< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Leerlingenvervoer, dichtstbijzijnde toegankelijke school, hardheidsclausule.

De voorzieningenrechter is met verweerder van oordeel dat het Zwijssen College te Veghel als de dichtstbijzijnde toegankelijke school dient te worden aangemerkt. De omstandigheid dat het Zwijssen College er vervolgens voor heeft gekozen om de leerling, gelet op zijn cluster 4 indicatie en gelet op het feit dat op Den Bongerd specialistische leerwegondersteuning wordt aangeboden, (vooralsnog) te plaatsen in een ASS-klas op het Hooghuislyceum, locatie Den Bongerd, te Oss, maakt niet dat het Zwijssen College niet als toegankelijk kan worden aangemerkt. Uit artikel 1, aanhef en onder onder k, van de Verordening volgt immers dat in dat kader enkel rekening wordt gehouden met bezwaren tegen de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijk richting.

Verweerder zal, in het kader van de vraag of sprake is van bijzondere omstandigheden die nopen tot het toepassen van de hardheidsclausule, bij de heroverweging in de bezwaarfase, alsnog een op de individuele situatie van de zoon van verzoekster toegesneden beoordeling dienen uit te voeren.

Desondanks ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen, omdat onvoldoende is gebleken dat verzoekster niet in staat is om gedurende de bezwaarfase zelf voor (de bekostiging van) het vervoer van de leerling naar Den Bongerd en vice versa zorg te dragen.

Uitspraak



RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11/2386

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 september 2011

inzake

[verzoekster],

te Erp,

verzoekster,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veghel,

verweerder,

gemachtigde mr. L.A. Muller.

Procesverloop

Bij besluit van 7 juli 2011 heeft verweerder de aanvraag van verzoekster voor (vergoeding van) aangepast leerlingenvervoer ten behoeve van haar zoon[de leerling], naar de school voor voortgezet onderwijs Den Bongerd in Oss, afgewezen.

Tegen dit besluit heeft verzoekster een bezwaarschrift ingediend.

Bij brief van 18 juli 2011 heeft verzoekster tevens de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 23 augustus 2011 waar verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar [zus]. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Tot het treffen van een voorlopige voorziening zal in het algemeen slechts aanleiding bestaan, indien het bestreden besluit in de bodemprocedure naar voorlopig oordeel geen stand zal kunnen houden, terwijl tevens voldoende spoedeisend belang aanwezig is.

3. Bij twijfel omtrent de rechtmatigheid van het in geding zijnde besluit zal dienen te worden bezien of na afweging van de betrokken belangen grond bestaat voor het treffen van een voorziening. Daarbij dient het belang van de indiener van het verzoek om een voorlopige voorziening te worden afgewogen tegen het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

4. Voor zover de toetsing aan dit criterium meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld heeft dit oordeel een voorlopig karakter en is dit niet bindend voor de beslissing in die procedure.

5. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat Den Bongerd een school voor regulier voortgezet onderwijs is en dat er geen zorgplicht bestaat in het kader van het leerlingenvervoer voor deze vorm van onderwijs. Voorts is volgens verweerder geen sprake van een bijzonder geval dat noopt tot afwijking van de Verordening Leerlingenvervoer gemeente Veghel 2002 (hierna: de Verordening). In de Beleidsregel Verordening Leerlingenvervoer gemeente Veghel 2002 van 9 juni 2011 (hierna: de Beleidsregel) is vastgesteld dat leerlingen in sommige gevallen in afwijking van de Verordening toch een vergoeding kunnen krijgen voor aangepast vervoer. Deze regeling geldt echter niet voor de zoon van verzoekster, aangezien het hier een nieuwe aanvraag betreft zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, van de Beleidsregel.

6. Verzoekster heeft in het kader van de voorlopige voorziening – kort weergegeven – aangevoerd dat verweerder op grond van artikel 4 van de Wet op het voorgezet onderwijs (hierna: Wvo) een zorgplicht heeft voor alle vormen van voortgezet onderwijs voor zover de leerling vanwege zijn handicap niet zelfstandig van het openbaar gebruik kan maken. Het besluit is onvoldoende gemotiveerd nu verweerder (ten onrechte) aangeeft dat er geen zorgplicht bestaat en ook niet motiveert waarom hij meent dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden. Verzoekster is van mening dat titel 6 van de Verordening op haar zoon van toepassing is. Verzoekster heeft ter onderbouwing van deze stelling verschillende stukken overgelegd. Verder heeft [de leerling] op grond van artikel 25 van de Verordening recht op aangepast vervoer. Den Bongerd is voor [de leerling] de dichtstbijzijnde toegankelijke school. Er zijn geen dichterbij gelegen scholen voor speciaal onderwijs die een havo/vwo klas hebben. Tot slot doet verzoekster een beroep op de hardheidclausule.

7. Het wettelijk kader luidt als volgt.

8. Ingevolge artikel 4, van de Wvo verstrekt verweerder aan ouders, voogden of verzorgers van in de gemeente verblijvende leerlingen die wegens hun lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, dan wel vanwege een zodanige handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken, op aanvraag bekostiging van de door burgemeester en wethouders noodzakelijk te achten vervoerskosten.

Ingevolge het vierde lid voorziet de regeling erin dat het vervoer kan plaatsvinden op een wijze die voor de leerling passend is.

9. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder k., van de Verordening, wordt onder toegankelijke school verstaan:

- voor het (voortgezet) speciaal onderwijs en scholen voor voortgezet onderwijs: de school van de soort waarop de leerling is aangewezen van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting, dan wel de openbare school van de soort waarop de leerling is aangewezen.

10. Artikel 3, eerste lid, van de Verordening luidt, voor zover thans van belang:

Bekostiging van de vervoerskosten wordt toegekend over de afstand tussen de woning dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, tenzij (...).

11. Artikel 24, eerste lid, van de Verordening luidt:

Het college verstrekt bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer met begeleiding aan de ouders van de leerling die een basisschool, speciale school voor basisonderwijs of een school voor voortgezet onderwijs bezoekt en vanwege een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken. Ten aanzien van een leerling van een speciale school voor basisonderwijs neemt het college artikel 9 in acht.

12. Artikel 25, eerste lid, van de Verordening luidt:

Het college verstrekt bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer aan de ouders van een leerling die een basisschool, speciale school voor basisonderwijs of een school voor voortgezet onderwijs bezoekt, indien

a. de leerling, naar het oordeel van het college, gelet op zijn lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap niet in staat is – ook niet onder begeleiding – van openbaar vervoer gebruik te maken. Ten aanzien van een leerling van een speciale school voor basisonderwijs neemt het college artikel 9 in acht:

b. aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 24 en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school en terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht, of:

c. aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 24 en openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van het college al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets, dan wel zelfstandig gebruik kan maken van het vervoer per bromfiets.

13. Artikel 28 van de Verordening luidt:

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de ouders afwijken van de bepalingen in deze verordening, zo nodig na advies te hebben gevraagd aan de permanente commissie leerlingenzorg, de commissie voor de begeleiding, de regionale verwijzingscommissie of andere deskundigen.

14. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

15. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder aangegeven dat het standpunt zoals weergegeven in het primaire besluit van 7 juli 2011 wordt verlaten. Verweerder stelt zich echter desalniettemin op het standpunt dat de door verzoekster aangevraagde voorziening voor aangepast vervoer naar Den Bongerd te Oss dient te worden afgewezen. Verweerder is namelijk van oordeel dat het Zwijssen College te Veghel als dichtstbijzijnde toegankelijke school dient te worden aangemerkt.

16. Tussen partijen is niet in geschil dat zowel het Zwijssen College als Den Bongerd dienen te worden aangemerkt als reguliere scholen voor voortgezet onderwijs.

17. De voorzieningenrechter is met verweerder van oordeel dat het Zwijssen College te Veghel als de dichtstbijzijnde toegankelijke school dient te worden aangemerkt. Ten aanzien van [de leerling] is geoordeeld dat een Havo/Vwo profiel het meest passend is. Het Zwijssen College biedt onderwijs op dat niveau aan. Voorts blijkt uit de door verzoekster overgelegde brief van 26 april 2011, van het Zwijssen College dat [de leerling] daar is aangenomen. De omstandigheid dat het Zwijssen College er vervolgens voor heeft gekozen om [de leerling], gelet op zijn cluster 4 indicatie en gelet op het feit dat op Den Bongerd specialistische leerwegondersteuning wordt aangeboden, (vooralsnog) te plaatsen in een ASS-klas op het Hooghuislyceum, locatie Den Bongerd, te Oss, maakt niet dat het Zwijssen College niet als toegankelijk kan worden aangemerkt. Uit artikel 1, aanhef en onder onder k, van de Verordening volgt immers dat in dat kader enkel rekening wordt gehouden met bezwaren tegen de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijk richting.

18. Het voorgaande laat echter onverlet dat verweerder in voorkomende gevallen bevoegd is de hardheidsclausule zoals neergelegd in artikel 28 van de Verordening toe te passen. De gemachtigde van verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de hardheidsclausule in het onderhavige geval geen toepassing kan vinden, omdat de reden van afwijzing niet is gelegen in feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de persoonlijke omstandigheden van [de leerling]. Volgens verweerder betreft het hier een bepaalde categorie van gevallen, waarbij de situatie van [de leerling] niet afwijkt van de andere gevallen binnen deze categorie.

19. Naar het oordeel van de voorzieningrechter kan deze redenering van verweerder niet worden gevolgd. Verweerder zal, in het kader van de vraag of sprake is van bijzondere omstandigheden die nopen tot het toepassen van de hardheidsclausule, bij de heroverweging in de bezwaarfase, alsnog een op de individuele situatie van [de leerling] toegesneden beoordeling dienen uit te voeren. Daarbij zal verweerder in ieder geval dienen te betrekken het feit dat [de leerling] een Cluster 4 indicatie heeft, de ambulante begeleider een Havo/Vwo klas adviseert, hij door het Zwijssen College is aangenomen maar in een ASS-klas is geplaatst op Den Bongerd in Oss, de dichterbij gelegen school voor speciaal voortgezet onderwijs, de Rietlanden, geen onderwijs aanbiedt op het niveau van [de leerling] en de dichtstbijzijnde school voor speciaal voortgezet onderwijs met een Havo/Vwo klas verder van het woonadres van [de leerling] is gelegen dan Den Bongerd in Oss.

20. Gelet op deze heroverweging valt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet op voorhand uit te sluiten dat verweerders weigering tot bekostiging van aangepast vervoer in bezwaar zal moeten worden herroepen. Desondanks ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen, omdat onvoldoende is gebleken dat verzoekster niet in staat is om gedurende de bezwaarfase zelf voor (de bekostiging van) het vervoer van [de leerling] naar Den Bongerd en vice versa zorg te dragen.

21. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt derhalve afgewezen.

De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding één der partijen te veroordelen in de proceskosten.

22. Wel acht de voorzieningenrechter termen aanwezig om te bepalen dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht van € 152,00 dient te vergoeden.

23. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af;

- bepaalt dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht van € 152,00 dient te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. E.M. de Stigter als voorzieningenrechter in tegenwoordigheid van mr. C.G.M. Otag-Kosman als griffier en in het openbaar uitgesproken op 6 september 2011.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschriften verzonden:


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature