Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebieden:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Ontslag op grond van dienstbelang ingevolge artikel 1122, eerste lid, aanhef en onder d, van het ARA. Appellant heeft niet in strijd met enige rechtsregel gehandeld door een nader medisch onderzoek achterwege te laten. Geen sprake van een ontoereikende motivering van het ontslagbesluit. Een dergelijk ontslag moet in zijn algemeenheid gepaard gaan met de toekenning van een aanspraak op een uitkering op het niveau van de werkloosheidsuitkeringen als ware als gevolg van het ontslag geen sprake van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in artikel 24 van de Werkloosheidswet . Niet kan worden gezegd dat appellant ten onrechte heeft volstaan met een aanspraak op een garantie-uitkering.

Uitspraak



09/6636 AW en 10/6537 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 december 2009, 08/4980 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene),

en

appellant

Datum uitspraak: 25 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Naar aanleiding van de aangevallen uitspraak heeft appellant op 23 augustus 2010 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.A. Boes-Kouwenoord en H.H.J. Gerth, beiden werkzaam bij de gemeente Amsterdam. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. H.D. van Duijvenbode, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene was sinds 1980 in dienst van appellant en laatst werkzaam als [naam functie] bij de Dienst Werk en Inkomen (DWI). Op 8 september 2006 heeft met betrokkene een gesprek plaatsgevonden over houding en gedrag en het niet naleven van huisregels ten aanzien van ziekteverzuim. Op 13 november 2006 heeft betrokkene een gesprek gehad met zijn nieuwe leidinggevende. In dat gesprek is aan de orde gesteld of de functie voor betrokkene nog wel passend voor hem is en is een belastbaarheidsonderzoek voorgesteld. Betrokkene heeft zich op 21 november 2006 ziek gemeld wegens spanningsklachten. In december 2006 heeft een belastbaarheidsonderzoek plaatsgevonden. Nadat betrokkene zich hersteld had gemeld, is op 18 januari 2007 vastgelegd dat betrokkene zal worden aangemeld bij het Bureau Mobiliteit en Formatie (BMF). Op 19 januari 2007 heeft betrokkene zijn teamleider (die niet aanwezig was) bedreigd. Op 22 januari 2007 is betrokkene ziek gemeld en na een heupoperatie medio 2007 weer hersteld gemeld. Betrokkene is daarna zonder opgaaf van redenen twee keer niet op afspraken met het BMF verschenen.

1.2. Bij besluit van 26 juli 2007 is aan betrokkene de straf van een schriftelijke berisping opgelegd omdat hij zich meerdere keren niet aan de afspraken heeft gehouden en hij zich bedreigend heeft uitgelaten over zijn teamleider. Betrokkene heeft daartegen geen rechtsmiddelen aangewend.

1.3. Bij brief van 1 augustus 2007 heeft appellant aan betrokkene meegedeeld dat gedurende een periode van zes maanden zal worden gezocht naar passend werk. Als dit geen resultaat zou hebben, wordt de re-integratie extern gericht. In het geval betrokkene na zes maanden geen ander werk heeft gevonden, zal worden voorgesteld het dienstverband te beëindigen. In dat kader heeft appellant afspraken met betrokkene gepland. Betrokkene is op verschillende afspraken met de personeelsadviseur en de bedrijfsarts niet verschenen.

1.4. Bij besluit van 17 december 2007 heeft appellant aan betrokkene de straf van voorwaardelijk ontslag met een proeftijd van twee jaar opgelegd, omdat betrokkene stelselmatig afspraken niet is nagekomen en heeft nagelaten om mee te werken aan zijn re-integratie. Tegen dit besluit heeft betrokkene geen rechtsmiddelen aangewend.

1.5. Op 15 februari 2008 is aan betrokkene het voornemen kenbaar gemaakt om hem per 1 juli 2008 ontslag te verlenen wegens ongeschiktheid op grond van artikel 1122, eerste lid, aanhef en onder c, van het Ambtenarenreglement Amsterdam (ARA). Voorts is aan betrokkene meegedeeld dat de duur van het begeleidingstraject om buiten de DWI een andere passende functie te vinden wordt verlengd tot 1 juli 2008. Betrokkene heeft zienswijzen ingediend. Bij besluit van

11 maart 2008 is aan betrokkene per 1 juli 2008 op voornoemde grond ontslag verleend. Daartegen heeft betrokkene bezwaar gemaakt.

1.6. Bij besluit van 25 augustus 2008 is de aan betrokkene toegekende WAO-uitkering met ingang van 23 mei 2008 verhoogd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100 %.

2. Het tegen het besluit van 11 maart 2008 gemaakte bezwaar is bij besluit van 21 november 2008 (hierna: bestreden besluit) gegrond verklaard. Daarbij heeft appellant het ontslag per 1 juli 2008 gehandhaafd, zij het primair op grond van volledige arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 1120 van het ARA, en subsidiair op grond van dienstbelang ingevolge artikel 1122, eerste lid, aanhef en onder d, van het ARA.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard. Ter zitting van de rechtbank heeft appellant meegedeeld dat het ontslag wegens volledige arbeidsongeschiktheid niet wordt gehandhaafd. De rechtbank heeft ter zake van het ontslag wegens dienstbelang overwogen dat niet is gebleken wat betrokkene wordt verweten en welke rol hij in dat verband heeft gespeeld. Uit het advies van de bezwaarschriftencommissie is gebleken dat appellant zelf ook een verwijt treft in het kader van het bemiddelingstraject. Voorts had appellant naar het oordeel van de rechtbank moeten onderzoeken of aan de houding en het gedrag van betrokkene een medische oorzaak ten grondslag lag. Appellant had daartoe gegevens moeten inwinnen bij de betrokkene behandelende psychiater. De informatie van de bedrijfsarts geeft daartoe onvoldoende inzicht. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook onvoldoende grondslag voor een ontslag wegens dienstbelang. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3.1. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant op 23 augustus 2010 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, inhoudende dat aan betrokkene opnieuw met ingang van 1 juli 2008 ontslag wordt verleend, primair op grond van dienstbelang en subsidiair wegens ziekte. Voorts heeft appellant meegedeeld dat er geen aanleiding bestaat om naast de normale werkloosheidsuitkeringen nog een extra compensatie te verlenen.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.

4.1. De Raad is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat het niet hebben verricht van een nader medisch onderzoek door appellant niet onzorgvuldig is te achten. Bij een ontslag op andere gronden als bedoeld in artikel 1122, eerste lid, aanhef en onder d, van het ARA bestaat er, ook al zijn er redenen om aan te nemen dat mogelijk ziekte in het spel is, geen verplichting een medisch onderzoek te laten verrichten om vast te stellen of het gedrag dat ten grondslag is gelegd aan het ontslag zijn oorzaak vindt in enige ziekte. Daarbij komt dat bij betrokkene weliswaar sprake was van een aanmerkelijk ziekteverzuim, maar dat niet is gebleken dat een daarop toegespitst rechtspositioneel traject is gestart. Appellant heeft dan ook niet in strijd met enige rechtsregel gehandeld door een nader medisch onderzoek achterwege te laten.

4.2. De Raad deelt evenmin het oordeel van de rechtbank dat, omdat niet gebleken zou zijn wat betrokkene wordt verweten, sprake is van een ontoereikende motivering van het ontslagbesluit. De Raad is van oordeel dat de feiten en omstandigheden die in de stukken naar voren komen - en die hierboven onder 1 zijn vermeld - afdoende rechtvaardiging geven aan hetgeen in het bestreden besluit ten grondslag is gelegd aan het ontslag wegens dienstbelang.

4.3. Uit de stukken blijkt naar het oordeel van de Raad voldoende dat een impasse is ontstaan waardoor van appellant niet langer verwacht kon worden om het dienstverband met betrokkene voort te zetten. Betrokkene heeft immers regelmatig afspraken in het kader van de re-integratie niet nagekomen en is zonder opgaaf van redenen niet op afspraken verschenen. Hoewel daarover met betrokkene gesprekken hebben plaatsgehad, heeft geen gedragsverandering plaatsgevonden. Ook in het traject van het BMF heeft betrokkene zich weinig coöperatief opgesteld en daardoor het traject aanzienlijk bemoeilijkt. De bemiddeling door het BMF heeft ook niet tot het gewenste resultaat geleid. Daarnaast heeft betrokkene zich op

19 januari 2007 bedreigend uitgelaten jegens zijn leidinggevende. Deze gedragingen zijn voor appellant aanleiding geweest om betrokkene twee keer een disciplinaire maatregel op te leggen.

4.4. Het voorgaande betekent dat appellant bevoegd was om betrokkene met ingang van 1 juli 2008 ontslag te verlenen op grond van art 1122, eerste lid, aanhef en onder d, van het ARA.

4.5. Een dergelijk ontslag moet in zijn algemeenheid gepaard gaan met de toekenning van een aanspraak op een uitkering op het niveau van de werkloosheidsuitkeringen als ware als gevolg van het ontslag geen sprake van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in artikel 24 van de Werkloosheidswet . In het bestreden besluit, waaruit appellant slechts de hier besproken subsidiaire ontslaggrond heeft gehandhaafd, is deze toekenning achterwege gebleven. De Raad onderschrijft daarom, zij het op andere gronden, het oordeel van de rechtbank dat dit besluit niet in stand kan blijven. De aangevallen uitspraak moet, met verbetering van gronden, worden bevestigd.

4.6. Het voorgaande betekent dat de Raad toekomt aan beoordeling van het besluit van 23 augustus 2010, dat appellant ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft genomen en dat op voet van artikel 6:19 van de Awb in dit geding wordt betrokken. Gezien het overwogene onder 4.1 tot en met 4.4 houdt het in genoemd besluit op de primaire grond gebaseerde ontslag in rechte stand. Op het punt van de uitkerings-aanspraak heeft het college in genoemd besluit volstaan met het niveau van de werkloosheidsuitkeringen.

4.7. Naar vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 23 mei 2001, LJN AD3438 en TAR 2001, 122) kan de rechter slechts tot het oordeel komen dat een uikering op niveau van de werkloosheidsuitkeringen als onvoldoende moet worden aangemerkt, indien zou komen vast te staan dat het het bestuursorgaan is geweest dat een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de impasse, of indien gezegd moet worden dat het bestuursorgaan met het oog op de omstandigheden van het geval een uitkering die niet uitgaat boven genoemde (garantie op een) uitkering, niet redelijk heeft kunnen achten.

Betrokkene heeft gesteld dat sprake was van een overwegend aandeel van appellant in de ontstane impasse nu er na 27 jaar ineens geen plek meer voor hem was en ten onrechte niet is geprobeerd om hem binnenboord te houden.

4.8. Daarvan is hier geen sprake. Uit de stukken blijkt dat appellant veel initiatieven heeft genomen om betrokkene naar werk te begeleiden. Dat dit uiteindelijk niet is gelukt, is naar het oordeel van de Raad niet in de eerste plaats aan appellant te wijten. Door telkens de afspraken in het kader van de re-integratie niet na te komen, niet te verschijnen op afspraken zonder afmelding en ook in het begeleidingstraject een niet coöperatieve houding aan te nemen, heeft betrokkene zelf bijgedragen aan de situatie die uiteindelijk tot de impasse heeft geleid. Naar het oordeel van de Raad kan dan ook niet worden gezegd dat appellant ten onrechte heeft volstaan met een aanspraak op een garantie-uitkering. Het beroep tegen het besluit van 23 augustus 2010 moet dus ongegrond worden verklaard.

5. De Raad ziet aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep, welke worden begroot op € 874,- aan de kosten voor rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 23 augustus 2010 ongegrond;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 874,-;

Bepaalt dat van appellant een griffierecht wordt geheven van € 447,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Treffers als voorzitter en K. Zeilemaker en B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2011.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) R. Scheffer.

NK


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature