Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 3 februari 2010 heeft het LBIO het verzoek van [appellante] om buiten invorderingstelling van de ouderbijdrage afgewezen.

Uitspraak



201101725/1/H2.

Datum uitspraak: 31 augustus 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 23 december 2010 in zaak nr. 10/339 in het geding tussen:

[appellante]

en

Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (hierna: het LBIO).

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 februari 2010 heeft het LBIO het verzoek van [appellante] om buiten invorderingstelling van de ouderbijdrage afgewezen.

Bij besluit van 24 maart 2010 heeft het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 december 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 februari 2011, hoger beroep ingesteld.

Het LBIO heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting van 12 augustus 2011 aan de orde gesteld. Partijen zijn niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 73a van de Wet op de jeugdzorg (hierna: de Wjz) kan het LBIO in bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevallen bepalen dat de verschuldigde ouderbijdrage buiten invordering wordt gesteld.

Ingevolge artikel 71b van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg (hierna: het Uitvoeringsbesluit) kan LBIO de verschuldigde ouderbijdrage slechts buiten invordering stellen indien het betreft een bijdrageplichtige die:

a. algemene bijstand ontvangt op grond van artikel 20, eerste lid, onder a, artikel 21, onder a, of artikel 23, eerste lid, onder a, van de Wet werk en bijstand (hierna: de Wwb);

b. een verstrekking ontvangt als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorie ën vreemdelingen 2005 en geen ander inkomen heeft;

c. zak- en kleedgeld ontvangt op grond van artikel 41 van het Reglement verpleging ter beschikking gestelden of;

d. rechtens zijn vrijheid is ontnomen en de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel plaatsvindt in een penitentiaire inrichting, in een inrichting voor de verpleging van ter beschikking gestelden, in een inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet justiti ële jeugdinrichtingen of in een psychiatrisch ziekenhuis als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder h, van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen en geen inkomen heeft.

2.2. [appellante] heeft op 29 januari 2010 verzocht om buiten invorderingstelling van de ouderbijdrage omdat zij een uitkering ontvangt krachtens de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: de WAO) van netto € 881,75 per maand en zij daardoor de ouderbijdrage niet kan betalen. Bij besluit van 3 februari 2010, gehandhaafd bij het besluit op bezwaar van 24 maart 2010, heeft het LBIO dit verzoek afgewezen.

2.3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het LBIO het verzoek om buiten invorderingstelling terecht heeft afgewezen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het LBIO zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat artikel 73a van de Wjz geen ruimte laat om naast de categorie ën van artikel 71b van het Uitvoeringsbesluit tot buiten invorderingstelling over te gaan. Het LBIO heeft afdoende gemotiveerd dat artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) niet is geschonden, aldus de rechtbank.

2.4. Niet in geschil is dat de WAO-uitkering van [appellante] niet is genoemd in artikel 71b, aanhef en onder a, van het Uitvoeringsbesluit en dat zij ook voor het overige niet voldoet aan artikel 71b van het Uitvoeringsbesluit.

2.5. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het LBIO afdoende heeft gemotiveerd dat het recht op eerbiediging van het gezinsleven, neergelegd in artikel 8 van het EVRM niet is geschonden. Zij voert daartoe aan dat de rechtbank heeft miskend dat het LBIO in het besluit op bezwaar ten onrechte niet is ingegaan op de door haar naar voren gebrachte omstandigheden en dat het LBIO ten onrechte heeft verwezen naar de uitspraken van de Afdeling van 3 februari 2010, in zaak nr. 200904572/1/H2 en van 15 juli 2009, in zaak nr. 200806958/1/H2, omdat die uitspraken niet zien op dezelfde omstandigheden, aldus [appellante].

2.5.1. [appellante] betoogt terecht dat de omstandigheden van bovengenoemde uitspraken verschillen van de omstandigheden waarin zij verkeert. In zoverre heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het LBIO ter motivering van het standpunt dat artikel 8 van het EVRM niet is geschonden terecht heeft verwezen naar deze uitspraken. Dit leidt evenwel niet tot het door [appellante] beoogde doel. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het LBIO in de door [appellante] naar voren gebrachte omstandigheden geen aanleiding hoefde te zien om in afwijking van artikel 73a van de Wjz alsnog over te gaan op het buiten invordering stellen van de ouderbijdrage, en dat het LBIO zijn standpunt op dit punt alsnog afdoende heeft gemotiveerd. Zo de omstandigheid dat [appellante] door de opgelegde ouderbijdrage van € 63,78 per maand haar zoon niet langer kan bezoeken en geen cadeautjes voor hem kan kopen al als een inmenging in haar gezinsleven zou moeten worden aangemerkt, is deze bij wet voorzien en kan zij noodzakelijk worden geacht in het belang van de bescherming van het economisch welzijn van het land, nu de opgelegde ouderbijdrage strekt tot rechtmatige en gerechtvaardigde verdeling van publieke middelen. De ouderbijdrage is, mede gelet op de hoogte, het resultaat van een "fair balance" tussen het algemeen belang bij de bescherming van het economisch welzijn van het land en het belang van [appellante]. Het betoog faalt.

2.6. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op de door haar naar voren gebrachte grond, dat de afwijzing van het verzoek om buiten invorderingstelling van de ouderbijdrage in strijd is met het in de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: het IVBPR) neergelegde discriminatieverbod. Het LBIO maakt een verboden onderscheid als bedoeld in deze bepalingen, nu het bijstandsgerechtigden wel in aanmerking brengt voor het buiten invordering stellen van de ouderbijdrage, terwijl haar inkomens- en vermogenspositie gelijk is aan die van een bijstandsgerechtigde. Dat bij bijstandsgerechtigden op voorhand reeds vaststaat dat zij de onderhoudsbijdrage niet kunnen voldoen, is geen objectieve rechtvaardigingsgrond. Het LBIO kan op eenvoudige wijze alle benodigde inkomensgegevens opvragen en op voorhand vaststellen of de betaling van een ouderbijdrage onmogelijk is, aldus [appellante].

2.6.1. Uit het beroepschrift bij de rechtbank blijkt dat [appellante] tijdig een beroep heeft gedaan op het discriminatieverbod. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak ten onrechte geen oordeel gegeven over deze beroepsgrond. Het betoog is in zoverre terecht voorgedragen, maar leidt niet tot een vernietiging van de aangevallen uitspraak.

Daargelaten de vraag of terecht is gewezen op het Handvest, nu geen sprake is van ten uitvoerlegging van het Unierecht, is de Afdeling van oordeel dat het door het LBIO gemaakte onderscheid tussen de bijstandsgerechtigden en [appellante] voortvloeit uit artikel 71b, aanhef en onder a, van het Uitvoeringsbesluit, waarin is bepaald dat de daarin genoemde bijdrageplichtigen die algemene bijstand ontvangen op grond van de daarin genoemde Wwb-uitkeringen in aanmerking komen voor het buiten invordering stellen van de onderhoudsbijdrage. Uit die bepaling, gelezen in samenhang artikel 73a van de Wjz , volgt dat andere uitkeringsgerechtigden, zoals [appellante], niet in aanmerking komen voor een buiten invorderingstelling van de ouderbijdrage. De Wwb voorziet in financiële bijstand aan personen die niet beschikken over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, terwijl de WAO voorziet in het opvangen van inkomensverliezen op grond van arbeidsongeschiktheid. Gelet op de verschillende aard van beide regelingen is het gemaakte onderscheid gerechtvaardigd.

Het betoog faalt.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. C.J.M. Schuyt en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Poot

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2011

362-680.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature