< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Arubaanse zaak. Betreft OM appel tegen afwijzing vordering tot het afgeven van een bevel gevangenhouding. Volgens het Hof is er in dit geval waarin het zou gaan om belastingfraude geen sprake van een geschokte, laat staan een ernstig geschokte rechtsorde. Dat voor het vermoedelijk begane feit een gevangenisstraf van 6 jaar of meer kan worden opgelegd, betekent niet dat een zodanig bevel moet worden afgegeven. Beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak



Beschikking no. 13 van 2011.

Datum beschikking: 20 juli 2011.

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN ARUBA,

CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE,

SINT EUSTATIUS EN SABA

B E S C H I K K I N G

gegeven in het hoger beroep zijdens het Openbaar Ministerie ingesteld tegen de beslissing van de rechter-commissaris van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 4 juli 2011 in de strafzaak met parketnummer P-2011/04877 tegen:

[verdachte],

geboren te Canada, wonende in Aruba,

wiens raadsman is mr Chr. Lejuez.

1. Het onderzoek van de zaak

1.1 Deze beschikking is gegeven naar aanleiding van de behandeling van het beroep in raadkamer op 13 juli 2011. Verschenen zijn de procureur-generaal, de verdachte en diens raadsman.

2. Het procesverloop

2.1 Bij bestreden beschikking van 4 juli 2011 heeft de rechter-commissaris de vordering van het Openbaar Ministerie tot gevangenhouding van verdachte afgewezen.

2.2 Het Openbaar Ministerie is tijdig bij akte op 5 juli 2011 van die beslissing in hoger beroep gekomen.

3. De gronden van het beroep

3.1 Volgens het Openbaar Ministerie is de vordering tot het geven van een bevel tot gevangenhouding van verdachte ten onrechte door de rechter-commissaris afgewezen. Daartoe heeft het Openbaar Ministerie aangevoerd dat er voldoende ernstige bezwaren bestaan tegen de verdachte ter zake van de hem verweten strafbare feiten en dat er gronden zijn die een bevel tot gevangenhouding rechtvaardigen.

Als gronden voor het bevelen van de gevangenhouding heeft het Openbaar Ministerie aangevoerd dat door het plegen van de strafbare feiten de rechtsorde ernstig is geschokt en dat er voor het strafbare feit witwassen meer dan 6 jaar gevangenisstraf kan worden opgelegd. Daar komt bij dat, aldus het Openbaar Ministerie, ook de rechtsgelijkheid een rol speelt, aangezien in andere gevallen van witteboordencriminaliteit in het verleden voorlopige hechtenis is bevolen.

3.2 De verdachte heeft betoogd dat de door hem begane feiten in het geheel niet hebben geleid tot een ernstig geschokte rechtsorde. Eerder is het omgekeerde het geval. Juist het feit dat verdachte in bewaring is genomen voor door hem gepleegde belastingfraude heeft binnen de samenleving geleid tot verontwaardiging en daarmee tot een geschokte rechtsorde. De enkele omstandigheid dat voor ‘witwassen’ een gevangenisstraf van zes jaar kan worden opgelegd, is volgens verdachte onvoldoende grond voor het geven van een bevel tot voorlopige hechtenis. Bovendien is het strafrechtelijk vervolgen van belastingfraude nieuw in Aruba, zodat nog helemaal niet vaststaat dat daadwerkelijk een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf zal worden opgelegd. De rechtspraak in Nederland op dit punt is niet zonder meer maatgevend. Daar komt bij dat verdachte de door het Openbaar Ministerie gestelde omvang van de belastingfraude betwist en dat hij voornemens is een regeling te treffen met de fiscus omtrent het alsnog afdragen van belastingen, zodat ook om die reden niet zonder meer kan worden aangenomen dat de hem verweten strafbare gedragingen leiden tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Daarmee staat artikel 101 lid 3 van het Wetboek van strafvordering aan het toepassen van voorlopige hechtenis in de weg, aldus verdachte.

4. De beoordeling

4.1 Volgens het Openbaar Ministerie volgt uit de omvang van de belastingfraude die verdachte heeft gepleegd, welke omvang door het Openbaar Ministerie vooralsnog wordt berekend op een bedrag tussen de 10 en 14 miljoen florin, dat er sprake is van een zodanig geschokte rechtsorde dat een bevel tot voorlopige hechtenis is gerechtvaardigd. Naar het oordeel van het Hof kan in zijn algemeenheid echter niet worden gesteld dat belastingfraude, ook niet indien zij de omvang heeft zoals door het Openbaar Ministerie vooralsnog in onderhavige zaak is berekend, zonder meer leidt tot

een zodanige maatschappelijke onrust binnen de Arubaanse samenleving dat kan worden geoordeeld dat de rechtsorde door een dergelijke fraude altijd dermate ernstig wordt geschokt dat een bevel tot voorlopige hechtenis bij dergelijke fraude op zijn plaats is. Het Hof betrekt in die overweging de omstandigheid dat, zoals ter zitting is gebleken, belastingfraude zoals die thans aan verdachte wordt verweten tot voor kort niet door het Openbaar Ministerie werd vervolgd en kennelijk, zo begrijpt het Hof, hooguit in de fiscale sfeer werd afgedaan. In dat licht valt, zonder nadere toelichting, niet te begrijpen waarom thans, nu het Openbaar Ministerie heeft besloten dergelijke belastingfraude strafrechtelijk te gaan vervolgen, die fraude als zodanig ernstig moet worden getypeerd dat in geval van ontdekking van een dergelijke fraude er in zijn algemeenheid sprake zou zijn van een zodanig geschokte rechtsorde op grond waarvan het geven van een bevel tot voorlopige hechtenis gerechtvaardigd is.

4.2 Voorts is het Hof in deze concrete strafzaak, ondanks de ruchtbaarheid die daaraan mede door het Openbaar Ministerie in de media is gegeven, niet gebleken van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat door die zaak de rechtsorde zodanig is geschokt dat de maatregel van voorlopige hechtenis is gerechtvaardigd dan wel is geboden.

4.3 Uit het bovenstaande volgt derhalve dat het Hof, anders dan door het Openbaar Ministerie is betoogd, van oordeel is dat er geen sprake is van een geschokte, laat staan een ernstig geschokte, rechtsorde zodat dat ook geen grond oplevert voor het geven van een bevel tot gevangenhouding.

4.4 Met betrekking tot het aan de verdachte verweten feit van witwassen geldt dat het Openbaar Ministerie heeft aangevoerd dat de omstandigheid dat voor dat feit een tijdelijke gevangenisstraf van zes jaar of meer kan worden opgelegd, voldoende grond is voor het geven van een bevel tot gevangenhouding. Hieromtrent overweegt het Hof als volgt.

4.5 Het Hof stelt voorop dat artikel 101 lid 1 en lid 2 van het Wetboek van Strafvordering Aruba het in beginsel mogelijk maakt om tegen een verdachte jegens wie ernstige bezwaren bestaan dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit een bevel tot voorlopige hechtenis te bevelen op de enkele grond dat wegens het vermoedelijk begane feit een gevangenisstraf van 6 jaar of meer kan worden opgelegd. De wet schrijft echter niet dwingend voor dat in een dergelijk geval een zodanig bevel moet worden gegeven. Uit het bijzondere karakter van de voorlopige hechtenis als dwangmiddel, die het mogelijk maakt dat de verdachte zijn vrijheid wordt ontnomen voordat de strafrechter onherroepelijk een straf heeft opgelegd, volgt naar het oordeel van het Hof dat van de bevoegdheid tot het geven van een bevel tot voorlopige hechtenis terughoudend gebruik dient te worden gemaakt in die gevallen dat er geen andere grond is voor het verlenen van een bevel tot gevangenhouding dan de omstandigheid dat voor de strafbare gedraging een gevangenisstraf van meer dan 6 jaar kan worden opgelegd. Dit is in lijn met eerdere rechtspraak van dit Hof (zie onder meer de uitspraak van dit Hof van 27 oktober 2010, LJN: BO3013).

4.6 Naar het oordeel van het Hof is, in het licht van het vorenstaande, voor het geven van een bevel tot voorlopige hechtenis in die gevallen dat er geen andere grond is dan de omstandigheid dat een gevangenisstraf van meer dan zes jaren kan worden opgelegd, slechts plaats indien de aard dan wel de ernst van de concrete aan de verdachte verweten gedraging dat rechtvaardigt. Dat zal zich onder meer kunnen voordoen indien de verweten gedraging, zonder dat daarbij sprake hoeft te zijn van een geschokte rechtsorde, gevoelens van onveiligheid, onzekerheid of onrust veroorzaakt in (delen van) de samenleving. Daarvan is geen sprake met betrekking tot het verwijt aan verdachte dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het witwassen van het voordeel dat hij heeft verkregen van de door hemzelf gepleegde belastingfraude. Het is inherent aan de aan verdachte verweten belastingfraude, welk strafbaar feit op zichzelf geen grond oplevert voor het toepassen van voorlopige hechtenis, dat hij zich tevens (als dat strafbare feit bewezen wordt) schuldig heeft gemaakt aan het strafbare feit van witwassen, zoals omschreven in artikel 430b van het Wetboek van Strafrecht en waarvoor wel een gevangenisstraf van zes jaar kan worden opgelegd. Dat de aan verdachte verweten belastingfraude tevens kan worden gekwalificeerd als witwassen, brengt op zichzelf echter niet mee dat de aard van de gedragingen daardoor zodanig anders moeten worden beoordeeld dat een bevel tot voorlopige hechtenis gerechtvaardigd is. Ook voor het overige is niet gebleken van feiten en/of omstandigheden die leiden tot het oordeel dat het verwijt van witwassen in de samenleving zodanige gevoelens van onveiligheid of onrust hebben veroorzaakt dat een bevel tot voorlopige hechtenis op zijn plaats is. Daaruit volgt dat de omstandigheid dat voor witwassen een gevangenisstraf van zes jaar kan worden opgelegd, in dit geval onvoldoende grond is voor het verlenen van een bevel tot voorlopige hechtenis.

4.7 Het beroep dat zijdens het Openbaar Ministerie op de rechtsgelijkheid is gedaan, leidt niet tot een ander oordeel. De strafzaken waarnaar het Openbaar Ministerie in dit verband heeft verwezen, betreffen geen belastingfraude maar verduistering en creditcardfraude. Dat deze strafbare gedragingen, evenals de door verdachte gepleegde belastingfraude, volgens het Openbaar Ministerie onder de gezamenlijke noemer van witteboordencriminaliteit kunnen worden geschaard, neemt niet weg dat belastingfraude qua aard een wezenlijk ander strafbaar feit is dan verduistering en creditcardfraude. Zij leiden dan ook tot andere reacties in de samenleving en kunnen in het kader van de beoordeling van de vraag of een bevel tot voorlopige hechtenis gerechtvaardigd is niet als gelijksoortige zaken worden beschouwd.

4.8 Dat, tot slot, het Openbaar Ministerie niet kan uitleggen waarom in dit geval voorlopige hechtenis niet wordt toegepast en in heel veel andere gevallen wel, zoals door het Openbaar Ministerie is betoogd, vormt geen grond voor het geven van een bevel tot gevangenhouding.

4.9 Uit het bovenstaande volgt dat er geen gronden zijn die het geven van een bevel tot gevangenhouding van de verdachte rechtvaardigen, zodat het beroep ongegrond is en de bestreden beschikking in stand dient te blijven. Al het overige dat zijdens het Openbaar Ministerie en de verdachte is aangevoerd, behoeft verder geen bespreking.

5. De beslissing

Het Hof,

verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de bestreden beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mrs J.J. Verhoeven, A.H.M. van de Leur en M. Schoemaker, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba op 20 juli 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g.

J.J. Verhoeven

A.H. M. van de Leur

M. Schoemaker

w.g.

M.J. Kelly

voor afschrift,

de griffier,


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature