< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Kort geding. Vordering ex artikel 2 lid 1 van de Wet aanpassing arbeidsduur (WAA) om dag minder te mogen werken. Van zwaarwegend belang werkgever is niet gebleken. Vordering daarom toegewezen.

Uitspraak



RECHTBANK GRONINGEN

Sector kanton

Locatie Groningen

Zaak\rolnummer: 508988 VV EXPL 11-78

Vonnis in kort geding d.d. 19 juli 2011

inzake

[Eiser],

wonende te [adres],

eiser, hierna [eiser] te noemen,

gemachtigde mr. E.H. Jaarsma, werkzaam bij Stichting Univé Rechtshulp te Assen,

tegen

de besloten vennootschap Louwman Groningen BV,

gevestigd te (9723 HM) Groningen aan de Moermanskweg 3,

gedaagde, hierna Louwman te noemen,

gemachtigde mr. M.F. Constantin, werkzaam bij Louwman.

PROCESGANG

Op de in de inleidende dagvaarding genoemde gronden heeft [eiser] gevorderd dat Louwman bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, bij wijze van voorlopige voorziening wordt geboden om hem vanaf 1 juli 2011, althans een zodanige datum als de kantonrechter in goede justitie juist acht, te werk te stellen in zijn eigen functie voor 4 dagen - derhalve 32 uren - per week, waarbij dinsdag, woensdag, donderdag en vrijdag werkdagen zijn, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 200,00 voor elke dag dat Louwman daarmee in gebreke blijft en met veroordeling van Louwman in de proceskosten.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 juli 2011. Partijen (Louwman vertegenwoordigd door [naam], [naam] en [naam]) zijn samen met hun gemachtigden ter zitting verschenen, waar zij hun wederzijdse standpunten (nader) uiteen hebben gezet, mede aan de hand van de door de gemachtigden opgestelde pleitaantekeningen. Van het verhandelde is door de griffier aantekening gehouden.

Partijen hebben vervolgens nog getracht om een oplossing voor het geschil te vinden, maar blijkens hun brieven van 11 (Louwman) en 12 ([eiser]) juli 2011 zijn zij daarin niet geslaagd.

Het vonnis is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

De feiten

1. Als gesteld en erkend, dan wel niet (gemotiveerd) weersproken, alsmede op grond van de in zoverre onbetwiste inhoud van de overgelegde producties staat het volgende vast.

1.1. [eiser], geboren op 26 juli 1976, is sinds 1 september 1997 krachtens arbeidsovereenkomst in dienst van Louwman in de functie van monteur. De overeengekomen arbeidsduur bedraagt 40 uur per week, verdeeld over maandag tot en met vrijdag.

1.2. Louwman is een garagebedrijf. Voor het verrichten van reparaties aan de auto's zijn in de werkplaats 14 bruggen. In totaal zijn er 12 monteurs werkzaam, allen met een fulltime dienstverband.

1.3. [eiser], die 3 kinderen heeft, heeft van september 2007 tot september 2008 (een jaar) en van 1 januari 2011 tot juli 2011 (een half jaar) 1 dag per week ouderschapsverlof opgenomen. In genoemde periodes werkte [eiser] dus feitelijk 32 uur per week, waarbij hij op maandag geen arbeid verrichtte.

1.4. Bij brief van 23 februari 2011 heeft [eiser] Louwman gevraagd of hij vanaf 1 juli 2011 parttime (32 uur per week) mag gaan werken.

1.5. Louwman heeft bij brief van 2 maart 2011 aan [eiser] laten weten dat zij in beginsel afwijzend tegenover dit verzoek staat en zij heeft [eiser] gevraagd om zijn verzoek in heroverweging te nemen.

1.6. Nadat [eiser] mondeling had aangegeven zijn verzoek te handhaven, heeft Louwman bij brief van 23 mei 2011 [eiser] ervan in kennis gesteld dat zij op grond van zwaarwegende bedrijfsbelangen het verzoek niet inwilligt.

1.7. Partijen hebben hier vervolgens nog over gecorrespondeerd, maar tot een oplossing heeft dat niet geleid.

Het geschil

2. Het gaat in deze zaak om het antwoord op de vraag of Louwman het verzoek van [eiser] om vermindering van de arbeidsduur op goede gronden heeft geweigerd.

3. Waar nodig zal de kantonrechter bij de beoordeling nader op de standpunten van partijen ingaan.

De beoordeling

4. [eiser] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij een spoedeisend belang bij zijn vordering heeft. Van [eiser] kan daarom niet worden gevergd dat de uitkomst van een eventuele bodemprocedure wordt afgewacht.

5. In dit kort geding moet aan de hand van de door partijen gepresenteerde feiten, zonder nader onderzoek, beoordeeld worden of de vordering in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat vooruitlopend daarop toewijzing reeds nu gerechtvaardigd is. Naar het oordeel van de kantonrechter is dat op grond van het navolgende het geval.

6. De kantonrechter overweegt allereerst dat waar [eiser] in de dagvaarding de indruk wekte dat voordat hij zijn formele verzoek indiende, zijn directeur van de vestiging in Groningen al mondeling had ingestemd met de beperking van zijn arbeidsomvang met 1 dag (wat door Louwman uitdrukkelijk is betwist), hij dit beeld tijdens de mondelinge behandeling heeft genuanceerd. Volgens hem maakte de directeur niet de indruk bezwaar te hebben tegen de verminderde arbeidsduur. Dat is vanzelfsprekend niet hetzelfde als een formele instemming met het verzoek. Omdat het voor [eiser] duidelijk was dat het verzoek op het hoofdkantoor in Den Haag moest worden gedaan, mag en kan hij aan de vermeende "houding" van de directeur van de vestiging in Groningen geen instemming ontlenen.

7. Op grond van artikel 2 lid 1 van de Wet aanpassing arbeidsduur (WAA) kan een werknemer zijn werkgever vragen om de arbeidsduur aan te passen. Op grond van lid 5 van dat artikel moet de werkgever een dergelijk verzoek inwilligen tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten.

8. Verder is van belang dat uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de redenen van de werknemer voor een verzoek om aanpassing van de arbeidsduur niet relevant zijn. Wat die redenen ook zijn, de werkgever zal het verzoek moeten inwilligen, tenzij hij kan wijzen op zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen.

9. Het voorgaande betekent dat de reden van [eiser] voor zijn verzoek om vermindering van de arbeidsduur niet van belang is en dat Louwman alleen dan niet mag instemmen met het verzoek van [eiser] wanneer zij aannemelijk maakt en zo nodig bewijst dat zwaarwegende bedrijfsbelangen zich daartegen verzetten.

10. Als reden voor haar weigering voert Louwman (samengevat) het volgende aan. Sinds jaar en dag is Louwman Groningen een verlieslatende onderneming. De economische crisis in 2008 maakte dat nog erger. Om de levensvatbaarheid van Louwman Groningen te waarborgen, was zij daarom genoodzaakt om maatregelen te treffen. Daarbij is niet alleen gekeken naar kostenbeperkingen maar ook naar redementsverhogingen. Om dit laatste te realiseren moeten onder meer de monteurs efficiënter en zo volledig mogelijk worden ingezet. Wanneer de productiviteit afneemt levert dat minder factureerbaar werk op, waardoor de omzet daalt. Vertaald naar [eiser] betekent 1 dag per week minder werken dat het resultaat van Louwman Groningen met (bijna) 12% daalt. Zowel intern als extern is er niemand te vinden die de 8 vrijgekomen uren kan invullen.

11. [eiser] betwist dat die ene dag die hij minder wil gaan werken tot zo'n grote resultaatdaling zal leiden. Ook is hij van mening dat het best mogelijk is om die dag op een of andere wijze in te vullen. In ieder geval heeft Louwman in zijn optiek zich onvoldoende ingespannen om een bevredigende oplossing te vinden.

12. Vast staat dat er in de werkplaats van Louwman 14 bruggen staan, waarvan 2 bruggen worden gebruikt voor snelservice. De overige 12 bruggen worden bemand door de 12 monteurs die op dit moment allemaal fulltime werken. Elke monteur bouwt per week 2 ADV-uren op en werkt in de praktijk 38 uur per week. In totaal werken de monteurs nu dus (12 x 38 =) 456 uur per week. Wanneer [eiser] 1 dag per week minder gaat werken, bouwt hij geen ADV-uren meer op. Hierdoor zal hij 32 uur per week gaan werken en dus 6 uur per week minder dan tot nu het geval is. Dit zal leiden tot een krimp van de formatie van de monteurs met 1,32%. Verder houdt Louwman, zo blijkt onder meer uit het uittreksel uit het handelsregister, zich niet alleen bezig met autoreparaties maar verkoopt zij ook nieuwe en gebruikte auto's. Het ligt naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter dan ook niet voor de hand dat wanneer [eiser] 1 dag per week minder gaat werken dit een afname van maar liefst 12% van het bedrijfsresultaat van Louwman tot gevolg zal hebben. Weliswaar heeft Louwman in haar pleitaantekeningen een berekening gemaakt waaruit dat percentage zou moeten blijken, maar bij gebrek aan onderliggende stukken is dat in het licht van het voorgaande (geringe krimp formatie monteurs en overige bedrijfsactiviteiten) onvoldoende om van de juistheid daarvan te kunnen uitgaan. Om dit te kunnen vaststellen is dan ook nader onderzoek c.q. nadere bewijsvoering nodig, waarvoor een kort geding zich niet leent. Aan dit verweer van Louwman zal dan ook voorbij worden gegaan.

13. Omdat in dit kort geding niet is gebleken van een zodanig zwaarwegend bedrijfsbelang van Louwman dat de wens van [eiser] om minder te gaan werken daarvoor moet wijken, ligt de vordering van [eiser] voor toewijzing gereed. Wel acht de kantonrechter het redelijk om Louwman nog enige tijd te gunnen om - zo nodig - op de urenvermindering in te spelen. Als datum voor de urenvermindering zal daarom 1 september 2011 worden bepaald. Verder zal de gevorderde dwangsom worden gematigd tot € 200,00 per week en zal daaraan een maximum van € 10.000,00 worden verbonden.

14. Louwman zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten.

BESLISSING IN KORT GEDING

De kantonrechter:

1. gebiedt Louwman om [eiser] vanaf 1 september 2011 te werk te stellen in zijn eigen functie voor 4 dagen - derhalve 32 uren - per week, waarbij dinsdag, woensdag, donderdag en vrijdag werkdagen zijn, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 200,00 voor elke week met een maximum van € 10.000,00 dat Louwman daar na de betekening van dit vonnis mee in gebreke blijft;

2. veroordeelt Louwman in de kosten van het geding, aan de zijde van [eiser] tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 71,00 aan griffierecht, € 101,81 aan explootkosten en € 400,00 voor salaris van de gemachtigde;

3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. van Eerde, kantonrechter, en op 19 juli 2011 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

typ: MH


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature