dat verdachte zich hiervan bewust was en dat zij de dood van [slachtoffer] voor lief heeft genomen.

Verdachte dient eveneens te worden vrijgesproken van de subsidiair tenlastegelegde zware mishandeling. Gelet op de stukken die zich thans in het dossier bevinden, blijkt in onvoldoende mate van zekerheid hoe en wanneer het letsel van [slachtoffer] is ontstaan. Daardoor staat ook allerminst vast dat [slachtoffer] zijn letsel heeft bekomen door handelingen van verdachte.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van het bewijs

Dat verdachte op 6 april 2010 [slachtoffer] heen en weer heeft geschud, vindt steun in de aangifte en de inhoud van de presentatie van dhr. R. Bilo van het Nederlands Forensisch Instituut. Zowel de vertrouwensarts van het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling als dhr. R. Bilo , hebben uit de medische gegevens van [slachtoffer] afgeleid dat artsen bij [slachtoffer] subdurale bloedingen in zijn hersenen hebben geconstateerd. Dit letsel duidt volgens dhr. R. Bilo mogelijk op een schudtrauma. Nu bij [slachtoffer] dit letsel is geconstateerd en verdachte heeft verklaard dat zij [slachtoffer] met kracht heen en weer heeft geschud, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte deze handeling heeft verricht. Dat het dossier geen definitieve medische gegevens van de behandelende artsen bevat, doet aan dit oordeel niet af.

Zoals onder de feiten overwogen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] op 4 april 2010 in zijn wiegje heeft gegooid, nu verdachte dit zelf heeft verklaard en haar verklaring wordt ondersteund door de geconstateerde schade aan de mobiel en het wiegje.

Ten aanzien van het opzet

Het is een feit van algemene bekendheid dat een baby van twee maanden oud kwetsbaar is.

Zelfs bij het oppakken en in de omgang met een baby is uiterste voorzichtigheid geboden. Met het met kracht gooien en schudden heeft verdachte op een voor iedereen kenbare wijze, in strijd met deze behoedzaamheid gehandeld. Deze handelingen konden gemakkelijk leiden tot ernstig letsel aan het hoofd en de nek, en zelfs tot de dood van [slachtoffer].

Naar het oordeel van de rechtbank kan het met kracht gooien van [slachtoffer] in het wiegje door verdachte en het met kracht heen en weer schudden van [slachtoffer], in het bijzonder gelet op de aard van deze gedragingen, naar hun uiterlijke verschijningsvormen worden beschouwd als zo zeer te zijn gericht op het toebrengen van dodelijk letsel van [slachtoffer], dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg ook heeft aanvaard. Tevens komt uit het dossier onvoldoende naar voren dat verdachte ten tijde van het gooien in een wieg een black-out had en dat zij in een dusdanige paniek was toen zij [slachtoffer] heen en weer schudde dat zij de zo voor de hand liggende risico’s van dit handelen in het geheel niet kon overzien. Enkel verdachte heeft over deze omstandigheden verklaard.

De verweren dat er geen aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] aanwezig was en dat verdachte zich hiervan niet bewust was worden op grond van het vorenstaande verworpen.

Dat verdachte de dood van [slachtoffer] in tweede instantie niet voor lief heeft genomen, omdat zij na het heen en weer schudden van [slachtoffer] de hulpdiensten heeft gebeld en hem heeft gereanimeerd, doet aan het voorwaardelijke opzet van verdachte, ten tijde van de daaraan voorafgaande handelingen – het gooien en het schudden – niet af. Ook dat verweer wordt verworpen.

Conclusie

Alles overwegend, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte, door [slachtoffer] in zijn wiegje te gooien en hem heen en weer te schudden, het primair tenlastegelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

zij op tijdstippen in de periode van 4 april 2010 tot en met 6 april 2010 te Ede, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk haar zoon [slachtoffer], geboren op 9 februari 2010, van het leven te beroven, telkens opzettelijk die [slachtoffer] met kracht heen en weer heeft geschud of met kracht in de wieg heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Poging tot doodslag, meermalen gepleegd

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met de bijzondere voorwaarden zoals opgenomen in het reclasseringsrapport van 30 maart 2011, inhoudende een meldingsgebod en een behandelverplichting. De officier van justitie legt aan haar strafeis ten grondslag dat sprake is van een zeer ernstig feit. Het feit kan echter in verminderde mate aan verdachte worden toegerekend. Zij acht het oordeel uit de rapportages dat aan verdachte geen gevangenisstraf opgelegd zou moeten worden, onvoldoende onderbouwd. Er zijn immers verschillende settings binnen het gevangeniswezen mogelijk zodat voldoende rekening gehouden kan worden met de problematiek van verdachte. De rapportages laten wel voldoende zien dat verdachte gebaat is bij een behandeling.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte een bewezenverklaring zonder oplegging van straf of maatregel, opgelegd dient te worden. Verdachte kampte tijdens en na het bewezenverklaarde met de nodige problemen, zowel geestelijk als in haar omgeving. Zij zal de thans ingezette behandeling ook zonder verplicht kader voortzetten. En de rapportages laten zien dat het recidivegevaar laag is en dat verdachte zich moeilijk zou kunnen handhaven in detentie.

Beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Daarbij is onder meer gelet op:

- de justitiële documentatie betreffende verdachte van 26 juli 2011;

- een reclasseringsadvies, opgemaakt door Reclassering Nederland, van 30 maart 2011;

- een Pro Justitiarapport van psychologisch onderzoek, opgemaakt door P.K. Kristensen, gezondheidspsycholoog, van 16 februari 2011;

- een Pro Justitiarapport van psychiatrisch onderzoek, opgemaakt door drs. E.L.G. Heinsman-Carlier, psychiater, van 5 oktober 2010.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op haar zoontje van twee maanden oud. Verdachte had zich niet meer in de hand toen haar zoontje al enige tijd lag te huilen. Daarop heeft ze hem met kracht in zijn wiegje, tegen de mobiel, gegooid. Daags daarna, toen haar zoontje slap werd tijdens het voeden, heeft zij hem met kracht heen en weer geschud..

In de over verdachte opgemaakte rapportages concluderen beide deskundigen dat verdachte ten tijde van deze handelingen kampte met een zeer ernstige depressie. Zij oordelen dan ook dat het strafbare feit in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend. De rechtbank neemt deze conclusies over en maakt deze tot de hare. Dit onderstreept ook de verklaring van verdachte dat ze niet handelde uit boosheid maar uit onmacht.

De rechtbank zal in het voordeel van verdachte rekening houden met deze verminderde toerekeningsvatbaarheid, de omstandigheid dat verdachte niet meer voor haar zoontje mag zorgen en haar blanco strafrechtelijke documentatie. Vooral de omstandigheid dat haar zoontje voorlopig zal opgroeien bij verdachtes zus, zal voor verdachte zeer belastend zijn.

Ondanks deze verzachtende omstandigheden is de rechtbank wel van oordeel dat er sprake is van een zeer ernstig feit. Verdachte heeft door haar onbeheerst handelen haar pasgeboren zoontje blootgesteld aan een enorm risico, te weten letsel dat dodelijk had kunnen zijn en dat wellicht blijvend is. Uit de stukken blijkt dat het letsel van het kindje thans meevalt, maar dat in toekomst moet blijken of het kindje hinder zal ondervinden. Ook deze onzekerheid zal verdachte haar hele leven met zich moeten dragen.

De ernst van het feit brengt met zich dat aan verdachte een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd moet worden. De rechtbank acht, in tegenstelling tot de officier van justitie, de oordelen van de deskundigen en de reclassering dat verdachte zich zeer moeilijk zal kunnen handhaven binnen het gevangeniswezen en dat zij en haar zoontje veel baat hebben bij de thans ingezette behandeling, afdoende onderbouwd. Daarom zal de rechtbank in afwijking van de eis, alleen de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht onvoorwaardelijk opleggen en daarnaast een voorwaardelijk deel van zes maanden. De rechtbank acht voldoende termen aanwezig om aan het voorwaardelijke strafdeel de bijzondere voorwaarden zoals verwoord in het reclasseringsrapport op te leggen. De rechtbank acht daarbij tevens passend en geboden dat aan verdachte tevens een werkstraf van de maximale duur wordt opgelegd.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14 a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 191 (honderdeenennegentig) dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 180 (honderdtachtig) dagen niet tenuitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit dan wel navolgende bijzondere voorwaarde niet is nagekomen:

Meldingsgebod:

Veroordeelde moet zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering haar geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Daartoe moet de veroordeelde door gaan met de meldcontacten, zoals die zijn afgesproken in het schorsingstoezicht bij Reclassering Unit Arnhem. Vervolgens moet zij zich gedurende door Reclassering Unit Arnhem bepaalde periode blijven melden zo frequent als Reclassering Unit Arnhem gedurende deze perioden nodig acht.

Behandelverplichting:

Gezien de directe samenhang van de depressieve stoornis, de dystyme stoornis, de posttraumatische stressstoornis alsmede haar vermijdende trekken met het criminele gedragen van veroordeelde wordt zij verplicht om zich hiervoor te laten behandelen bij de Geestelijke Gezondheidszorg de Gelderse Roos te Ede en als op termijn door de toezichthouder een aanvullende behandeling noodzakelijk wordt geacht bij Forensische Psychiatrische Polikliniek Kairos.

Geeft opdracht aan Reclassering Nederland om aan veroordeelde bij de naleving van voornoemde voorwaarde hulp en steun te verlenen.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoer ¬legging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

En voorts tot:

het verrichten van een werkstraf gedurende 240 (tweehonderdveertig) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen 1 (één) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens haar vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat zij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 120 (honderdtwintig) dagen.

Heft op het geschorste bevel voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door:

mr. T.P.E.E. van Groeningen (voorzitter), mr. E. de Boer en mr. B.F.M. Klappe, in tegenwoordigheid van mr. S.P.H. Brinkman, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 september 2011.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature