< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Beschikking inlichtingenuitwisseling met Italië. Verweerder kon er van uit gaan dat aan het uitputtingsbeginsel was voldaan. Het onderhouden van zakelijke betrekkingen valt niet onder de uitzonderingen die in de WIB zijn gemaakt op het uitgangspunt dat verweerder de gevraagde inlichtingen dient te verstrekken.

Uitspraak



RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/2318 WET en AWB 11/2319 WET

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

Pibedeoro B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

verzoekster,

gemachtigden mr. P. Boonstra en mr. A.J. de Vries,

en

de Staatssecretaris van Financiën,

verweerder,

gemachtigde mr. E.E. Schipper.

Procesverloop

Verzoekster heeft een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit verzoek hangt samen met het door verzoekster ingediende beroep tegen het besluit van verweerder van 26 april 2011.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 28 juni 2011. Verzoekster is vertegenwoordigd door haar gemachtigden. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Eveneens is namens verweerder aanwezig [aanwezige].

Overwegingen

1. Inleidende bepalingen

1.1 Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gaat de voorzieningenrechter na of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de daarvoor vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

1.2 Op grond van artikel 8:86 van de Awb is de voorzieningenrechter bevoegd onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien het verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb , nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De feiten en omstandigheden in de hoofdzaak vergen naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen nader onderzoek, zodat de voorzieningenrechter van deze bevoegdheid gebruik zal maken.

2. Feiten en omstandigheden

2.1 Bij besluit van 2 november 2009 heeft verweerder verzoekster meegedeeld dat naar aanleiding van een verzoek van de bevoegde fiscale autoriteiten van Italië is besloten op grond van artikel 1, eerste lid, van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen (WIB), artikel 2, eerste lid en voor zover nodig artikel 4, eerste lid van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen 77 /799/EEG van 19 december 1977 (de Richtlijn) en artikel 27 van het Verdrag ter voorkoming van dubbele belasting, gesloten tussen Itali ë en Nederland (het Verdrag) informatie te verstrekken aan de bovengenoemde autoriteiten (het primaire besluit).

2.2 Bij besluit van 26 april 2011 is verweerder niet aan de door verzoekster ingediende bezwaren tegemoet gekomen (het bestreden besluit).

2.3 Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend.

2.4 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden. Bij brief van 16 juni 2011 heeft verweerder de voorzieningenrechter verzocht op het verzoek om inlichtingenverstrekking van de bevoegde autoriteit van Italië (productie 11) artikel 8:29 van de Awb toe te passen.

2.5 Bij beslissing van 20 juni 2011 heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat er sprake is van gewichtige redenen die de beperking van de kennisneming van productie 11 rechtvaardigen. Bij fax van 27 juni 2011 heeft verzoekster toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb gegeven aan de rechtbank om mede op grondslag van productie 11 uitspraak te doen.

3. Wettelijk kader

3.1 Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de WIB kan Onze Minister op verzoek van een bevoegde autoriteit haar de inlichtingen verstrekken waarom zij vraagt en die voor haar van belang kunnen zijn bij de heffing van een in artikel 1 bedoelde belasting, alsmede renten of bestuursrechtelijke sancties of boeten die daarmee verband houden.

3.2 Ingevolge artikel 13, tweede lid, van de WIB – voor zover hier van belang – behoeft Onze Minister geen inlichtingen te verstrekken indien:

c. aannemelijk is dat de bevoegde autoriteit in de eigen staat niet eerst de gebruikelijke mogelijkheden voor het verkrijgen van de door haar gevraagde inlichtingen heeft benut, die zij in de gegeven situatie had kunnen benutten zonder het beoogde resultaat in gevaar te brengen;

e. daarmee een commercieel, een industrieel of een beroepsgeheim zou worden onthuld.

3.3 Volgens de beschikking tot inlichtingenuitwisseling hebben de bevoegde autoriteiten van Italië verzocht om:

- gegevens die verband houden met een contract van 22 juni 2005 tussen verzoekster en W.P. Lavori in Corso SRL inzake het dragen van kleding tijdens videoclips en televisieopnames van [zanger],

- informatie over een factuur van 30 september 2005, nr. 01/2005 en een in 2006 verstuurde factuur beide gericht aan W.P. Lavori in Corso SRL,

- informatie over door verzoekster gedurende 2005-2007 afgesloten contracten met betrekking tot [zanger].

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Verzoekster heeft aangevoerd dat het aannemelijk is dat de gevraagde inlichtingen door de fiscale autoriteiten van Italië zelf verkregen kunnen worden en dat Italië eerst zelf de gebruikelijke mogelijkheden voor het verkrijgen van de door haar gevraagde inlichtingen moet aanwenden. Aan het zogeheten uitputtingsbeginsel is niet voldaan.

4.2 De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in de uitspraak van 22 juni 1993, LJ-nummer AQ0776, overwogen dat aan de strekking van de WIB, te weten het mogelijk maken van de onderlinge uitwisseling van fiscale inlichtingen tussen Staten die zich daartoe wederzijds hebben verplicht, afbreuk zou worden gedaan, indien de Staat waaraan een verzoek om inlichtingen wordt gericht niet zou mogen afgaan op de mededeling van de verzoekende Staat dat de gevraagde informatie in eigen land niet verkrijgbaar is. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat uit het inlichtingenverzoek blijkt dat de gebruikelijke mogelijkheden voor het verkrijgen van inlichtingen in Italië zijn aangewend. Het is aan verzoekster, die heeft betwist dat de Italiaanse autoriteiten de gebruikelijke mogelijkheden hebben aangewend om in de eigen Staat de gevraagde inlichtingen te verkrijgen, om haar stelling aannemelijk te maken. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster, door enkel te stellen dat niet is voldaan aan het uitputtingsbeginsel, hierin niet is geslaagd. Na kennisname van het inlichtingenverzoek is de voorzieningenrechter voorts van oordeel dat verweerder er van uit kan gaan dat aan het uitputtingsbeginsel was voldaan.

4.3 Verzoekster heeft voorts aangevoerd dat de gevraagde inlichtingen commerciële- en bedrijfsgeheimen bevatten, zodat op grond van artikel 13, derde lid, van de WIB , artikel 27, tweede lid onderdeel c, van het Verdrag en artikel 8, tweede lid, van de Richtlijn deze inlichtingen niet behoeven te worden verstrekt aan de fiscale autoriteiten van Italië. Het gaat hier namelijk om contracten en facturen die betrekking hebben op de kleding die [zanger] heeft gedragen in het openbaar en tijdens videoclips en televisieopnames. Deze inlichtingen zijn te beschouwen als bedrijfsgeheim aangezien [zanger] contracten heeft afgesloten met verschillende partijen en kledingmerken en deze partijen en merken dit niet van elkaar weten. Indien de inlichtingen wel mogen worden verstrekt aan de fiscale autoriteiten van Italië bestaat er het risico dat de te verstrekken inlichtingen publiekelijk bekend worden, waardoor [zanger] schade zal ondervinden. Uit de vertalingen van Italiaanse nieuwsberichten blijkt volgens verzoekster dat de Italiaanse (fiscale) autoriteiten in eerdere gevallen zich niet aan de van haar te verwachten geheimhouding heeft gehouden doordat vertrouwelijke informatie openbaar is geworden.

4.4 Met verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat de commerciële- industriële- of beroepsgeheimen zoals bedoeld in de hiervoor aangehaalde artikelen betrekking hebben op een productiewijze, een recept, inzicht in de opbouw van de kostprijs van een product. Het onderhouden van zakelijke betrekkingen, waarop verzoekster zich hier beroept, valt niet onder de uitzonderingen van de WIB die zijn gemaakt op het uitgangspunt dat verweerder de gevraagde inlichtingen dient te verstrekken. Eventuele schade die verzoekster of [zanger] door de verstrekking van de inlichtingen zou lijden valt evenmin onder de door de WIB beschermde belangen. De inlichtingen vallen onder de geheimhoudingsclausule van artikel 7 van de Richtlijn en artikel 27, eerste lid, van het Verdrag. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat in het inlichtingenverzoek expliciet is vermeld dat de gevraagde informatie zal worden gebruikt met inachtneming van deze geheimhoudingsbepalingen. Met verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat er geen aanleiding bestaat om te veronderstellen dat de Italiaanse autoriteiten haar geheimhouding heeft geschonden of zal schenden. De gronden die verzoekster hieromtrent heeft aangevoerd kunnen dan ook niet slagen.

4.5 Het voorgaande leidt er toe dat de gronden van verzoekster niet kunnen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De voorzieningenrechter zal daarom het beroep van verzoekster ongegrond verklaren en het verzoek tot het opschorten van de inlichtingenuitwisseling afwijzen.

4.6 Voor het treffen van de overige door verzoekster gevraagde voorzieningen bestaat naar het oordeel van de voorzieningenrechter evenmin aanleiding. Met verweerder ziet de voorzieningenrechter, gelet op de summiere tekst van de inlichtingenuitwisselingbeschikking, geen aanleiding te gebieden dat eerst een Engelse vertaling van de tekst aan verzoekster wordt verstrekt, nu niet aannemelijk is gemaakt dat verweerder een onjuiste tekst zou verstrekken aan de Italiaanse autoriteiten of een tekst die zou leiden tot interpretatieverschillen. In het door verzoekster verzochte onleesbaar maken van bepaalde delen van de te verstrekken inlichtingen voorziet de wettelijke regeling niet en dit zou naar het oordeel van de voorzieningenrechter haaks staan op het aan de WIB ten grondslag liggende uitgangspunt dat de inlichtingen worden verstrekt zoals zij zijn. Evenmin ziet de voorzieningenrechter aanleiding verweerder te gebieden gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, tweede gedachtenstreepje, van de Richtlijn. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat van deze mogelijkheid tot het maken van bezwaar bij de Italiaanse autoriteiten tegen het vermelden van de inlichtingen tijdens openbare rechtszittingen of bij rechterlijke uitspraken in het algemeen geen gebruik wordt gemaakt. Gesteld noch gebleken is dat er op dit moment in Italië rechtszaken aanhangig zijn die (mede) betrekking hebben op de gevraagde inlichtingen, zodat de voorzieningenrechter niet vermag in te zien welk belang verzoekster bij een dergelijke voorziening zou hebben.

4.7 Ten aanzien van het verzoek van verzoekster om de tussenbeslissing die op grond van artikel 8:29 van de Awb is genomen te vernietigen overweegt de voorzieningenrechter dat de beslissing van 20 juni 2011 een beperking inhoudt van het beginsel van openbaarheid en dat van de “equality of arms” zoals bedoeld in artikel 6 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), maar deze beperkingsmogelijkheid met zodanige waarborgen omkleed is dat het recht op een eerlijke procesvoering niet in zijn essentie wordt beperkt (zie de uitspraak van de Afdeling van 8 april 2009, te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer BI0419). Voorts volgt uit de tussenbeslissing, die door de rechtbank in een andere samenstelling is genomen, dat de toepassing van artikel 8:29 van de Awb op het verzoek om inlichtingenverstrekking van de bevoegde autoriteit van Italië (productie 11) in het verdere verloop van de procedure een bindend gegeven is. Tegen deze tussenbeslissing staat geen zelfstandig hoger beroep open, maar verzoekster kan tegelijk met de onderhavige uitspraak hoger beroep instellen tegen de tussenbeslissing. Gelet hierop gaat de voorzieningenrechter voorbij aan het door verzoekster gestelde motiveringsgebrek in de beslissing van 20 juni 2011 en wijst ook dit verzoek af.

4.8 De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding verweerder te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten of het door haar betaalde griffierecht.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. de Rooij, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.M. Wiersma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2011.

de griffier, de voorzieningenrechter,

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft de hoofdzaak, kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature